Libris: Tussen krachteloos engevaarlijk engagement

Wie wordt landskampioen schrijven? In een rechtstreekse televisie-uitzending wordt woensdag de winnaar bekend gemaakt. Krijgt Robert Anker, Jan Brokken, Geertrui Daem, Margriet de Moor, Harry Mulisch of Chaja Polak de Libris Literatuur Prijs 2002?...

GIECHELEND VAN voorpret heeft de jury van de Libris Literatuur Prijs haar rapport opgesteld, dat door voorzitter Tjeenk Willink op 26 maart werd gepresenteerd: 'De jury loopt over van tevredenheid nu het gelukt is het meest cultureel en politiek correcte lijstje nominaties aller tijden samen te stellen. Niet alleen staat er een gelijk aantal mannelijke en vrouwelijke schrijvers op, bovendien zijn alle zes boeken bij verschillende uitgevers gepubliceerd.'

In het verleden kreeg je wel vaker de indruk dat zo'n jury het gezamenlijk wegen van literair proza als een gezelschapsspelletje beschouwde, maar niet eerder was de zelfgenoegzame sociëteitstoon zo onbeschaamd te beluisteren in het nominatierapport. Vreemd is dat eens te meer, als we onder de leden van de jury (verder bestaande uit Douwe Fokkema, Marcel van Nieuwenborgh en Hilde Pach) ook Carel Peeters aantreffen, de criticus van Vrij Nederland die zich in de afgelopen dertig jaar nou niet als de meest zorgeloze flierefluiter heeft geprofileerd. Dezelfde Peeters was in 1986 nog hoogst verontwaardigd, toen hij ongevraagd een uitnodiging op naam kreeg toegezonden om het diner bij te wonen, voorafgaand aan de bekendmaking van de AKO-prijs. Voor zoiets ordinairs als een commercieel feestje haalde Peeters in zijn lijfblad openlijk de neus op. Maar wie zal er op woensdag 8 mei 2002 in Park Plaza te Amsterdam glimlachend aanschuiven aan de Libris-dis?

Dát is er gebeurd in zestien jaar. Peeters vindt het tegenwoordig allemaal best, en zet zelfs zijn handtekening onder een lijstje boeken dat de oogst van het magere jaar 2001 weer helemaal goed maakt. Zei Tjeenk Willink.

Na de dolkomische ouverture neemt het rapport de zes gekozen titels per stuk door, en gaat onverdroten voort met proesten.

Over correctheid gesproken: als de jury zich daar grappenderwijs mee feliciteert, is het curieus dat ze niet ook naar de leeftijd van de schrijvers heeft gekeken: de genomineerden zijn allen tussen de vijftig en vijfenzeventig jaar. Wil de jury impliciet uitdrukken dat er zich onder de jongeren geen bijzondere talenten bevinden? Dat is nogal een uitspraak, die een serieuze opmerking waard was geweest. Maar daar hadden de leden merkbaar geen behoefte aan.

Eerst maar eens een lijstje opgesteld van titels die dit jaar niet mee mochten doen, sommige niet eens op de longlist van twintig, terwijl het om behoorlijke boeken gaat: De kameleon (Paul Claes), Als op de eerste dag (Stefan Hertmans), De vuistslag (Mark Boog), Engelen van het duister (Jan Siebelink), De ziel van de kakkerlak (Leon Gommers). Voorts is er nog een lijstje te maken van auteurs beneden de veertig die in 2001 iets ongewoons hebben gedaan: Yves Petry, Hafid Bouazza, Marcel Maassen, Arie Storm, en dan vergeet ik beslist nog iemand.

Bekijk je de zes die de eindronde haalden nader, en stel je vast dat drie titels vanwege hun matige kwaliteit op 8 mei voor spek en bonen meedoen, dan wordt het raadsel van het Libris-lijstje des te groter. Een roman als De kameleon van Claes - erudiet en humoristisch, een historisch verhaal op modernistische leest geschoeid -, die kun je toch niet straffeloos passeren, en dan wél voor de dag komen met de verantwoorde braafheid van Chaja Polak, Jan Brokken of Geertrui Daem?

Om het raadsel te verklaren, moeten we op zoek naar een gemeenschappelijke deler. En die is er. De Libris-jury 2002 heeft niet alleen een voorkeur voor de rijpere schrijver, ze heeft ook een achterhaald beoordelingscriterium gehanteerd: alle zes boeken komen tegemoet aan het verlangen (dat in een grijs verleden onder 'correcte' letterkundigen tot eis versimpelde) dat een schrijver zich in zijn boeken openlijk geëngageerd toont. Dat kan de enige reden zijn geweest waarom Polak, Brokken en Daem het tot een nominatie hebben geschopt. De een laat steken vallen, de ander heeft een teleurstellende stijl, de derde weet weer niet hoe een ontwikkeling in het verhaal te krijgen, maar ze bewijzen volop over medeleven te beschikken met de slachtoffers van een oorlog of een dictatuur.

Hoe lollig ze zelf ook uit de hoek kan komen, aan vrijblijvende literatuur heeft deze jury kennelijk een broertje dood, ja zelfs aan die speelsheid die er blijk van geeft dat de auteur in kwestie beseft dat literatuur altijd óók bedrog, spel en amusement is.

HUMOR IS bij de zwakke broer en zusters ver te zoeken, al laat Geertrui Daem wederom zien dat ze lekker lopende dialogen kan schrijven - iets waar je Polak en Brokken niet op kunt betrappen. Over de grens van Chaja Polak is een lief boek over het leven van Rosa van Esso, die in diverse stadia van haar leven ondervindt wat er zoal tussen een man en een vrouw in kan staan: een verleden, een oorlog, een land. 'Wij zijn joden', fluisterde Rosa, 'als in overgave, ''mijn moeder heeft in Auschwitz gevangengezeten, en mijn grootouders zijn daar omgekomen''.' Er werd in de oorlog op zigeuners én op joden gejaagd, realiseert Rosa's wantrouwende Roemeense hulp Cori zich: 'Toen schrok ze, ze leek Rosa te zien. Ze leek Rosa voor het eerst écht te zien.' Het is allemaal van een weemakende menselijkheid, doordat Polak ongeremd het ene cliché op het andere stapelt.

Is zij tenminste nog zoekende naar een evenwicht, in Voel maar van Jan Brokken gelden landsaard en voorbestemming als rotsvaste pijlers, die een romance op zee tussen de Hollander Lucas en de Argentijnse Gabriela danig inperken en terugbrengen van een zinnelijke passie tot een voorspelbare affaire tussen een losgeslagen 'oerwouddochter' en een al even ontheemde 'tropenzoon'. Op een bootreis komen ze zichzelf en elkaar even tegen, waarna ze weer terugzakken in de rollen die ze horen te spelen, die van moeder en rechter. De zee is er voor de twijfelaars, orakelt Brokken, 'de zee reduceert zekerheden, tot alleen huiver overblijft'. Maar de schrijver gaat nergens over de schreef. Het relaas van Gabriela over de Argentijnse dictatuur die haar carrière als ballerina fnuikte, is de facto goedkoop. Je voelt het drama niet, je neemt het voor kennisgeving aan, omdat het Jan Brokken aan brille ontbreekt.

Na tien jaar schrijverschap is de actrice Geertrui Daem nog altijd een vlijtige leerling van Louis Paul Boon. In Koud, dat speelt in 1967, tekent ze de verliefde puber Ingrid en haar vader Roger de Bruyne, een oud-Koreastrijder die vastzit in zijn eigen loopgraaf van miskenning en woede. Daems plezante sappige Vlaams-Nederlands vergoedt veel, maar de compassie met de kleine man en vrouw, en met het bestaan van vechten en snikken waartoe het barre leven hen dwingt, is een uitgekauwd stramien waar Daem niets anders mee kan dan het uittekenen en afwikkelen.

Blijven drie boeken over die de Librislijst goddank sjeu geven, van auteurs die kunnen schrijven en een grotere gooi wagen: Een soort Engeland van Robert Anker, Siegfried van Harry Mulisch en Kreutzersonate van Margriet de Moor.

Anker neemt in zijn roman het Amsterdamse toneelwereldje tussen de jaren en zestig en nu met ons door, aan de hand van de 53-jarige acteur David Oosterbaan die je niets hoeft te vertellen. Hij speelt in het stuk Theatervernietiging van de Oostenrijkse zuiplap Thomas Schwaigl (geënt op Werner Schwab), en wel de rol van de Onbekende Acteur in de verloederde westerse cultuur. Anker is te intelligent en belezen om zijn boek, dat eindigt met de première van het stuk waarop Oosterbaan in elkaar zakt, als een eendimensionale satire uit te werken.

IJdelheid kent geen tijd, inzonderheid onder acteurs, en je kunt begrijpen dat Anker zijn semi-sleutelroman met genoegen heeft geschreven. Schmierend en schwärmend dat het een aard heeft, werkt Oosterbaan zich naar de eindstreep toe - niet zozeer van het toneelstuk, alswel naar zijn besluit de kunst voor het leven te verzaken. Het rauwe leven komt in Een soort Engeland aan de orde in de vorm van Oosterbaans dochter Laura, die hij sinds haar geboorte niet meer heeft gezien, maar met wie hij weer contact moet opnemen nadat ze een overdosis heroïne heeft genomen.

Dat is andere koek voor de praatjesmaker David, in wie een droom van lang geleden sluimert. Zoals Robert Anker zich in zijn vorige roman Vrouwenzand spiegelde aan A.F.Th. van der Heijden, manifesteert hij zich nu opnieuw als een woordverliefde aanklamper bij de erkende groten: meermalen doet Een soort Engeland denken aan Hoogste tijd, de toneelroman van Harry Mulisch uit 1985. De acteur is een volwassen mens die een spelletje speelt, stelt Oosterbaan vast: 'Al dat zelfbedrog. Al dat gedraai in het programmaboekje, over de maatschappelijke relevantie van het stuk, dat een Griekse koningszoon eigenlijk gewoon een yup was en een salondraakje uit achttienhonderd actueel als je kijkt naar de oorlog in Kosovo. En ze geloven erin.'

De taal heeft in het theater het laatste woord, vindt Oosterbaan, die merkt hoe incourant die opvatting inmiddels geworden is. Hij heeft gelijk, hoopt Anker met hem, vandaar dat hij er een roman tegenaan gooit. Dat is niet niks, en het getuigt van zelfspot en weerbaarheid, al blijft Anker vooral de noeste werker die zich nog niet tot een speelse meester heeft ontwikkeld.

In Siegfried stort Harry Mulisch zich op het raadsel Adolf Hitler, om langs de wegen der verbeelding een antwoord te vinden op de hamvraag van de twintigste eeuw, hoe een onooglijke frustraat zo'n invloed kon hebben op mensenmassa's, en op de wereldgeschiedenis. Mulisch lijkt zichzelf te kijk te zetten door zich te hullen in de gedaante van zijn gevierde alter ego Rudolf Herter, maar de bijna-identificatie met Hitler die zijn naam suggereert, blijft jammerlijk uit: Herter is als schrijver een mythomaan fantast, die met zijn gezochte 'verklaringen' (toen Nietzsche gek werd, werd Hitler verwekt, de Antichrist in persoon) een spel speelt dat hem zijn leven kost; als wil Mulisch suggereren, dat het een hoogst gevaarlijk spel is. Die zelfironie werkt contra-effectief. Niet Hitler wordt gevangen, maar Mulisch relativeert zijn eigen uitgesponnen goochelarij.

IN ZIJN onovertroffen reportage De zaak 40/61 (1961) over het Eichmann-proces in Jeruzalem, durfde hij uitgaande van de gruwelijke werkelijkheid pijnlijker vragen te stellen. 'U maakt mij niet wijs dat ú Hitler begrijpt', sprak burgemeester Job Cohen tijdens de presentatie van Siegfried op 1 februari 2001 tot de auteur, die er voor het eerst in decennia weer eens bedremmeld uitzag. Onlangs nog, tijdens de Nacht van de Filosofie, ontkende Mulisch ten stelligste dat het kwaad ook in hemzelf zat. Misschien komt het daardoor dat hij in Siegfried veel minder ver komt in het begrijpen van Hitler dan een historicus als Ian Kershaw heeft gedaan. Siegfried raakt aan de grens waartoe een goedbedoelend schrijver kan komen.

Muziek is de hoogste der kunsten, volgens Rudolf Herter. Daarin bestaat helemaal geen wat, alleen hoe. En precies daarom is Kreutzersonate van Margriet de Moor, woord geworden muziek tenslotte, het meest kunstzinnige waagstuk van de Libris-selectie. Zelfverzekerd brengt De Moor een ode aan de 'Kreutzersonate' van Leos Janacek (en via hem aan de gelijknamige novelle van Tolstoj en de sonate van Beethoven). Kunst reageert op kunst, ze komt uit kunst voort, en kan de levens van personages binnendringen op een dwingende manier, zodat fatale explosies (in relaties, en in vliegtuigen) bijna noodzakelijk worden. Oppervlakkig bezien verschanst De Moor zich in een l'art pour l'art-houding, maar telkens laat ze zien hoe groot het gevaar van overgave kan zijn. Dat ze met de vliegtuigangst en -crashes in Kreutzersonate ogenschijnlijk verwijst naar de ramp van 11 september 2001 (terwijl ze haar korte roman ruimschoots voor die datum voltooide), is veelzeggend. Abstracte kunst staat niet los van het leven: ze reageert erop, en grijpt zelfs onverhoeds in, terwijl de mens die na gedane arbeid een strijkkwartetje opzet, kan menen zich slechts gerieflijk te verpozen.

De jury kan derhalve drie dingen doen: ze kiest voor Anker als ze weer eens een andere naam wil bekronen, ze kiest Mulisch als ze voor een reputatie zwicht, of ze prijst de auteur die het helderst en sterkst bewijst dat het ware artistieke engagement eruit bestaat, het best mogelijke kunstwerk te scheppen: Kreutzersonate van Margriet de Moor.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden