Essay

Lieve God, mag ik alstublieft naar de Ikea? – Een essay over het geheugen

Op aanraden van een lezer las Arnon Grunberg Het geheugenmonster van de Israëlische schrijver Yishai Sarid. Het leerde hem dat kennis van het verleden niet hoeft te leiden tot inzicht in het heden of zelfkennis.

null Beeld Tsjisse Talsma
Beeld Tsjisse Talsma

In april kreeg ik een mail van een mij onbekende lezer die mij het werk van de Israëlische schrijver Yishai Sarid aanbeval. Het was nog niet in het Nederlands vertaald, wel in het Engels, en de lezer bezwoer dat hij geen enkel belang had bij deze aanbeveling, hij was slechts lezer en verder werkzaam als haptotherapeut in het oosten van Nederland.

Ik kocht The Memory Monster (Het geheugenmonster) van Sarid, die de zoon is van een beroemde en inmiddels gestorven Israëlische politicus en journalist.

De roman gaat over een jonge Israëlische academicus die meer uit toeval dan uit gedrevenheid historicus wordt en zich specialiseert in de Holocaust. Hij vindt werk bij een herdenkings- en documentatiecentrum in Jeruzalem (Yad Vashem), dat hem uitzendt om gids te worden in de concentratiekampen in Polen.

Zijn kennis van zaken is onberispelijk, hooguit wordt hem verweten dat hij zijn verhaal wel erg onsentimenteel vertelt, terwijl zijn dissertatie nu juist was geprezen omdat hij ‘de vloek van de sentimentaliteit’ had weten te vermijden. Het boek, dat bestaat uit een lange brief aan de voorzitter van het herinnerings- en documentatiecentrum, bevat tal van prachtige en ongemakkelijke observaties die mij een geloofwaardige beschrijving lijken van het werk van een gediplomeerd toeristengids in een voormalig vernietigings- en concentratiekamp.

Zo vangt de gids soms commentaar op van Israëlische scholieren die hij moet rondleiden; de conclusies die zij trekken uit zijn rondleiding vallen buiten het sociaal wenselijke, althans het sociaal wenselijke in onze omgeving: dat je sterk moet zijn, dat je indien nodig moet doden, dat je geen medelijden mag hebben met je vijanden.

De gids gaat uiteraard niet in discussie met de gasten – misschien een beter woord dan ‘toeristen’ in deze context – die hij moet rondleiden. Hij toont de schuldige plekken en geeft historisch accurate informatie. Wat de gasten met die informatie doen, is aan hen.

Hoogwaardigheidsbekleders, die geregeld opduiken in de concentratiekampen, luisteren al helemaal niet naar de gids, zij maken zich vooral zorgen om het fotomoment. Het concentratiekamp is slechts decor voor de eigen politieke campagne.

Op een dag ziet hij hoe een vrouw tijdens een rondleiding door Auschwitz op haar telefoontje kijkt en opeens hard uitroept: ‘Er is hier een Ikea in de buurt.’ Kort daarop vraagt de leider van die toeristengroep of de rondleiding kan worden afgebroken, het is iedereen wat te veel geworden. ‘Maar het beste moet nog komen’, zegt de gids. Je bent historicus of je bent het niet.

Kortom menselijk, al te menselijk, maar het gaat Sarid niet om de vraag hoe je je als toerist zou moeten gedragen in wat de Duitsers Orte des Schreckens noemen. Zijn roman is geen commentaar op wat wij al te makkelijk zouden kunnen omschrijven als ‘het smakeloze’. De romankunst heeft zich immers altijd gretig op het schijnbaar smakeloze gestort, van Rabelais tot Nabokov, van De Sade tot Hermans.

Zelf heb ik er veel voor over nooit naar een Ikea te hoeven – hooguit voor een journalistieke reportage – maar ik ben één keer in Auschwitz geweest en ik kan begrijpen dat je daar halverwege de rondleiding denkt: lieve God, mag ik alstublieft naar de Ikea?

null Beeld Tsjisse Talsma
Beeld Tsjisse Talsma

Wie zich beperkt tot de oppervlakte kan Sarids roman lezen als de verwording van een getalenteerde historicus die als toeristengids in de concentratiekampen beseft dat plekken van haat uiteindelijk haat kweken. Maar dat besef is niet genoeg om je leven te veranderen. Je kunt dagelijks beseffen dat je verkeerd bezig bent, zonder dat je om allerlei redenen in staat bent je leven werkelijk te veranderen. Sarid laat dat subtiel zien. Op de achtergrond speelt het zoontje van de toeristengids een rol, die door zijn medeleerlingen op school in Tel Aviv wordt geslagen en waarop zijn vader geen adequaat antwoord heeft, beter gezegd het enige antwoord dat hij heeft, is dat waar wordt geslagen uiteindelijk moet worden teruggeslagen.

De vader c.q. concentratiekampgids is eigenlijk meer geïnteresseerd in de doden dan in de levenden. Misschien is dat de eigenaardigheid van een historicus, maar ik denk dat veel mensen op cruciale momenten meer in het verleden zijn geïnteresseerd dan in het heden en de toekomst, eerder solidariteit voelen met de doden dan met de levenden.

Wie verder kijkt dan de oppervlakte leest in dit boek een bijtend commentaar op Israëls omgang met het verleden, het is echter ook goed mogelijk Het geheugenmonster als een onderzoek naar herinnerings- en herdenkingscultuur in het algemeen te beschouwen, naar de misschien wel onvermijdelijke politisering van het geheugen. Het gezamenlijke verleden, het officiële verleden is altijd ook politiek. Daarmee is niet gezegd dat dat verleden onwaar of vervalst zou zijn, maar de presentatie ervan, de conclusies die eraan worden verbonden, zijn zelden neutraal.

De concentratiekampgids toont het verleden, elke dag weer, de bezoekers staan te dringen en toch wordt steeds duidelijker dat het verleden, ondanks zijn populariteit, gemummificeerd is. De museale plek is een dode plek. Wat waarlijk leeft, is de Ikea om de hoek. Enkel voor de gids zelf leeft het verleden nog echt, met fatale gevolgen, waaraan ik geneigd ben het woord ‘uiteraard’ toe te voegen, want kan het verleden voortleven zónder fatale gevolgen?

De lezer die naar geruststelling verlangt – geruststelling is altijd ook morele geruststelling – wordt hier niet op zijn wenken bediend.

Het geheugenmonster verleidt de lezer uiteindelijk ook zijn eigen geheugen onder de loep te nemen. Hoe zou je je leven bondig vertellen aan een onbekende? Geboorteplaats, ouders en hun beroep, broers, zussen, opleiding, relaties, vrijwilligerswerk, nageslacht. Het verleden als een intakegesprek bij een of andere hulpverlenende instantie dat eindigt met de vraag: ‘En welke medicijnen slikt u?’

Het zou een definitie van literatuur kunnen zijn. Literatuur gaat over alles wat mensen niet vertellen aan hun hulpverlener. Een zeer freudiaanse definitie: wat belangrijk is aan je verleden, is dat wat je je níét herinnert.

We hoeven niet eens te geloven dat het belangrijkste altijd is wat je vergeten lijkt te zijn om te beseffen dat juist ook het persoonlijke verleden meerdere versies kent. Niet alleen landen houden er een officiële versie van het verleden op na – vooral dictators zijn dol op officiële, bevroren versies van het verleden – mensen doen dat eveneens. Er is dat wat je nooit over je verleden vertelt en daardoor ontglipt het je langzaam.

Hiermee is niet gezegd dat alle mensen een dubbelleven hadden of hebben, zo romantisch zit de werkelijkheid niet in elkaar. En als ze al een dubbelleven hebben, is het vaak minimaal en onbeduidend, bijvoorbeeld een veganist die één keer per maand naar een andere stad reist om daar in het geheim in de Hema een rookworst te bestellen. Wie zou hem dat misgunnen? Tot hij op een dag wordt gezien door een vriend terwijl hij die rookworst aan het verorberen is. ‘Ik dacht dat je veganist was.’

Het woord ‘hypocriet’ moet hier niet vallen, daarom gaat het niet en dat is vaak ook een te flauw verwijt. Het gaat erom dat mensen zelden mensen uit één stuk zijn, maar dat we met zijn allen reuze ons best doen ons verleden glad te strijken. Mensen zijn immers sociale wezens die op straffe van uitstoting sociaal wenselijk gedrag vertonen.

In een parafrase van een bekende uitspraak van Gabriel García Márquez (‘Mensen hebben een publiek leven, een privéleven en een geheim leven’): aan het geheugen zitten drie monstrueuze kanten: dat wat je je moet herinneren omdat je een keurig mens bent, dat wat je je écht herinnert en dat wat je vergeten lijkt te zijn.

Zo leidt het boek van Sarid mij uiteindelijk terug naar Proust, die schreef: ‘De ware paradijzen zijn de verloren paradijzen.’ En die in deel 7 van zijn cyclus Op zoek naar de verloren tijd noteert dat ‘het in het duister geleefde, het voortdurend vervalste leven, terug te voeren’ was tot wat er echt waar aan was, waarbij hij suggereert dat de waarheid en het leven zelf uiteindelijk zullen uitmonden in een boek.

Sarid leert me dat kennis van het verleden niet hoeft te leiden tot inzicht in het heden of zelfkennis. En Proust wijst mij erop dat het niet alleen de oplichters zijn die hun verleden vervalsen, maar dat alle mensen dat in meer of mindere mate doen.

Het is een romantische en psychoanalytische gedachte dat het verleden je uiteindelijk inhaalt, maar dat hoeft natuurlijk niet waar te zijn. Misschien haalt het verleden je nooit in. Misschien blijft het deksel voor altijd op de beerput.

Afgezien van alle voor de hand liggende morele overwegingen is het onduidelijk wat te verkiezen is: weten of niet-weten?

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden