Lijden in lust

Waarom vinden we Jezus’ lijden zo veel interessanter dan zijn wederopstanding? Lijden en lust zijn zusjes, en onze fascinatie voor andermans ellende heeft mogelijk een evolutionair nut.

De heilige Sebastiaan leunt tegen een boom, gehuld in niets meer dan een lendendoekje, en hij is er niet best aan toe, in aanmerking genomen dat hij is doorzeefd met diverse puntige pijlen. Eentje steekt in zijn rechterbovenbeen, een in zijn arm, twee in zijn buik; een vijfde exemplaar lijkt nog na te trillen ter hoogte van het hart. Hij kijkt verwijtend naar boven − best logisch, want zo leuk is het niet om met vijf pijlen in je lijf tegen het ruwe boomschors te hangen. Maar verder kan de heilige Sebastiaan, rond 1618 geschilderd door Peter Paul Rubens, zijn pijlen opvallend goed hebben. Ze staan hem eigenlijk prima. Het is sowieso wel een lekker ding, deze Sebastiaan, met zijn brede torso en machtige dijen − en zien we onder dat lendendoekje nou een beloftevolle zwelling?

Albrecht Bouts - Christus met de doornenkroon ca 1460 Beeld RV
Mathias Grünewald - Isenheim Altarpiece ca 1515 Beeld RV
Geertgen tot Sint Jans - Man van Smarten - Museum Catharijneconvent, Utrecht foto Ruben de Heer Beeld RV
THE PASSION OF THE CHRIST (2004) - JIM CAVIEZEL. Credit: ICON DISTRIBUTION INC. / ANTONELLO, PHILIPPE / Album Beeld Imageselect

Sebastiaan leefde volgens de overlevering in het Milaan van de 3de eeuw na Christus. Zijn ouders waren christenen en hij ook, vandaar die pijlen. De Romeinen beschoten hem ermee op het Marsveld van Rome, nadat de keizer had ontdekt dat Sebastiaan het destijds verboden geloof aanhing. Dat Rubens Sebastiaan afbeeldt als lekker ding en niet als een bloedend hoopje ellende, wat van meer realiteitszin zou getuigen, is niet uitzonderlijk; Sebastiaan hangt er op de meeste schilderijen die in de loop der eeuwen van hem zijn gemaakt gezien zijn benarde omstandigheden nog heel bekoorlijk bij, sexy zelfs. Net als de man voor wie hij zich liet doodknuppelen toen de pijlen niet effectief genoeg waren gebleken, en wiens pose hij lijkt te imiteren.

We zitten midden in de lijdensweek, met morgen Witte Donderdag (waarop het Laatste Avondmaal wordt herdacht), overmorgen Goede Vrijdag (kruisiging van Jezus) en zondag Pasen (Jezus staat wonderbaarlijk op uit zijn graf). Het lijden van Jezus wordt deze dagen uitbundig gememoreerd, in Bachpassies onder leiding van dirigenten als Philippe Herreweghe, Ton Koopman en de scheidende Jos van Veldhoven, donderdag op tv in The Passion, waar Tommie Christiaan Jezus zal neerzetten en Glennis Grace Maria, en in steden en dorpen waar de laatste gelovigen Jezus’ kruisweg naspelen of langs de schilderijen wandelen waarop die kruisweg is nageschilderd.

Dat het verhaal van de dood en wederopstanding van Jezus door christenen jaarlijks wordt herdacht, is niet zo raar. Het hele christendom drááit om dat verhaal, waarin (korte samenvatting) de mens als zondig wezen door het leven gaat, met dank aan Adam en Eva en hun geknaag aan de boom van de kennis van goed en kwaad, en God na veel toornig gebrom uiteindelijk zijn zoon stuurt die voor de zonden van alle mensen zal sterven, opdat de mens toch nog een kansje maakt op een plezierige eeuwigheid in het paradijs. Om de geloofwaardigheid van een leven na de dood kracht bij te zetten moest Jezus uit de dood opstaan; om uit de dood te kunnen opstaan, moest hij eerst sterven.

Goed verhaal. Maar waarom wordt bij de jaarlijkse herdenking van het verhaal zo veel uitgebreider – en lang niet alleen door aanhangers van het christelijk geloof − stilgestaan bij het nare lijden dat aan de dood voorafging dan aan de wonderbaarlijke herrijzenis die erop volgde, die niet alleen een knap staaltje werk is maar ook het fundament waarop het hele christelijk geloof leunt?

Aan de oorspronkelijke Bijbelteksten van Jezus’ vier biografen kan het niet liggen. De aanloop naar Jezus’ dood wordt er vrij zakelijk in beschreven. Mattheüs: ‘Daarop liet Pilatus Barabbas vrij, maar Jezus leverde hij uit om gekruisigd te worden, nadat hij hem eerst nog had laten geselen.’ Marcus is al net zo kort. Over Jezus’ gesleep met het kruis, zo’n belangrijk motief in veel christelijke kunst, lezen we bij Mattheüs geen woord; het is kennelijk niet aan de orde. Bij Marcus en Lucas krijgt een toevallige passant van de Romeinse soldaten opdracht Jezus’ kruis naar Golgota te brengen. De enige volgens wie Jezus zelf zijn kruis draagt, is Johannes − hij maakt er welgeteld één regel aan vuil.

Het contrast tussen de kale beschrijvingen in de Bijbel en de wellust waarmee kunstenaars zich al eeuwen aan Jezus en zijn kruis laven, is groot. In het vorige week verschenen Onder de toonbank, over vier eeuwen porno in Nederland (uitgeverij Van Oorschot), wordt het hoofdstuk over homo-erotiek geïllustreerd met verschillende Jezusafbeeldingen. Een ervan is Christus als man van smarten van Maarten van Heemskerck (ca. 1525-1535), die zijn Christus volgens het bijschrift ‘vaak afbeeldde met een opvallend gevuld kruis’. Een pagina verderop staat een afbeelding van het werk Kruisiging van Lucas Cranach (1503), die van Jezus’ lendendoek een gigantische strik heeft gemaakt en zo ‘het geslacht van Christus zichtbaar maakt die ook mens geworden is, dus een pik heeft die kan verstijven, spuiten en verslappen’.

Een recenter voorbeeld van reliporno is Mel Gibsons film The Passion of the Christ uit 2004, waarin Jezus meer bloed verliest dan in een mensenlichaam past. De gekwelde hoofdrolspeler Jim Caviezel liep tijdens de opnamen een schouderfractuur op, maar verklaarde zich desondanks begin deze maand bereid opnieuw Jezus te spelen in het aangekondigde vervolg. Ook Ted Neeley, die er in de film Jesus Christ Superstar (1973) tussen het zingen door in 39 ritmische zweepslagen flink van langs krijgt, blijft dol op zijn personage; deze week is de rockopera te zien in Amsterdam, met Neeley (74) in de hoofdrol.

Ironisch is het wel, dat de verpersoonlijking van een geloof dat zo weinig op heeft met genot en erotiek als het christendom, in ons collectieve bewustzijn zit verankerd in de gedaante van slaaf in een sadomasochistisch seksspel. Jezus als lustobject: dat hebben Mattheüs, Lucas, Marcus en Johannes vast nooit zien aankomen.

Het christendom is niet de enige religie waarin het lijden een centrale plaats inneemt. Prins Gautama Sakyamuni, alias de Boeddha, werd, zo schrijft hoogleraar mythologie Joseph Campbell in De held met de duizend gezichten (1949), bestookt met ‘wervelwinden, stenen, donder en vuur, rokende wapens met scherpe sneden, brandende kolen, gloeiende as, kokende modder, blaartrekkend zand en viervoudige duisternis’ toen hij onder zijn boom zat te mediteren; de eerste ‘edele waarheid’ van de Boeddha luidt dan ook dat alle leven lijden is. Maar waar boeddhisten lijden zien als iets waaraan je al mediterend een einde kunt maken, mikt het christendom op acceptatie en berusting. Door van het lijden iets moois en heldhaftigs te maken, zullen mensen minder snel tegen hun lot in opstand komen.

Jezus aan het kruis is een ijzersterk symbool, beter nog dan de swoosh van Nike of de M van McDonald’s. Het is beeldtaal die iedereen begrijpt, wat handig is als je een godsdienst moet opbouwen in een tijd waarin de meeste mensen nog niet kunnen lezen en schrijven. Het verhaal is krachtig, dat speelt ook een rol; mensen zijn altijd gek op verhalen geweest, ook toen ze nog geen boeken of Netflix hadden. Het lijdensverhaal van Jezus voorzag in een behoefte.

Maar ook los van religie leven we in een cultuur waarin lijden lekker wordt gevonden. Niet in het echte leven − daar hebben de meeste mensen juist een sterke neiging het lijden zo veel mogelijk te beperken en waar mogelijk uit te bannen − maar wel in de kunst.

Een beetje filmheld legt op zijn minst één keer kreunend en akelig bloedend bijna het loodje voordat hij de kwade boef verslaat, of hij nu Indiana Jones, Harry Potter of James Bond heet. Net als romans volgen filmscenario’s een strak patroon waarbij de held tegen het eind van het verhaal op de bodem van de put belandt en de toekomst er gitzwart uitziet, tot zich een onverwachte, beslissende wending voordoet. Uiteindelijk kennen alle grote verhalen eenzelfde opbouw, of ze nu tot de Griekse, Chinese of Indiase mythologie behoren, constateert Joseph Campbell, en het lijden is daarvan een belangrijke component.

Ook in de sport zie je die fascinatie met het lijden terug. Voetballers schuwen in geval van letsel de overdrijving niet (de zogeheten ‘schwalbe’), ongeveer alle interviews met sporters gaan vooral over het gigantische ‘afzien’ dat aan de overwinning voorafging en vooral in het wielrennen wordt het lijden in lange verhalen en meeslepende commentaren tot in het oneindige gecultiveerd. ‘Lijden is de basis van de fascinatie voor de Tour de France’, constateerde Rutger van der Hoeven in 2007 in De Groene Amsterdammer. ‘Zichtbaar, mannelijk, fysiek lijden.’

In How Pleasure Works (Maven, 2010) citeert de Amerikaanse psycholoog Paul Bloom de Britse filosoof David Hume, die zich er in 1757 over verwonderde waarom mensen zo veel plezier beleven aan het kijken naar tragedies waarin alleen maar narigheid gebeurt: ‘Ze zijn even tevreden als bedroefd en kunnen hun geluk niet op wanneer ze kunnen huilen, snikken en schreeuwen om uiting te geven aan hun verdriet en om hun hart te verlichten.’

Lijden en lust zijn zusjes. Sigmund Freud zocht de verklaring daarvoor in een mogelijk zuiverende werking van dat lijden, de catharsis die nodig is om je na afloop beter en rustiger te voelen, zoals een lekkere huilbui soms kan opluchten. Maar die verklaring schiet volgens Paul Bloom tekort. Bloom meent dat het verlangen naar fictie die afschuw opwekt eerder te maken heeft met het mogelijk nuttige effect ervan. Het is net zoiets als met voor de lol vechten; alleen speelt dit spel zich helemaal af in je hoofd. We begeven ons al fantaserend in situaties die in de echte wereld onaangenaam of zelfs afschuwelijk zouden zijn, om ervan te leren.

Dat spel is typisch menselijk. Dieren gaan nooit in een kringetje toekijken als een ander dier wordt aangevallen, (sommige) mensen wel. Voor een deel heeft dat te maken met het vermogen zich in anderen te kunnen inleven, zegt de in evolutie gespecialiseerde Vlaamse filosoof Johan Braeckman. ‘Bij dieren zie je als een ander dier wordt aangevallen ofwel volstrekte onverschilligheid, ofwel kannibalisme. Als een kip bloedt omdat hij door een hond is gebeten, maken de andere kippen hem af.’

Helpen doen dieren in sommige gevallen ook wel, maar van een lijdensfascinatie is nooit sprake. ‘Om een fascinatie met een ander te kunnen hebben, is het vermogen je in die ander te kunnen inleven essentieel. Je moet weten wat er in de gevoelswereld van die ander omgaat, je moet beschikken over wat wel theory of mind wordt genoemd. Wij mensen hebben dat in hoge mate; als ik iemand zie die tandpijn heeft, wéét ik wat die ondergaat. En vervolgens kan dat twee kanten op: ofwel je hebt een positieve vorm van empathie, je voelt mee, je wilt helpen, ofwel je ervaart een gevoel dat ik dan maar even als negatief omschrijf, zoals leedvermaak.’

Of lijdenslust dus. Braeckman: ‘Er zal zeker ook een categorie zijn van mensen die bij het zien van leed een soort half erotisch gevoel ervaren. Dat komt misschien doordat pijn en genot neurobiologisch gezien aan elkaar verwant zijn. Denk aan vormen van sm-seks, denk ook aan het succes van Fifty Shades of Grey; nogal wat mensen houden wel van dat soort dingen. Een gecontroleerde vorm van pijn kan erotiserend werken, bij sommigen wat meer dan bij anderen.

‘In de Santa Maria della Vittoriakerk in Rome staat het beroemde beeld van de Extase van Theresia, gemaakt door Bernini. Deze Theresia getuigde van het gevoel doorboord te worden door een lans, waaraan ze een vorm van genot had ontleend; vermoedelijk had die vrouw erotische fantasieën over de lijdende Jezus, en misschien beleefde ze daar een orgasme bij.’

Net als Paul Bloom vermoedt Braeckman dat de menselijke fascinatie voor én afkeer van leed, het fascinans et tremendum, een zeker evolutionair nut heeft. ‘Er is een auto-ongeluk gebeurd en je kijkt liever niet naar de persoon die verhakkeld op de weg ligt; tegelijk is het ook moeilijk om níét te kijken. Als ik er evolutionair over moet speculeren, denk ik dat we ons tot gruwelijke taferelen aangetrokken voelen omdat dat leerzaam kan zijn: zorg dat dit jou niet overkomt.

‘Ik maak graag een vergelijking met andere zaken die ons tegelijk aantrekken en afstoten, maar die we toch ook opzoeken, zoals een rit in de achtbaan van een pretpark. Je vindt het doodeng, je voelt hoogtevrees, maar tegelijkertijd weet je dat het wel veilig is. Het is een gecontroleerde vorm van angst, net als wat mensen die aan sm doen ervaren: ze zoeken het gevaar op van fysiek mishandeld worden, maar op een gecontroleerde manier; als je stop zegt, houdt het op.’

Het is geen slechte strategie dat van iets wat evolutionair nuttig is, ook enig genot uitgaat, zegt Braeckman. ‘Calorierijk voedsel is op zich goed voor ons en in tijden van schaarste doe je er goed aan het naar binnen te schrokken; het helpt dan dat je het lekker vindt. Dat het kijken naar lijden soms iets lekkers heeft, zou je kunnen zien als een positieve beloning, omdat je je huiswerk maakt. Je kijkt naar iets waarvan je niet wilt dat het jou overkomt en trekt er lessen uit. Het vermijden van pijn, gevaar, geweld en misère is nuttig; en de evolutie beloont ons met een vorm van plezier en genot en spanning en sensatie als we dit soort lessen leren.’

Wat betreft het lijdensverhaal van Jezus: de grootste aantrekkingskracht daarvan is toch vooral, denkt Braeckman, dat het zo’n goed verhaal is, en dat mensen nu eenmaal in, met en door verhalen leven. ‘De meeste verhalen eindigen na heel veel narigheid op het laatste nippertje goed, maar bij Jezus lijkt alles te mislukken en is de afwezigheid van een happy end tot in het uiterste doorgedreven. Dat is een geweldige literaire truc. Je laat de held doodgaan, niemand wil dat, een gigantische anticlimax. Maar het is ook een gigantische cliffhanger, want wat gebeurt er? Er komt er een fantastisch wit konijn uit de hoed: hij verrijst! Wat een formidabel happy end is dat.’ 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.