Literair handboek prikkelt de leeslust

Bloed en rozen is een brede, ruimhartige en onbekrompen geschiedenis van de Nederlandse literatuur.

Het voelt ouderwets zwaar op schoot, Bloed en Rozen, het nieuwe deel Geschiedenis van de Nederlandse literatuur door literatuurhistorica Jacqueline Bel. Een paar kilo geboekstaafde literatuur, meer dan duizend pagina's. Dat is meteen ook het belangrijkste nadeel van deze ambitieuze geschiedschrijving. Bels boek is het bijna-laatste deel in de prestigieuze achtdelige reeks van de Taalunie, een literatuurgeschiedenis van de lage landen, van 1300 tot 2005, waaraan ook auteurs als Frits van Oostrom en Hugo Brems hebben bijgedragen. Dit deel beslaat het tijdvak 1900-1945.

Uit de tijd

Wie aan zo'n enorm project begint, moet het vaak te horen krijgen: waarom? Wie leest nou nog zo'n boek? Visies op het verleden veranderen voortdurend, een 'canon' is toch uit de tijd? En áls je iets wilt weten over literatuur, dan kun je dat toch opzoeken op internet? Daar is een schat aan teksten te vinden, van en over alle schrijvers.

Dat laatste is waar. Alleen, waarom zou je dat doen? Belangstelling voor de literatuurgeschiedenis moet eerst worden aangewakkerd. Dat literatuur meer is dan een stapel boeken van individuele schrijvers bedenk je niet zelf, dat moet iemand je vertellen. Het is een fascinerend verhaal, over hoe mensen dachten, hoe ze zich gedroegen, elkaar bestreden. Dat alles, de grote en de kleine geschiedenis, de heersende moraal en de tegencultuur, wordt weerspiegeld in alle individuele kunstuitingen in proza en poëzie, in wat we 'de literatuur' noemen.

Dat aanwakkeren is de taak van het literatuuronderwijs. Maar juist dat deel van het vak Nederlands is de afgelopen decennia verschraald; de nadruk kwam te liggen op taalvaardigheid. Voor ons schilderkunstige erfgoed zorgen we goed, het literaire erfgoed laten we verslonzen (zie hoe de unieke collectie van het Letterkundig Museum dreigt te verkommeren). Zelfs in de universitaire neerlandistiek is literatuurgeschiedenis niet meer het belangrijkste vak; er komen leraren voor de klas die er in hun studie amper van hebben kennisgenomen. Daarom heeft deze reeks zin. Dit schitterende materiaal is een eindeloze inspiratiebron voor literatuurlessen.

Turbulente tijd

De eerste helft van de vorige eeuw, dat moet voor een literair historicus een van de opwindendste tijdvakken zijn. Het was een turbulente, 'gistende' tijd. Twee wereldoorlogen en daartussen een ongekende opflakkering van een 'nieuwe tijd', gevolgd door een miezerige crisis. Er vloeide veel bloed. 'In een dronkenschap van bloed en rozen' trokken jonge Vlaamse dichters ten strijde in de Grote Oorlog en stierven in de loopgraven. Ook later vertrokken idealisten naar een front. Er werd driftig gevochten in dienst van ideologieën: communisme, fascisme, nazisme. Tegelijk bloeide er krankzinnig veel op: de democratie, het kiesrecht, avantgardistische kunst, esoterie, wetenschap en techniek, de massaproductie, de reclame, de psychologie, de journalistiek, het onderwijs.

Die harteklop van de voortdenderende tijd is voelbaar in Bloed en rozen. Tegelijk gaat het wel degelijk over individuele schrijvers, hun levens, hun literaire kringen, hun werk. Er komt ongelooflijk veel aan de orde: de grote Europese roman, maar ook tafereeltjes uit de Amsterdamse jodenbuurt. De exotische literatuur uit en over Indië en de Kongo en het kneuterige oer-Nederlands naturalisme; uitbundige liefdeslyriek en socialistische reidansen, streekromans en fascistische en nazistische propaganda en journalistieke reportages. Mierzoet idealisme, streng symbolisme, stoer futurisme, dada en klankgedichten. In de meeste literatuurgeschiedenissen valt meteen op wie er níét in staan, nu kwam ik schrijvers tegen van wie ik nog nooit had gehoord. En auteurs die meestal te min worden bevonden, zoals Top Naeff en Ina Boudier-Bakker, of als niet-literair worden beschouwd, zoals Anne Frank en Etty Hillesum.

Dat is het knapste aan Bloed en rozen: het is een ruimhartige, onbekrompen, brede literatuurgeschiedenis. Bel is op geen enkele manier vooringenomen en gehoorzaamt geen ideologische of wetenschappelijke dogma's. In de literatuurgeschiedenis van Ton Anbeek - nog altijd een goed en bruikbaar boek - is 'actie en reactie' de leidraad, in die van Frans de Ruiter en Wilbert Smulders is 'moderniteit' het criterium, bij Thomas Vaessens gaat het om 'framing' van literatuur.

Dartele invalshoeken

Bel kiest vele, steeds wisselende invalshoeken. Sommige schrijvers krijgen een flinke eigen paragraaf, zoals Gorter, Nijhoff, Slauerhoff, Walschap, Elsschot en Van Ostaijen. In andere paragrafen gaat het over een tijdschrift, stroming of debat, over de literaire kritiek of een politieke of religieuze zuil. De enige passages waarin de losse, associatieve benadering een beetje wringt, is als de ontwikkelingen in de Nederlandse en Vlaamse literatuur erg uiteenlopen.

Dit is geen saai handboek. Bel voorkomt met haar aanpak opsommerigheid en plichtmatige behandeling van overbekende thema's. Ze maakt steeds opnieuw keuzes: hoe dit het beste te beschrijven? Ze stelt zich niet op als de scherprechter die in 2015 definitief het kaf van het koren scheidt; ze beschrijft, typeert en legt verbanden. De keuze voor een uitgebreide bespreking van De stille kracht van Louis Couperus als 'ouverture' is verrassend, en werkt goed.

Het is een wonder dat Bloed en rozen bij zoveel dartele invalshoeken geen zooitje is geworden. Dat komt ook door de prettige, zelfverzekerde en heldere manier van schrijven. Jacqueline Bel vertelt een fonkelnieuw oud verhaal dat het verdient zó verteld te worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden