Lezen om er wijzer van te worden

De opstellen die J.M. Coetzee verzameld heeft in Inner Workings behoren tot een genre dat in Nederland vrijwel niet meer bestaat, dat van de essayistische boekbespreking....

Er zijn weliswaar nog talloze schrijvers die twee jaar besteden aan het schrijven van een boek, ook zijn er nog royaal voldoende lezers die aan het lezen daarvan twee avonden willen besteden, maar een student of een krantenlezer heeft tegenwoordig naar wordt aangenomen hooguit nog twee minuten om zich in de kritische beoordeling van andermans gedachten te verdiepen.

’t Schijnt in het soort focusgroepen te zijn vastgesteld als die Wouter Bos heeft gebruikt om de verkiezingen te verliezen. Tegenspraak heeft dus geen zin: onderwijshervorming en opmaakvernieuwing, het zijn manifestaties van goddelijke openbaring – en daar is de rede niet tegen opgewassen. Dus schrijven literatuur-docenten geen essays meer en oefenen hun studenten dat niet, dus bestaan tijdschriften waarin de boekenstroom met kracht van intelligente argumenten wordt ingedamd en uitgediept niet meer en hebben boekenkaternen van kranten daar geen ruimte meer voor over.

Onder de oppervlakkige en modieuze argumentatie van die kleine culturele revolutie gaat een levensgevoel schuil, een levensovertuiging wellicht, en dat is de huiver voor het aanbrengen van culturele hiërarchie en canonisering. Want dat is precies wat Coetzee in al zijn essays doet, hij gaat de doorwerking van de boeken die hij bespreekt na, de mate waarin die hun lezers, soms generaties lang, niet loslaten. Dat betekent dat hij kiest, en wie met zorg kiest verwerpt veel.

Inner workings, de titel van zijn boek, is daarom goed te lezen als een synoniem voor ‘canonisering’: een belangwekkend boek heeft een langere levensduur dan een Boekenweek of de twee weken waarin het in hinderlijke stapels voorin in de boekwinkel ligt. Het leeft door en het leeft mee met zijn lezers en de vraag hoe dat komt is de vraag naar canonisering, zoals het angstvallig weigeren die vraag nog langer te stellen vroeger of later leidt tot debiele lijstjes, infantiele sterretjes en deprimerende verkiezingen van het populairste boek aller tijden van dit seizoen. Consumententerreur en quizjolijt winnen het dan van argument en begrip, ‘outer rumours’ van ‘inner workings’.

Coetzee neemt de boeken die hij leest, herleest, overdenkt en ten slotte bespreekt, serieus, dat wil zeggen, hij neemt zichzelf als lezer serieus en daarin al die andere lezers. Dat heeft niet alleen ver reikende gevolgen voor de wijze waarop hij leest en bespreekt, maar ook voor zijn selectie. Hier bestaat die uit 21 schrijvers wier boeken ons toegang verschaffen tot nader begrip van de voorbije eeuw en van onze eigen tijd, van Italo Svevo tot V.S. Naipaul.

Coetzee schreef zijn stukken merendeels voor de New York Review of Books, de tweewekelijks verschijnende krant die er niet voor terugdeinst besprekingen van vijfduizend woorden af te drukken en die daardoor, alle focusgroepen ten spijt, zowel commercieel als intellectueel een groot succes is. Zijn eerste lezers zijn Engelstalig, aan hen stelt hij schrijvers voor die in een Europese omgeving minder introductie zouden behoeven, zoals Robert Walser, Bruno Schulz en W.G. Sebald, voor hen bespreekt hij auteurs die in een andere context anders besproken zouden moeten worden, Graham Greene, Saul Bellow, Philip Roth en zijn oorspronkelijke landgenote Nadine Gordimer.

Hij doet dat tamelijk traditioneel, en dat moet te maken hebben met de plek waar zijn stukken verschenen, een blad voor ‘the common reader’, de niet-gespecialiseerde maar evenmin volslagen achterlijke lezer – de ‘intelligente, toegewijde lezer’, zou je zeggen, als dat geen dubbel pleonasme was.

Meestal, vooral bij de oorspronkelijk niet-Engelstalige boeken die hij bespreekt, introduceert hij de schrijver met behulp van diens biografie, altijd meet hij het belang van diens boeken af aan hun authenticiteit, hun stijl en hun duurzame zeggingskracht. Daar is niets origineels aan, en toch is het een verademing.

Het is alsof hij de literatuur en daarmee de elkaar afwisselende literaire modes stil zet: het kan wel zijn dat de boeken die hij bespreekt – of de Engelse vertalingen daarvan – zojuist verschenen zijn, hij zoekt er het tijdloze in, het universele.

Coetzee werpt zich op als leraar én als moralist. In beide ambten is hij streng. Als V.S. Naipaul zich er in de twee helft van zijn roman Half a Life van afmaakt, dan wordt dat, Nobelprijs of niet, uitgesproken, zoals Coetzee tegelijkertijd probeert te begrijpen waar de stijlbreuk halverwege dat boek vandaan komt. In het stuk over Robert Walser benadert hij diens krankzinnigheid met schroom en hij maakt zich kwaad over het publiceren van diens post mortem foto’s.

Daaraan valt goed te zien hoe hij de schrijversbiografie als omgeving van het werk beschouwt, niet als controlemateriaal. Van Italo Svevo moeten wij diens joodse achtergrond kennen om zijn werk te kunnen begrijpen, zijn lichtzinnige omgang met het Italiaanse fascisme uit zijn tijd hoeft echter niet tot een veroordeling te leiden. De leraar draagt het materiaal aan, de moralist concentreert zich op het werk.

Zijn haast calvinistische stijlgevoeligheid komt het sterkst aan het licht wanneer hij vertalingen bespreekt; het helpt daarbij enorm dat hij een oor voor het Engels heeft dat zich laat vergelijken met Bachs absolute gehoor voor religieus geïnspireerde muziek.

Maar ook bij Coetzee staat die gevoeligheid ten dienste van het grotere, van de mate waarin de boeken die hij aandachtig heeft zitten lezen, bijdragen aan zijn begrip van de wereld en de geschiedenis. Daar treffen hem Günter Grass en Joseph Roth, Walter Benjamin en Sándor Márai, de schrijvende moralisten die hun belevenissen en begrip niet tot eenregelige mededelingen reduceerden.

Coetzee leest om er wijzer van te worden – en dat verlangt hij ook van ons, zijn lezers: hij laat ons onverbiddelijk delen in zijn toewijding en inzicht. Dat hij in een kort stuk over de poëzie van Hugo Claus bizarre beweringen doet – Claus zou geen lyricus zijn en zijn poëzie zou lijken op die van H.M. Enzensberger – zij hem daarom vergeven.Michaël Zeeman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden