interview Lisa Jacobs

Lisa Jacobs nam het onbegrijpelijke vioolconcert van Carl Nielsen op: ‘Ik zie dit stuk als een zoektocht’

Violist Lisa Jacobs nam samen met de Bremer Philharmoniker het onmogelijke Vioolconcert van Carl Nielsen op. Ze ontleedt het stuk aan hand van haar eigen opname en laat zien waarom het zo berucht moeilijk en tegelijkertijd zo bijzonder is.

Lisa Jacobs. Beeld Sarah van Rij

In het appartement van Lisa Jacobs (33), in Amsterdam-West, staat het grootste deel van de kast volgestouwd met bladmuziek. De overige planken staan vol boeken over haar grote vioolvoorbeelden, van Jascha Heifetz tot Isaac Stern. Bovenop ligt een hele reeks boeken van David Baldacci. ‘Tien jaar geleden studeerde ik in München en nam ik altijd de nachttrein terug naar Nederland’, zegt ze. ‘Ik durfde nooit te gaan slapen: ik was bang dat iemand mijn viool zou stelen. Zo’n spannend, niet al te ingewikkeld boek was de enige remedie.’

Op tafel ligt het resultaat van al die jaren vioolstudie: het album met daarop het Vioolconcert van de Deense componist Carl Nielsen (1865-1931), opgenomen met de Bremer Philharmoniker. Oké, het is alweer haar vijfde, maar wel haar debuut-cd als solist bij een groot symfonieorkest. ‘En ik vind hem heel goed gelukt’, zegt ze. Schaterlach. Maar ze meent het wel.

Dat Vioolconcert van Nielsen is geliefd, maar berucht. Op het eerste gehoor begrijpt zelfs de doorgewinterde klassiekemuziekliefhebber er geen snars van. Het is het merkwaardigste onder de grote vioolconcerten, omdat Nielsen lak heeft aan alle muzikale verwachtingspatronen. Dus gidst de solist ons door het stuk – aan de hand van haar eigen opname. 

Ze stopt de cd in de speler en drukt op play. Daar gaan we.

0’01”: Met 40 minuten (lang) en betrekkelijk weinig rustmomenten kan het stuk een uitputtingsslag zijn voor de violist. Het stuk heeft vier delen, waarvan deel 1 en 2 en deel 3 en 4 in elkaar overlopen. Meestal heeft zo’n concert er drie, met in het midden een langzaam deel. De vierdelige vorm en een prelude als eerste deel verwijst naar de barokke praktijk van vóór Vivaldi. Het stuk is daarmee een voorbeeld van het neoclassicisme.

‘Bam!’, horen we. En dan: een klaaglijke vioollijn, een glijtoon. ‘Dit is het enige vioolconcert dat ik ken waarin het orkest één akkoord speelt, waarna de violist minutenlang zijn gang kan gaan voordat er een echt duidelijk thema komt.’ Een thema? In de klassieke muziek zijn thema’s de muzikale fundamenten (en doorgaans best herkenbare melodieën van een werk) waarvan het gros van de noten is afgeleid. ‘En dat thema hoor je pas aan het begin van deel 2.’

0’30”: ‘Nu heb ik een solo, terwijl het orkest maar één toon aanhoudt.’ Orgelpunt heet dat. ‘Dat effect gebruiken componisten vaak aan het einde van een stuk om de spanning vast te houden, maar hier gebeurt het dus al in het begin. Het heeft iets dreigends. Ik zie dit stuk als een zoektocht, zowel in harmonische als viooltechnische zin: hij was zelf violist en wist wat uitdagend was en wat goed werkte.’

1’30”: ‘Nielsen schreef dit stuk in 1911, toen hij in het huis van Edvard Grieg, de grote Noorse componist, in Bergen zat. Het is een ruig gebied en vanuit dat huisje kijk je uit op het water. Het begin van het stuk is heel onstuimig, ik stel me voor dat het heeft geonweerd terwijl hij daar alleen was. Nu breken al die wolken en komt er een lichtstraaltje door, hoor je?

‘Wat Nielsen bijzonder maakt, is zijn manier van orkestreren. Veel romantische componisten laten het orkest heel dik klinken. Dat gebeurt later in het stuk ook wel, maar in het begin geeft hij de viool alle ruimte, die zweeft twee octaven of zo boven het orkest.’

4’24”: ‘Dit is de kalmte na de storm, wanneer je denkt: wauw, het is allemaal goed gekomen.’

Carl Nielsen geldt als de bekendste componist van Denemarken. Afkomstig uit een boerenfamilie uit Funen, schopte hij het tot tweede violist in het Koninklijk Deens Orkest. Als orkestlid speelde hij mee in de première van zijn Eerste symfonie. Er zouden er nog vijf volgen. Ook schreef hij twee opera’s, een concert voor fluit en een voor klarinet. In de jaren zestig zorgde het zendingswerk van dirigent Leonard Bernstein voor postuum succes buiten Denemarken.

6’41”: Het tweede deel, het Allegro cavalleresco, begint met het thema. De naam van het deel wijst op cavalerie, ‘paardjes’, zoals Jacobs zegt. Maar die komen later pas. ‘Wat we nu horen, is eigenlijk volksmuziek. In de tijd dat Nielsen hieraan werkte, heersten er zowel in Denemarken als Noorwegen nationalistische tendensen. Ze waren samen een land geweest en gingen elk op zoek naar een eigen identiteit. Dit was een bekend melodietje, een fiddle-stukje.’

7’56”: ‘Nielsen kan heel grillig zijn. Soms lijkt het alsof hij ergens ineens het mes in zet, en soms gebruikt hij juist een bijzondere overgang. Hier werkt hij naar een stukje in een andere toonsoort toe, maar op zo’n manier dat je als luisteraar bijna de weg kwijtraakt en geen vaste grond meer onder je voeten voelt.’

Beeld Sarah van Rij

12’27”: ‘Aaah! Hier zit de lastigste passage uit het hele concert, daar heb ik echt 100 duizend uur op geoefend. Je moet allemaal rare sprongen maken terwijl het heel ontspannen moet blijven klinken. De moeilijkste momenten zitten in de stukjes die zo achteloos lijken neergepend.’

19’25”: ‘Nielsen speelde in het operaorkest, die invloed hoor je hier terug. Voor mij klinkt dit alsof de koning langskomt. Een grootse, bombastische entree. Dat hoefgetrappel hoor ik pas aan het eind. Dat slot is ook tekenend voor zijn humor: het voelt alsof het hele concert nu klaar is. Toen we het opnamen (de opname is samengesteld uit twee concertregistraties, red.) ging het publiek al na dit tweede deel klappen.’

We gaan naar de tweede ‘track’ op de cd, met deel 3 en 4 dus.

4’30”: ‘Dit langzame deel, Poco adagio, is eigenlijk het rustpunt in het concert, een moment van contemplatie. Maar de rust bij Nielsen duurt nooit lang, de dreigende ondertoon is nooit ver weg. Zeker niet als je straks die klimmende blazers hoort.’

6’23”: ‘Hij doet altijd wel iets wat je niet verwacht. Terwijl alleen de soloviool over is, laat hij die op de allerlaatste noot enorm veel spanning creëren door een half toontje te zakken, net als je denkt dat het deel is afgelopen. Ik zet het een beetje aan door van die gis naar de g te glijden. Het is een voorbereiding op het Rondo, het vierde deel. Daarin laat hij horen dat hij Mozart kent, maar hij strooit de luisteraar voortdurend zand in de oren door te spelen met grappige accenten, waardoor je een dans met schizofrene trekjes krijgt.’

12’45”: ‘In de meeste romantische concerten heb je één cadens (deel zonder orkest waarin de solist traditiegetrouw zijn virtuositeit kan tonen, red.), hier zijn er twee. Hier pakt hij dat volksmuziekgevoel weer op.’

14’00”: ‘Hier hoor je een voorbeeld van een linkerhandpizzicato: ik moet gewoon mijn noten spelen en met rechts strijken, maar tegelijkertijd met mijn linkerhand een andere snaar plukken. Weer iets wat heel gemakkelijk moet klinken, maar technisch lastig is.’

17’20”: ‘In dit stukje maakt hij het orkest weer heel klein, met alleen nog wat blazers. Je denkt: waar gaat dit heen, wordt er nog iets opgebouwd? Maar dan is het concert ineens met een klap – hop! – afgelopen.

‘Je kunt niet even voor dit concert gaan zitten en het meteen begrijpen. Het heeft tijd nodig. Ik denk dat die grilligheid samenvalt met Nielsens persoonlijkheid. Hij was een buitenbeentje dat niets volgens de regels deed. Juist door die extremen past dit stuk bij mij. Ik heb ook extreme emoties, maar kan uiteindelijk toch bijna overal wel de lol van inzien.’

Lisa Jacobs, Bremer Philharmoniker o.l.v. Mikhail Agrest. Vioolconcert (Carl Nielsen), Andante religioso (Johan Halvorsen) & Romance (Johan Svendsen). Verschenen bij Challenge Classics.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.