LIEFKOOS ELKE NOOT; Isaac Stern komt geen applaus halen, maar muziek brengen

Hij is 78 als hij naar Amsterdam komt - een leermeester en gids die speelde met Rubinstein, Horowitz, Bernstein en Stravinsky - 'you name it'....

'Is het niet heerlijk om jong en beroemd te zijn?', sprak Leonard Bernstein ooit tot Isaac Stern, toen de dirigent en de violist het applaus in ontvangst namen na een optreden in de Carnegie Hall met de New York Philharmonic.

Jong is Isaac Stern al lang niet meer. Beroemd nog wel; de enige keer in zijn carrière dat Stern zich niet voor op een podium bevond maar achteraan, moet vijf jaar geleden zijn geweest bij het herdenkingsconcert voor de pas gestorven Bernstein in het New Yorkse Lincoln Center. Het werd uitgezonden op tv: gezeten onder een potpalm wachtte Stern, verscholen achter Lauren Bacall, de trompettist Wynton Marsalis en de operazangers June Anderson en Jerry Hadley, het moment af waarop hij zijn vriend kon gedenken met een Mozartsonate - de Mozartsonate die hij met Bernstein een keer gespeeld had in het Witte Huis.

Wat hebben John F. Kennedy, Lyndon B. Johnson, Richard Nixon, Jimmy Carter, Ronald Reagan en Bill Clinton met elkaar gemeen? Wat ze gemeen hebben, is dat ze allen in het Witte Huis Isaac Stern zagen optreden - in een steeds rondere gedaante, maar altijd gewapend met een Guarneri, en met een visie omtrent het federale cultuur- en onderwijsbeleid.

We gaan luisteren naar hoe hij Brahms speelt in Stamford, op een uurtje sporen van New York. Het impresariaat ICM Artists presenteert er een optreden van Stern en de pianist Robert McDonald.

Het Palace Theatre in Atlantic Street is een vriendelijk zaaltje, met een bioscoopachtige lampjesentree, en een hal waar een damescomité gloeiend hete koffie schenkt in grote bekers. Op de speelkalender staan ook een buikspreker, een cabaretier, en de ietwat uit de picture geraakte coryfeeën Harry Belafonte en Don McLean.

Je kunt je voorzichtig afvragen wat Isaac Stern, president van de Carnegie Hall, commandeur van het Légion d'Honneur, van de orde van de Rijzende Zon en van de Deense orde van Dannebrog, mentor van musici als Ithzak Perlman, Shlomo Mintz, Yo-Yo Ma, Midori en Sarah Chang, drager van de Presidential Medal of Freedom, veertien eredoctoraten, een Grammy Lifetime Award en de Israëlische prijs voor dienstbetoon aan de Mensheid, komt doen in het Palace Theatre van Stamford, Connecticut. Maar de laatste die zich dat afvraagt is Isaac Stern.

Hij komt op en hij is er. Een verschijning die geen applaus komt halen, maar muziek komt brengen. Sommige musici hebben zo'n staat van dienst dat ze bij hun opkomst al mogen rekenen op warme ovaties. Stern onderdrukt dat verschijnsel met een knikje van zijn roze kop, lapt elk beginsel van glamour aan zijn lakschoenen (ze steken vastberaden uit onder iets te korte broekspijpen), en gaat zonder omhaal over tot de orde van de dag.

Zijn Brahms - de vioolsonate nr 1 - klinkt klein en soms bijna schimachtig fragiel, maar ook immens mededeelzaam. Gekleurd door een subtiele streektechniek die nog steeds beantwoordt aan het eervolle cliché over de violist die geen noot 'un-sterned' laat. Maar met een toegevoegde waarde. Wat de cellist Yo-Yo Ma ooit Sterns 'diepte door eenvoud' noemde, klinkt bij de 77-jarige Stern inmiddels naar wijsheid door verregaande onthechting.

Dat tanende spierkracht niet gelijk staat aan verflauwende energie, bewijst hij overigens met een uitvoering van de derde sonate van George Enescu. Een zelden gespeeld, flamboyant stuk, waarin de violist het visioen weet op te roepen van een dansende zigeunerhoofdman.

Volgens de pianist Emanuel Ax, een van Sterns vaste kamermuziekpartners, is Stern 'beter in vorm dan hij in jaren is geweest'. 'Hij is dapper', zei Ax bij een recent bezoekje aan Amsterdam. 'De meeste violisten zijn al lang gestopt op die leeftijd. Hij heeft pijn in zijn vingers, maar hij klaagt niet. Stern hoort tot de mensen die altijd zullen doen wat ze moeten doen. Ik begrijp het niet, maar ik bewonder het wel.'

'Dit jaar staat hij 82 keer op het podium', zegt Lee Lamont, bazin van ICM Artists en manager van de violist. Dat is minder vaak dan de tweehonderd keer per seizoen die hij tot in de jaren tachtig voor zijn rekening nam, toen hij volgens de ene dirigent (Zubin Mehta) nog meer dan 24 uur in een dag had zitten, en door een andere (David Zinman) een keer werd aangetroffen in een hotelkamer waar hij tegelijkertijd viool studeerde, een telefoongesprek voerde, en een tennismatch op de tv in de gaten hield.

Maar 82 concerten, dat komt nog altijd dicht in de buurt van wat andere musici in de bloei van hun carrière opbrengen. 'Volgend jaar wordt het wel minder', zegt Lamont. 'Hij heeft een nieuwe bruid, en wil graag wat quality time met haar spenderen.'

In oktober komt hij naar Amsterdam, om in het Concertgebouw vioolconcerten van Bach en Mozart te spelen met Nieuw Sinfonietta Amsterdam. En, wat hem sterker interesseert, om het strijksextet en het pianokwintet in f van Brahms te spelen met leden van dit kamerorkest. En om masterclasses te geven aan jonge musici.

Hoewel: 'Ik geef geen masterclasses', zegt Stern, als we hem ontmoeten in zijn flat aan het Central Park in New York. 'Zo staat het wel aangekondigd, maar ik ben heel precies in dat opzicht. Een masterclass is: je haalt iemand uit elkaar, je houdt hem zes maanden bij je en dan zet je hem weer in elkaar. Dat kan niet in een paar uur.' Stern heeft het liever over brief encounters.

Hij heeft bezoek van Ariel Shamai en Ori Kam, een violist en een altviolist, beiden rond de twintig en alletwee afkomstig uit Israël. Ze komen bij Stern de puntjes op de i zetten van Mozarts Sinfonia Concertante, waar ze binnenkort mee optreden in New Jersey. 'Bravo', zegt Stern, na een snelle passage die er bij Shamai en Kam vlekkeloos synchroon uit rolt. 'Dit is een moeilijk gedeelte.' Terzijde: 'Ik was er zelf nooit helemaal gelukkig mee, met hoe ik het deed.'

Op zijn halfhoge lesgeefkruk zit hij in hemdsmouwen een meter of twee van ze vandaan. Intens luisterend. In de knuist geen Guarneri ('Ik leer jullie hoe je moet nadenken, en niet hoe je me nadoet'), maar een smeulende havana. Geen maat blijft onbesproken.

Verhelderend: 'Geeft niet hoe zacht je speelt, al is de zaal nog zo groot. Als je het maar lucht geeft. Gebruik wat meer strijkstok.' Verrassend: 'Druk de viool eens tegen de stok, in plaats van andersom. Je krijgt dan twee keer zoveel kleur.'

De violist speelt een uitbundige cadens. Stern: 'Wat een kouwe drukte, daar.' Violist: 'Het was toch de bedoeling dat het klinkt als een operascène?'

Stern: 'Dat is zo, maar je bent geen soubrette.' (Kijkt onderzoekend.) 'Of juist wel? Nou ja, dat is jouw zaak.'

Links aan de muur hangen de foto's die Eleanor Roosevelt, Hillary Clinton, Jawaharlal Nehru en koningin Elisabeth II hun dearest Isaac toezonden. Aan de tegenoverliggende wand de markante koppen van Pablo Casals, Thomas Beecham, Bruno Walter, Eugene Ormandy en Leonard Bernstein, met en zonder Stern. Op de audiokast een exemplaar van Isaac Stern, A life in Music, de box met 44 cd's die Sony uitbracht bij zijn zeventigste verjaardag - waarop hij onder meer te horen is met de concerten die Penderecki en Dutilleux voor hem schreven. En met Stravinsky, die zijn vioolconcert dirigeerde met Stern als solist.

Achter de vleugel hangt een foto waarop hij met Stravinsky delibereert. Het servetje waarop Igor en Isaac een contract tekenden voor het componeren van een vioolsonate tegen betaling van vijf pond gerookte zalm, zal wel ergens in een la liggen.

'Ik ken geen muziek die magischer is dan het begin van dit langzame deel van de Sinfonia Concertante', zegt Stern, terwijl buiten de sirene gilt van een ambulance. 'Zet er een grote legatoboog overheen.' Bij een wat vaag uitgevoerde versiering: 'Je lichaam staat uit balans. Als je tennis had gespeeld was geen enkele bal raak geweest.'

Na een overgangspassage: 'Luister, bij Mozart is geen enkele noot onbelangrijk. Alleen fiedelaars zoals wij zijn onbelangrijk.' Bij het derde deel: 'Jullie zijn net twee tenoren die elkaar van het podium zingen. Niet nodig. Liefkoos elke noot.'

Bij het afscheid: 'Ga naar huis en denk, denk, denk.'

Sterns secretaresse zet een raam open en tracht molenwiekend de sigarenrook richting Central Park te drijven. Stern, de vlam stekend in een nieuwe Cubaan: 'De Hollandse Davidoff is niet wat je noemt slecht, maar geef mij toch maar liever Hoyo de Monterrey of de Monte Christo. Het is net als met violen. Je hebt violen, en je hebt Guarneri's en Strads.'

Geen idee heeft hij van de leerlingen die hij in Amsterdam zal aantreffen. 'Maar wat Nieuw Sinfonietta Amsterdam betreft, ik weet dat Martijn Sanders van het Concertgebouw helemaal weg is van dat kamerorkest. Ik zal mijn best doen geen leraar te zijn, maar een oudere collega. Ik ben niet iemand die gelijk wil hebben. Ik ben ook niet iemand die ongelijk wil hebben.

'Als ik naar Amsterdam kom, ben ik 78. Dat is een tamelijk eerbiedwaardige leeftijd. Het feit dat ik er nog ben is op zichzelf al verrassend. Ik denk dat de meeste mensen niet zullen komen om te horen hoe ik speel, maar om me überhaupt te horen spelen. Soms sta ik er zelf van te kijken, dat ik nog speel. '

Wat hem ertoe brengt, te willen spelen met musici van vijftig jaar jonger - het is simpel, zegt hij. 'Ze geven me het gevoel dat ik nog bruikbaar ben. Laten we het even onder ogen zien. Ik heb 63 jaar op het podium gestaan. Wat ik verder ook doe, het zal aan mijn reputatie niets meer veranderen. Het enige wat me in het hele circus nog rest, is een gids te zijn voor de jongeren die de komende veertig, vijftig jaar de music makers zullen zijn. Ik houd van jongeren. Zoals de kids die hier net waren. Hun vertolking is na drie sessies al 180 graden anders dan wat ze eerst lieten horen.

'Sommigen van die lui, en zelfs hun leraren, hebben geen flauw idee van de mensen met wie ik in die zestig jaar op het podium heb gestaan. Ze weten niet wie het waren - Joszef Szigeti, Nathan Milstein, zelfs Artur Rubinstein. Of Horowitz, wie was dát ook weer. Ik probeer ze er iets van over te brengen. Ik roep dat ze eens op een andere manier moeten luisteren. Een violist leert meer van de manier waarop Fischer-Dieskau liederen zingt, dan wanneer hij naar Oistrach luistert of naar mij of weet ik wie.'

Toen Stern twaalf was, mocht hij op les bij de concertmeester van het orkest van San Francisco, Naoum Blinder. 'Ik heb vijf jaar bij hem gestudeerd, en daarna bij niemand anders meer. Hij was een instinctieve musicus. Hij leerde mij hoe ik het mezelf moest leren. Hij hield me alleen maar tegen als iets faliekant de verkeerde kant op ging.

'Zo ben ík begonnen. En door altijd maar kamermuziek te spelen, toen ik dertien, veertien, vijftien was. Twee keer per week, met de beste musici van de stad. We kwamen bij een dokter thuis, een lange kerel met een hoge boord waar zijn hoofd uitstak als een vogelkop. Hij was een slechte musicus, maar een goede chirurg. Ik geloof dat er niet een orkestlid in San Francisco was die niet een keer door hem was geopereerd - voor niks. Hij zette tafels vol met eten klaar. Dus wij speelden een paar stukken en daarna aten we als gekken, zoals alleen musici kunnen, vooral wanneer het gratis is.'

Stern, geboren in de Oekraïne, verhuisde met zijn ouders naar San Francisco toen hij tien maanden oud was. Hij ging viool spelen 'omdat een andere jongen in de straat dat ook deed'. Toen hij zestien was debuteerde hij met het vioolconcert van Brahms, met het orkest van San Francisco onder Pierre Monteux.

Het beste advies dat hij nimmer opvolgde, zoals de Chicago Tribune een keer schreef, kwam van George Szell. De gevreesde dirigent vertelde hem dat hij een groot violist zou worden 'als hij er niet zoveel naast deed'.

Het heeft niet geholpen. Afgekeurd voor de dienst, meldde Stern zich in 1942 aan om voor de soldaten te spelen in de Pacific en achter het front in Europa. Later, in het kilst van de Koude Oorlog, toerde Stern door de Sovjet-Unie, terugkerend naar de VS als een cultureel ambassadeur. Zijn vioolkistdiplomatie herhaalde zich in China en werd vastgelegd in de documentaire From Mao to Mozart, nadat 'dinges, hoe heet hij ook weer' (Nixon) nieuwe contacten had gelegd met Peking.

Toen de Carnegie Hall, het heiligdom van de klassieke muziek in Amerika, in 1960 dreigde te vallen onder de slopershamer om plaats te maken voor een kantoorgebouw, liep Stern met een spandoek over Seventh Avenue, bewerkte politici, en troggelde bankiers fortuinen af met als onderpand 'mijn blauwe ogen'. 'Het is je gelukt omdat je naïef bent', zou Henry Kissinger later zeggen. Jij hebt niet in de gaten dat iets ook onmogelijk kan zijn.'

Stern bracht Kennedy op de gedachte van een subsidiefonds, een Endowment voor de kunsten, en wist na Kennedy's dood diens opvolger Johnson te bewegen tot een belofte: 'Van muziek heb ik nul komma nul verstand, maar ik beloof je dat ik met mijn katoenplukkersklauwen van dat fonds af zal blijven.'

Stern: 'Ik wou dat we meer van dat soort politici hadden, vandaag de dag.'

Hij boycotte het festival van Athene na de machtsgreep van de kolonels. Speelde bij de Zesdaagse Oorlog Mendelssohn op de Scopusberg in Jeruzalem. Was mede-oprichter van het Jerusalem Music Center. Klom in Jeruzalem bij een Scud-alarm tijdens de Golfoorlog terug op het podium om in zijn piere-eentje Bach te spelen voor een zaal vol gasmaskers. Speelde in de straten van Jeruzalem tweehonderd dollar bij elkaar voor de herverkiezing van burgemeester Teddy Kollek, en gaf les aan Midori door de telefoon.

Kan men vioolpupillen ook onderwijzen in nobele doelen?

'Al die zaken', zegt Stern, 'hadden op een of andere manier te maken met muziek. Voor mij is muziek een vorm van menselijk contact. Daar komt mijn werk voor de Carnegie Hall vandaan, daar komt mijn werk met jonge mensen vandaan, daar komt alles vandaan. Als ik een huivering langs mijn rug voel gaan omdat ik een moment lang in aanraking ben met het schone, dan heb ik de behoefte dat aan anderen door te vertellen. Als een soort priester.'

Met de steun voor cultuur en onderwijs is het de verkeerde kant op gegaan in Amerika. Het analfabetisme is 'een gevaar', gromt hij, en de razernij rond Monica Lewinsky is het 'ezelachtigste dat dit land ooit is overkomen'.

Ook Israël is een 'ander land' geworden. Stern kan driftig worden wanneer de traagheid van het vredesproces ter sprake komt: 'Vrede is iets waar je aan moet werken. Wat ik daaraan kan bijdragen, kan ik alleen maar op mijn eigen manier. Achter de schermen. In publieke controverses kan ik me helaas niet begeven.'

'Zij stuurden ons hun joden uit Odessa, en wij stuurden hun ónze joden uit Odessa', was de terminologie waarmee Stern de Sovjet-Amerikaanse cultuuruitwisseling beschreef nadat de violist David Oistrach op zijn beurt door Amerika had getoerd. Ze waren vrienden voor het leven. 'Diep bezorgd was ik, toen ik hem weer eens tegenkwam. Hij zag er slecht uit. Veel te dik. Ik vroeg: ''Waarom werk je zo hard? Je speelt maar en je dirigeert en je rent terug naar Moskou, je geeft zeventien uur les per dag, je gaat maar door. Waarom vlucht je niet? De hele wereld zal aan je voeten liggen.'' Hij zei: ''Ik krijg mijn familie het land niet uit. En als ik niet werk, dan begin ik te denken. En als ik denk, dan ga ik dood.'' Een half jaar later was hij dood.'

Bijna allemaal gingen ze, de vrienden die in zijn studio aan zijn muren hangen. Stern: 'Rubinstein, Piatigorski, Horowitz, Serkin, Reiner. You name it. Het was een uitzonderlijk leven. Ik was net een beetje jonger. Nu zijn ze dood, en ik ben er nog. Maar ik heb nieuwe vrienden. Barenboim, Zubin Mehta, Ax, Yo-Yo Ma. Yefim Bronfman. En dozijnen jongeren. Die houden me op de been.'

Voor één ding is hij te oud. Stern heeft nooit in Duitsland willen optreden, 'en het zal er ook niet meer van komen'. 'Ik heb het één keer geprobeerd, in de buurt, in Wenen. Maar ik wou niet meer. Ik stak mijn teen in het water, ik voelde dat het fout was en ben er niet meer in gesprongen. Spijtig, aan een kant. Het publiek in Duitsland en Oostenrijk zou het beste zijn geweest dat ik ooit had gehad. Maar het ging niet. Ik moet contact hebben met mensen voor wie ik speel. Met hen kon ik dat niet opbrengen.

'Ik denk dat ik er nog eens heen moet, om hun jonge spelers te leren kennen. Ja, dat zou ik moeten doen. Zonder concerten.'

Amsterdam, Concertgebouw. 16 oktober Kleine Zaal: Isaac Stern speelt Brahms (sextet en kwintet) met leden van Nieuw Sinfonietta Amsterdam. 18 oktober Grote Zaal: Stern solist bij Nieuw Sinfonietta Amsterdam in vioolconcerten Bach en Mozart. 20 t/m 22 oktober : Stern, Robert McDonald (piano) en David Finckel (cello) geven masterclasses aan jonge ensembles.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden