Life at the speed of light

Wonderlijk, een levende cel gecreeerd uit een flesje chemicaliën.

Martijn van Calmthout

In 2010 maakte de spraakmakende Amerikaanse biopionier J. Craig Venter bekend dat hij met zijn team voor het eerst een levende cel had geconstrueerd. Een M.mycoides was het, met een celkern waarvan het dna vanaf nul in elkaar geknutseld was uit de basis-aminozuren van het natuurlijke dna. De cel leefde alsof er niks gebeurd was.

Wereldwijd sprongen de media erbovenop, en in vrijwel alle commentaren kwam de vraag terug of de mens nu definitief voor God ging spelen. Eerst kruisten we dieren en planten. Toen waren de genen doorgrond (onder anderen door dezelfde Venter). Gingen we nu zelfs leven maken, uit wat flesjes chemicaliën?

In zijn nieuwe boek is Venter daar kort over, zoals vaak over de meer filosofische kwesties van zijn vak, de moleculaire biologie. 'Als we in ons lab al voor God speelden, was dat vooral in de zin dat we lieten zien dat er geen God nodig is om leven te creëren.'

Voor Venter is de doorbraak vooral een afrekening met de hardnekkige mythe dat voor leven meer nodig is dan georganiseerde materie. Ooit leken vliegen te ontstaan uit paardenmest en muizen uit huisstof, maar ook nu denken veel geleerden stiekem nog dat eiwitten en aminozuren onmogelijk het hele verhaal kunnen zijn. Desnoods wordt complexiteit er als hogere macht bijgehaald: het gegeven dat een geheel meer kan zijn dan de som der delen.

Het zogeheten vitalisme, waarin materie een onbekende 'spark of life' nodig heeft om tot leven te komen, kan wat Venter betreft definitief bij het grof vuil van de wetenschapsgeschiedenis. Dode materie kan daadwerkelijk tot leven worden gewekt, zonder hogere en dus onbegrepen machten, maar gewoon door het goed na te bouwen.

Life at the Speed of Light is, behalve een nuttige korte geschiedenis van de moleculaire biologie, in de eerste plaats een (soms te) nauwgezet verslag van de inspanningen om uit chemicaliën een levende cel te construeren. Maar Venter gaat ook verder. Als leven alleen goedgeorganiseerde materie is, is de benodigde informatie de essentie van het leven. Dat betekent dat organismen in principe ontworpen kunnen worden en daarna in elkaar gesleuteld.

Dat betekent ook dat de code van het leven kan worden opgeslagen en desnoods ook worden verzonden. Bijvoorbeeld in de vorm van digitale lichtsignalen, en desnoods van de ene hoek van het universum naar de andere.

Daarbij is zijn visioen niet zozeer om aards leven, eventueel zelfs mensen, naar de uithoeken van het heelal te sturen. Eerder is het een nieuw en ongekend instrument om leven op andere planeten te onderzoeken. Stuur er een dna-analist heen, stuur de code terug en bouw hier, in een goed beveiligd lab, de organismen na die dat dna ooit hadden.

Bozig stelt Venter vast dat NASA op dit punt de eerste kans al heeft gemist. Aan boord van het Amerikaanse Marskarretje Curiosity dat nu op de Rode Planeet rondkachelt, had een dna-labje moeten zitten, vindt hij. Weegt niks, en maakt alle vermoedelijke sporen van water hopeloos primitief als het iets oppikt. Op voorwaarde natuurlijk dat leven ook elders aan dna doet.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden