Beschouwing Caravaggio

Lichtend voorbeeld: hoe zijn navolgers Caravaggio naar Nederland brachten

De Italiaanse barokschilder Caravaggio, meester van duisternis en licht, vond eigenaardige navolgers in Nederland, zoals een geweldige expositie in Utrecht laat zien.  

Centraal Museum Utrecht; Utrecht, Caravaggio en Europa Beeld Ernst Moritz

In Utrecht, Caravaggio en Europa, de geweldige tentoonstelling in het Centraal Museum Utrecht over de invloed van Caravaggio op zijn tijdgenoten, hangt een grappig schilderij. Er hangen daar wel meer grappige schilderijen; daar gaat het nu niet om. Het werk in kwestie is van de Spanjaard José de Ribera (1591-1652) en heet David en Goliath. Treffender was geweest: David en het krankzinnig grote hoofd van Goliath. Zelfs voor een reuzenhoofd, en zelfs naast de schriele David, oogt de afgehakte kop van de Filistijn enorm. Het heeft de diameter van een... tja, van wat? een skippybal? Ernaast hangen andere Davids met kleinere Goliath-hoofden, en bij het kijken ernaar stelde ik me voor hoe hun makers reageerden bij het zien van het exemplaar van Ribera. Men zal wel even hebben getandenknarst. Cazzo, hoor je die schilders sissen, zó schilder je een Goliath-hoofd.

Ongein natuurlijk, maar Ribera’s schilderij maakt wel degelijk invoelbaar hoe het soms moet zijn geweest om een navolger te zijn van Caravaggio (1571-1610). Het was niet altijd een onverdeeld genoegen, vermoedelijk. De beste schilderijen van de Italiaan (David met het hoofd van Goliath, De roeping van Mattheus, De rust op de vlucht naar Egypte, er zijn meer te noemen) belichamen meteen het beste wat er ooit met penseel en pigment op een doek is gezet; ze zijn het begin en tegelijk het hoogtepunt van een nieuwe stijl; je komt er als bewonderaar gewoon niet langs. Navolgers die een gelijkaardig thema oppakten zochten het daarom automatisch vaak in extremen: raarder, kleurrijker, groter. Elders in de tentoonstelling treft men daarvan meer voorbeelden.

Wie Was Caravaggio?
Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) was een Italiaanse barokschilder. Op zijn 11de ging hij in de leer bij een Milanese schilder, Simone Peterzano; een dikke tien jaar later verkaste hij naar Rome, waar hij begon met het schilderen van stillevens. Hij maakte snel naam. Hij kreeg openbare opdrachten, waarvan sommige nog steeds in situ zijn te bekijken. Caravaggio had een zelfdestructief karakter en was betrokken bij talloze schandalen: ruzies, vechtpartijen. In 1606 moest hij Rome ontvluchtten omdat hij bij een duel om een vrouw een edelman had gedood.

Ondervertegenwoordigd 

Aan deze tentoonstelling is jaren gewerkt en dat zie je er aan af. Uitstekende bruiklenen, een meer dan zorgvuldig ingerichte presentatie: niks valt erop aan te merken. Eén dingetje dan: Caravaggio. Met slechts twee stukken, waaronder het spectaculaire De graflegging (1603) uit het Musei Vaticani, Vaticaanstad, is hij ondervertegenwoordigd. 

De tentoonstelling gaat daardoor minder over de invloed van Caravaggio op z’n navolgers (Manfredi, Gentileschi, Borgianni (I) De Boulogne (Fr), Ribera (Es), Van Honthorst, Ter Brugghen, Van Baburen (Nl) dan over de overeenkomsten en verschillen tussen die navolgers onderling. De ordening is thematisch, en dat is een gelukkige keuze. Het noopt tot vergelijken, en dus tot aandachtig kijken. Wie was goed in actiescènes, en wie niet? Wie schilderde het overtuigendst de plek tussen de schouderbladen waar de vleugels van een engel zitten, het aanhechtingspunt? De schilders zijn met elkaar in gesprek. Ze pingpongen thema’s heen en weer, zoals ze dat begin 17de eeuw in Rome al moeten hebben gedaan.

De koppelaarster; Gerard van Honthorst. 1625. Beeld Centraal Museum, Utrecht.

Die stad had indertijd ongeveer evenveel inwoners als een grote Nederlandse provinciestad nu: een mannetje of honderdduizend dus. Het was een heel eigenaardige plek: deels bouwput en deels openluchtmuseum. De pelgrimskerken werden verbonden door gloednieuwe wegen (een kroonjuweel van de hyperactieve paus Sixtus V), maar tussen die wegen stonden de overblijfselen uit de tijd van de eerste Romeinse keizer Augustus. Ossen dronken er uit de fonteinen; wolven slopen er s’ nachts door de straten. Het was een stad met een invloedrijke (geestelijke) bovenlaag, met een niet minder aanzienlijke onderlaag van verworpenen en oplichters, het gran teatro delle umane miserie. Ze had een aanzuigende werking op kunstenaars. Die hoopten er opdrachten in de wacht te slepen en lessen te leren van de Raffaello’s en Michelangelo’s. Tot de attracties behoorde sinds kort nog een Michelangelo: Michelangelo Merisi, artiestennaam: Caravaggio (naar z’n geboorteplaats).

Realisme

Diens licht ontvlambare karakter en onfortuinlijke levenswandel laat ik even buiten beschouwing. Wat hij de kunsten bracht, laat zich in één woord samenvatten: realisme. Zijn beroemde voorgangers schilderden de wereld meestal als een voorschot op de hemel. Bij Caravaggio zijn we ontegenzeglijk terug op aarde. Zijn heiligen zijn net echte mensen, letterlijk. Zijn Johannes stond bij wijze van spreken gisteren nog citroenen te verkopen op het Campo di Fiori; zijn Madonna heeft het oudste beroep van de wereld (nee, niet timmerman). De schilder heeft ze niet opgepoetst. Ze zijn van vergankelijk spul. Er lopen aderen over hun enkels. Hun buiken blubberen. Het klinkt banaal, maar dat is het niet. Caravaggio had een stijlmiddel waarmee hij het aardse onaards maakte: licht. Of: schaduw, het is maar hoe je het bekijkt. Zijn duisternis is echt duister, fluwelig, ondoordringbaar; zijn licht is gloedvol, goudachtig; het licht dat je op zonnige winterdagen rond 5 uur treft, het gouden uurtje. Het laat Caravaggio’s figuren tot je komen met de kracht van visioenen. Het maakte hem tot een van de meest geïmiteerde kunstenaars van zijn tijd.

Centraal Museum Utrecht; Utrecht, Caravaggio en Europa Beeld Ernst Moritz

Ook in Nederland. Ook daar zong z’n naam rond voordat men hem echt kende. De in Haarlem gevestigde schilder en kunsttheoreticus Karel van Mander wist al dat ‘Michael Agnolo’ van Caravaggio ‘wonderlijcke dinghen’ deed: ‘[…] Zijn handelinghe […] is sulcx, dat se seer bevallijck is, en een wonder fraye maniere, om de schilder-jeught nae te volgen.’ Dat advies sloeg die ‘schilder-jeught’ niet in de wind. De in Utrecht opgeleide schilders Gerard van Honthorst en Hendrick ter Brugghen reisden vanaf 1617 door Italië, een jaar of wat nadat Dirck van Baburen er had rondgetrokken en zeven jaar nadat de bij doodslag betrokken, uit Rome gevluchte Caravaggio na omzwervingen door Malta, Sicilië en Napels in een moeras bij Rome aan z’n eind was gekomen. Hun verblijf had veel weg van een leuke studententijd. Men deelde huizen (en modellen) en ging zich te buiten aan allerhande uitspattingen. Van Baburen was medeoprichter van de Bentvueghels, een genootschap ter ere van de wijngod Bacchus. compleet met bijnamen en initiatieriten; z’n dispuut-genoten noemden hem Biervlieg. Van Honthorst werd in het gevang gegooid nadat hij in een bordeel zijn zwaard droeg. De drank was goedkoop, de meisjes waren jong. Those where the days.

De graflegging van Christus; Dirck van Baburen. 1617-1621. Olieverf op doek. Beeld Centraal museum Utrecht

Beschermheren

Hoe het deze het Italiaans amper machtige mannen van midden twintig lukte voet aan de grond te krijgen in de moordend competitieve kunststad Rome, is een waarachtig raadsel. Feit is dat het ze lukte. Ze wisten in het gevlij te komen bij machtige beschermheren als de Conzaga’s en de Giustiniani’s, verzamelaars die eerder Caravaggio hadden gesponsord en die de jonge Hollanders wellicht aanspoorden lessen uit diens werk te trekken. Ze verwierven opdrachten op prominente plekken, maar het feest duurde niet eeuwig. In 1621, kort voor het aflopen van het Twaalfjarig Bestand, was Van Honthorst terug in Utrecht. Rond diezelfde tijd keerde ook Ter Brugghen huiswaarts. Baburen woonde toen alweer jaren in de Domstad. Ze brachten Caravaggio naar het Noorden. Lokale schilders, onder wie Rembrandt van Rijn, zouden daar hun voordeel mee doen.'

Centraal Museum Utrecht; Utrecht, Caravaggio en Europa Beeld Ernst Moritz

Wat de tentoonstelling in de eerste plaats laat zien, is dat de Utrechters hun voorbeeld zeker niet klakkeloos imiteerden. Anders dan hun zuidelijke collega’s lieten ze diens rijkelijke gebruik van zwarte pigmenten en afgeronde plastiek achterwege. Ze tekenden voor een kleurrijker en ook meer aaibare variant op het caravaggisme; een vlakkere stijl waarin hun Utrechtse leermeesters Bloemaert en Van Moreelse doorschemeren. Echt duister en onheilspellend werd het zelden.

Het grappige is: Van Baburen en Ter Brugghen spiegelden elkaar daarbij in hun eigenaardigheden. Hun figuren zitten geregeld in de voorstelling als in een te heet gewassen trui. De rompen en ledematen zijn uit verhouding. Een engel heeft armen als een worstelaar. De heilige Sebastiaan is  behept met een onvolgroeid armpje (en een zesde teen). Dat zijn Ter Brugghens figuren. Die van Van Baburen zijn nog een stukje curieuzer. Zij hebben voorhoofden die uitrekken als een lavalamp en voeten waarbij de Nike Air Max onder de huid lijken te zitten. Het is verleidelijk om zulke idiosyncrasieën te wijten aan onkunde, maar wie zegt dat ze niet strategisch waren bedoeld; een manier om op te vallen te midden van al die andere Caravaggio adepten? Hoe dan ook, ze horen bij het tweetal zoals de uitgerekte lichamen en schrille kleuren horen bij El Greco.

Nachtscènes

Naast hen is Van Honthorst een veel evenwichtiger schilder. Zijn Bijbeltaferelen en vrolijke gezelschappen zijn slim gecomponeerd en met zwier en gemak opgezet; de figuren zijn ook altijd goed gebouwd. Van Honthorst had de bijnaam Gherardo della Notte vanwege zijn nachtscènes met een enkele lichtbron, meestal een kaars; heel gloedvolle tableaus zijn dat. De kaars zelf is vaak aan het zicht onttrokken door een arm of een rug, wat fraaie silhouetten oplevert. Nog fraaier is hoe het kaarslicht vervolgens langs de flank van zo’n silhouet schampt en plooien in het gezicht of een veer op een hoed doet oplichten. Door te spelen met licht en schaduw roept Van Honthorst hier een clandestiene sfeer op. Je kijkt naar zijn schilderijen als naar een misdaad.

Een van z’n vroegste werken in de expositie is meteen een van de imposantste: De onthoofding van Johannes de Doper. Het werd gemaakt voor de zuidwestelijke kapel van de Santa Maria della Scala in Rome, zeven vierkante meter nachtelijke horror. Het toont de climax van het verhaal. Even eerder deed Salomé (meer verveelde puber dan gehaaide verleidster) haar dansje, waarop haar geïmponeerde stiefvader, Herodes, haar aanbood wat ze maar wilde (‘Alles?’ ‘Alles’). Ze wilde het hoofd van Johannes de Doper, het stomme wicht. Op een schaal. Ging Herodes regelen.

De onthoofding van Johannes; Gerard Honthorfst. 1617-1618. Beeld Centraal Museum Utrecht

Het mooiste aan het werk is de oude vrouw en haar toorts. Ze is behulpzaam. Ze licht de beul even bij. Het is een detail dat zowel je oog als je gedachten stuurt. Het suggereert wat voorafging aan de scène: Johannes knielt, Salomé gaapt, de Beul heft zijn zwaard, knijpt zijn ogen tot spleetjes, een moment gaat voorbij, en nog een, en misschien wel nog een – Salomé en de oude vrouw kijken hem onderhand met opgetrokken wenkbrauwen aan: komt er nog wat van…?

Het is te donker, zegt de beul. Hij kan het niet goed zien.

‘Beter zo?’,  vraagt de oude vrouw, en ze houdt de fakkel bij Johannes’ hals.

Dan: de scène die Honthorst schilderde.

Dan: tsjop.

Utrecht, Caravaggio en Europa. t/m 24/03,  Centraal Museum Utrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.