Analyse Schrijversleed

Leven van schrijven: wie kan dat nog?

De boekenmarkt is in tien jaar tijd met een vijfde gekrompen. Wat betekent dat voor de auteurs? Ook de succesvollen onder hen kennen financiële zorgen, blijkt uit een rondgang en uit berekeningen die het Letterenfonds op verzoek van de Volkskrant maakte.

Foto Martyn F. Overweel

Zo’n twintig weken stond schrijver-journalist Pieter Waterdrinker (56) dit jaar met zijn autobiografische roman Tsjaikovskistraat 40 in de Bestseller 60. Hoogste notering: een zevende plaats, aantal verkochte exemplaren ruim 35 duizend. ‘Ik ben enorm verheugd, het is de resultante van een kwart eeuw zwoegen. Na elf boeken heb ik voor het eerst de wind in de zeilen’, meldt hij opgewekt vanuit Moskou. Daar werkt hij voor diverse media als correspondent. Maar meer dan journalist voelt hij zich auteur: ‘Ik ben een romanschrijver, ik bouw een oeuvre op’.

Toch zal hij ook nu niet kunnen stoppen met zijn journalistieke werk. Waterdrinker rekent voor dat zijn bestseller hem 70 duizend euro oplevert. Daarvan neemt de belastingdienst een flinke hap. Een Russische vriend van wie hij een fors bedrag leende, heeft zijn geld teruggekregen. Die aflossing luchtte hem op, maar wat resteert is te weinig om van te leven. ‘Ik hoef niet meer dan zeg 2 duizend euro in de maand te verdienen, 24 duizend per jaar. Dus moet een roman bijna 50 duizend euro opleveren, want over het schrijven doe ik gemiddeld twee jaar. Dat betekent dat ik er 25 duizend moet verkopen. Nou, dat is tegenwoordig al een behoorlijke bestseller. Kijk ik terug op wat 22 jaar schrijverschap me heeft opgeleverd dan kom ik niet verder dan 300 à 400 euro per maand. Dus alleen romans schrijven, dat zit er niet in. Ik klaag niet hoor, maar ik benijd auteurs als Tommy Wieringa of Frank Westerman die van hun boeken wel kunnen leven.’

Dat Waterdrinker niet durft te dromen van een bestaan als voltijds romanschrijver, valt niet los te zien van de neergang van de boekenmarkt. Die is in het voorbije decennium met ongeveer een vijfde gekrompen – van 51 miljoen in 2008 naar 41 miljoen verkochte boeken in 2017. Gevolg: een bestseller is lang niet meer wat hij vroeger ooit was. Succesvolle auteurs ondervinden dat aan den lijve. Zo verkocht Kluun van Komt een vrouw bij de dokter vijftien jaar geleden nog een dikke miljoen exemplaren, terwijl zijn laatste, in 2017 verschenen boek DJ nog maar met moeite 40 duizend haalt. Ronald Giphart, lange tijd voorzien van het etiket ‘bestsellerauteur’ met romans die goed waren voor 250 duizend exemplaren elk, moest recentelijk met nog geen 20 duizend genoegen nemen. ‘Nogal wat schrijvers waren jarenlang gewend een, twee, drie ton bruto bijgeschreven te krijgen. Die tijd is definitief voorbij’, constateert uitgever Joost Nijsen van Podium. ‘Voor de crisis sprak je bij 100 duizend pas over een bestseller, nu sta je al enorm te juichen bij 50 duizend en ben je met 10 duizend blij.’

Geen vetpot

Het lichte herstel van de afgelopen drie jaar compenseert de crisisjaren niet, stelt het Letterenfonds, de subsidiegever voor weinig verdienende auteurs. Jaarlijks krijgen zo’n 150 tot 200 schrijvers een werkbeurs van het fonds. Dat is maar een deel van het totale aantal schrijvers, al weet niemand hoeveel Nederland er precies telt. Wie je meerekent, is lastig: het is geen beschermd beroep, dus iedereen kan zich schrijver noemen. In de meest ruime benadering zijn er 1,1 miljoen Nederlanders die zich met ‘creatief schrijven’ bezighouden, zo vermeldt een recent rapport van de Raad voor Cultuur. Die komt tot ruim dertienduizend schrijvers, met behulp van een ruime definitie: iedereen die in de afgelopen vijf jaar weleens een boek publiceerde. Een journalist met een enkele titel op zijn naam is dan ook een schrijver. Beperk je het schrijverschap tot mensen die als hoofdactiviteit het schrijven van romans of non-fictieboeken hebben dan valt het aantal flink lager uit. De belangenbehartiger van schrijvend Nederland, de Auteursbond, waagt zich niet aan een berekening van hun aantal en verwijst door naar de cijferaars van de boekenbranche, KvB Boekwerk. Die wijzen erop dat negenhonderd auteurs in 2016 actief waren in het ‘literair-culturele segment’ en neemt een lichte groei waar. Zo’n duizend schrijvers is dan een reële schatting.

De groep Letterenfonds-schrijvers vormt daarvan een flinke minderheid. Op verzoek van de Volkskrant maakte het fonds berekeningen van hun verdiensten. Een schrijver moet namelijk bij zijn subsidieaanvraag ook zijn belastingaangifte overleggen. Wat blijkt? De groep ‘ervaren schrijvers’ verdiende in 2015 een gemiddeld bruto-jaarinkomen van 21 duizend euro, zo’n 1.500 euro netto per maand. De wat minder ver in hun carrière gevorderde ‘oeuvrebouwers’ moesten het doen met 18 duizend euro, nog geen 1.400 netto per maand. Voor de ‘starters’ zat nog heel wat minder in het vat: een gemiddeld bruto-jaarsalaris van 11.492 euro, oftewel 900 euro netto per maand. Let wel: het Letterenfonds geeft geen werkbeurs aan mensen die 45 duizend of meer verdienen, dus succesvolle schrijvers als Saskia Noort of Geert Mak doen in de berekeningen niet mee. Het gaat veelal om schrijvers die met oplages van enkele duizenden of nog minder genoegen moeten nemen. Ook belangrijk: dit zijn hun ‘verzamelinkomens’, dus inclusief hun verdiensten uit ‘niet-literaire arbeid’. Dat het schrijverschap geen vetpot is, mag duidelijk zijn.

‘Als je de inkomens van auteurs in politiek Den Haag aankaart, is de reactie vaak: ‘Maar schrijven doe je toch vanuit passie’. Dat het onmogelijk is om ervan te leven telt kennelijk niet’, sneert Maria Vlaar, de voorzitter van de Auteursbond. Die telt 450 ‘letterkundigen’ (de publicatie van een enkel boek door een uitgever op basis van het modelcontract is daarvoor voldoende; wie in eigen beheer iets uitgeeft, krijgt te maken met een leescommissie, alvorens hij vakbondslid kan worden). Een flink aantal van hen kent financiële zorgen, stelt Vlaar: ‘Velen van hen zitten met hun inkomsten uit schrijven onder het minimumloon. Buschauffeurs zouden allang hebben gestaakt. Vrijwel niemand kan meer in stilte op een zolderkamertje zitten schrijven, zoals het romantische beeld wil, iedereen moet er werk naast doen.’

Titelreductie

Als belangenbehartiger verwoordt Vlaar het scherp, maar met haar opvatting staat zij niet alleen. ‘De inkomenspositie van auteurs is de laatste jaren steeds meer onder druk komen te staan’, zegt de Raad voor Cultuur in een recent rapport. Bij het Letterenfonds vraagt directeur Tiziano Perez zich hardop af, ‘of schrijverschap als zelfstandig beroep wel kan blijven bestaan’. Voorbeelden van auteurs die de pen neerleggen, kent hij niet. Maar tekenend vindt hij het dat schrijvers minder aanvragen voor werkbeurzen doen – van 280 verzoeken in 2009 tot 171 in 2017. ‘De reden is dat schrijvers minder snel een intentieverklaring van uitgeverijen krijgen voor publicatie van hun literair werk. Ook horen we steeds vaker dat uitgevers boeken uitstellen.’ In de voorbije jaren hebben uitgeverijen flink aan ‘titelreductie’ gedaan. Sommige schrijvers hebben daardoor meerdere romans ‘op de plank liggen’ of zien zich niet meer uitgegeven.

Armoede onder schrijvers is van alle tijden, zo valt tegen alle noodsignalen in te brengen. Neem begin jaren zestig, toen het gemiddelde inkomen zo beroerd was dat schrijvers en dichters bijklusten als copywriters of leraren. Destijds leidde dat tot de oprichting van het actiecomité ‘Schrijversprotest’, waaraan Harry Mulisch en Simon Vestdijk meededen. Er was volgens het comité sprake van niet minder dan een maatschappelijke noodtoestand. De schrijver zag zich gedwongen ‘werkzaamheden te verrichten die met zijn vak niet of slechts zijdelings te maken hebben’, met alle gevolgen voor zijn ‘creatieve arbeid’. Of het lag aan het dreigement de Boekenweek te boycotten of niet, in elk geval leidde het protest tot de oprichting van het Fonds voor de Letteren. Dat markeerde het begin van een bloeiperiode.

‘Ik denk dat de jaren zestig tot en met negentig de mooiste periode was voor schrijvers. Toen kon je met het geschreven woord echt een behoorlijk inkomen vergaren, zeker omdat kranten en tijdschriften schrijvers goed betaalden voor bijvoorbeeld essays’, stelt schrijver Dirk van Weelden, auteur van het pamflet Literair Overleven uit 2008. Als voorbeeld van wat er in die gouden jaren mogelijk was, wijst hij op de beroemde reisreportages van Cees Nooteboom voor het (allang gesneuvelde) tijdschrift Avenue. ‘Die waren wel vijfduizend woorden, waarvan Nooteboom weer maandenlang kon schrijven.’ Ook Maria Vlaar van de Auteursbond bewaart mooie herinneringen aan die tijd: ‘Van de jaren zeventig tot en met negentig had je een heel levendige tijdschriftencultuur en betaalden ook kranten goed voor stukken. Schrijvers werden destijds veel meer gewaardeerd.’

Groei audiovisuele industrie

In 2008 was die gouden periode voorbij onder invloed van de opkomst van internet en afnemende leestijd. ‘De schriftcultuur, het geschreven woord, is in deze eeuw niet langer meer leidend’, zegt Van Weelden. In zijn pamflet stelde hij de vraag hoe de boekenwereld zich tot ‘de uitbundige groei van de audiovisuele media-industrie’ moest verhouden. Hij haalde onderzoeksbureau Veldkamp aan dat de gemiddelde schrijfinkomsten van auteurs en vertalers uit literair werk op een schamele achtduizend euro becijferde. ‘En toen moest de krimp van de boekenmarkt nog beginnen’, zegt Van Weelden nu.

Moeilijk rondkomen

Maartje Wortel (35) debuteerde juist toen die neergang zich aftekende. In 2009 verscheen haar verhalenbundel Dit is jouw huis, die met de Anton Wachter-prijs voor debutanten werd bekroond. In de voorbije tien jaar viel ze regelmatig in de prijzen of kreeg ze nominaties voor haar boeken. De kritieken waren lovend, vooral over haar originaliteit. ‘Over aandacht heb ik niet te klagen’, zegt ze. Maar rondkomen van haar werk is een ander verhaal. Van haar laatste boeken verkocht ze acht- tot tienduizend exemplaren. Goed voor een klein inkomen dat ze met lezingen op festivals en in bibliotheken aanvult. Hoeveel ze jaarlijks verdient? ‘Ik ben slecht in financiën, maar in ieder geval minder dan 20 duizend euro. Ik kan iedere maand net wel of net niet rondkomen. Gelukkig heb ik een lage huur. Maar het maakt me niet zoveel uit, want ik heb geen kinderen en ben dus alleen verantwoordelijk voor mezelf.’

De vraag is hoeveel auteurs tegenwoordig nog wel behoorlijk van het schrijven kunnen leven. Niemand durft het met zekerheid te zeggen – de schattingen variëren van 10 tot 100. ‘Een jaar of acht geleden hield mijn uitgever Emile Brugman me voor: ‘Er zijn momenteel zo’n 150 mensen in Nederland die van de pen kunnen leven, dat zijn er over een jaar of vijf nog maar 100’. Zijn boodschap was: zorg dat je bij die honderd zit.’ Frank Westerman (53) vertelt het, terwijl hij tijdens een Sardijns schrijversfestival met zijn Italiaanse uitgever naar het strand rijdt. In de voorbije achttien jaar heeft hij zichzelf als schrijver bewezen, na een eerder leven als journalist. Zijn boeken verkopen goed: enkele tienduizenden per titel, met als uitschieter De graanrepubliek (meer dan honderdduizend, 28 drukken). ‘Dat boek heeft me een duw in de goede richting gegeven. Sindsdien lukt het me telkens mijn volgende boek met mijn vorige te financieren.’

Voor de baat uit

Dat is een verdienmodel waar ‘geen enkele ondernemer mee zou instemmen’, de kost gaat bij schrijven wel erg ver voor de baat uit, vindt hij: ‘Gemiddeld werk ik ruim twee jaar aan een boek, onbezoldigd. Dan wordt het gepubliceerd en dan duurt het nog tot mei van het jaar erop tot ik van de uitgever inkomsten ontvang.’ Andere bronnen verzachten de pijn: lezingen en optredens zijn goed voor een kwart van zijn inkomen, vertalingen (vooral in Italië en Spanje ligt hij goed) en toneelinkomsten nog eens 15 procent. Ook is hij verbonden aan uitgeverij Querido Fosfor. Overziet hij zijn leven als schrijver, dan ziet hij hoe ‘riante jaren’ zich afwisselen met ‘jaren op bijstandsniveau’. Aan pensioenopbouw is hij niet toegekomen.

Niettemin behoort Westerman, die niet met zijn jaarinkomen in de krant wil, zeker tot de beperkte groep die goed aan hun schrijven weten te verdienen. Voor veel vaste waarden van het literaire establishment is dat in deze tijd niet meer weggelegd. Neem Atte Jongstra, twee jaar geleden nog winnaar van de prestigieuze Constantijn Huygens-prijs. Al sinds de jaren tachtig houdt hij zich schrijvend in leven – romans, essays, korte verhalen, dichtbundels, kinderboeken, aan zijn productie ligt het niet. Vooral de laatste jaren ervaart de 62-jarige het als een bijna onmogelijke opgave een acceptabel inkomen te vergaren: ‘Ik vraag me echt af hoe lang ik dit ga volhouden.’ De Constantijn Huygens-prijs was ‘een enorme erkenning, een geweldige boost voor mijzelf. Alleen helaas niet voor mijn bankrekening.’ Niet alleen was de prijs zelf bescheiden (10 duizend euro), maar bovendien bleven betere verkoopcijfers uit. ‘Mijn romans verkopen eerlijk gezegd alleen maar slechter. Vroeger haalde ik nog weleens tweeduizend exemplaren, tegenwoordig is dat de helft. Het kalft steeds verder af.’

Een inkomen houdt hij nauwelijks over, ook niet wanneer hij verdiensten uit een sporadisch curatorschap en zijn NRC-recensies erbij telt. Dus moet hij het vooral hebben van het Letterenfonds: ‘Dat geeft mij het grootste deel van mijn inkomen.’

Collectieve verworvenheden

Sinds de Zijlstra-cultuurbezuinigingen van 2013 heeft dat fonds twee miljoen te verdelen, 20 procent minder dan voorheen. Directeur Perez kan daarmee wel uit de voeten, ‘omdat we minder aanvragen voor werkbeurzen krijgen’. Schrijvers hebben het lastig, omdat er ‘op meerdere plekken geld uit de cultuursector is verdwenen’, betoogt hij onder verwijzing naar hun afnemend aantal optredens en hun verminderde leenrecht-inkomsten. Positief is dat zij, in vergelijking met andere creatieve beroepen, meer van ‘collectieve verworvenheden’ profiteren, benadrukt Perez: ‘Er is een vaste boekenprijs, er is een modelcontract dat hun royalty’s regelt, er is een goed functionerend distributiesysteem, er is het leenrecht en er is het Letterenfonds’. Alleen komt die ‘literaire infrastructuur’ onder druk nu de boekenmarkt is gekrompen, de ontlezing voortschrijdt en digitale innovaties lang niet altijd gunstig voor de auteur uitpakken.

Zo lopen schrijvers inkomsten mis door illegale downloads – een vorm van piraterij waarvan niemand de omvang precies kent. Ook hebben e-books tot gevolg dat titels ‘voor eeuwig’ beschikbaar zijn en dus mee blijven concurreren. ‘Dat grote aanbod is mooi voor de consument, maar minder voor de schrijver die hoopt zijn nieuwe boek te verkopen’, stelt Perez. Ook abonnementsmodellen waar aanbieders als bol.com en Kobo Plus lezers mee lokken, zijn niet gunstig, zegt Vlaar van de Auteursbond: ‘Van de opbrengsten van die abonnementen krijgen schrijvers maar heel weinig te zien’.

Om in een kleinere, deels digitale boekenmarkt te overleven, heeft schrijver Jongstra uit voorzorg zijn levensstijl versoberd. Af en toe denkt hij aan wat hij zijn ‘plan-Z’ noemt: ‘Ik heb een ruïne in de Franse Ardennen voor een appel en een ei gekocht. Daar zou ik kunnen gaan zitten. Maar ja, in de winter is het daar wel erg koud.’ Frank Westerman is minder somber, puttend uit zijn ervaringen met aankomende schrijvers bij Querido Fosfor: ‘Wanneer je een goed plan hebt en toegewijd bent kun je nog altijd een boekproject gefinancierd krijgen. Met onze literaire infrastructuur kunnen we ons gelukkig prijzen. Onlangs vertelde een Kroatische uitgever me dat in zijn land maar twee mensen van de pen kunnen leven. Denkend aan Kroatië mogen we in Nederland onze zegeningen tellen.’

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.