Leven ondanks de tijd

Toch zal de schrijfster het waarschijnlijk niet van belang hebben geacht, die leeftijdsvermelding. Niet omdat zij oud zijn iets verschrikkelijks vindt, maar omdat de buitenwereld – interviewers bijvoorbeeld – geneigd is er haar thema van te maken: van een 85-jarige wil je graag weten hoe zij aankijkt tegen aftakeling en naderende dood. Maar Hella Haasse praat liever over haar werk.

Wie haar werk kent, weet dat zij een mensenleven – of het nu twintig jaar duurt of negentig, of het zich ontrolde in de Romeinse keizerstijd of in de 20ste eeuw – toch al beschouwt als een flits in de tijd. Het is zo voorbij, een leven, maar al die individuele levens samen vormen een bewustwordingsproces, met vallen en opstaan.

Die eeuwige wederkeer van liefde en haat, macht en vrijheidsdrang, én de kleine sprongen in de geest die de mensheid maakt, zijn haar onderwerp, nu eens in een roman, dan weer in een essay of een documentair boek, en vaak in een mengeling daarvan. Ieder boek is een middel om te zoeken naar wat zich laat vermoeden onder de oppervlakte van de samenleving, in alle tijden.

Het mooie van deze autobiografische boeken (waaruit overlappende delen zijn weggelaten) is dat je er precies in kunt volgen hoe Hella Haasse te werk gaat. In Zelfportret als legkaart en Persoonsbewijs beschrijft zij voornamelijk herinneringen – aan haar paradijselijke jeugd op Java, de eenzame studententijd in Amsterdam tijdens de oorlog, de jaren als actrice –, Krassen op een rots is een verslag van het eerste bezoek, na dertig jaar, aan haar geboorteland, en in Een handvol achtergrond onderzoekt zij de invloed van 'Indië' op haar werk.

Dat boek eindigt met een bezoek aan de graven in Gambung van Rudolf en Jenny Kerkhoven, de hoofdpersonen in Heren van de thee. Daar liggen ze, de echte mensen wier leven zij 'gefictionaliseerd' heeft. 'Toen ik aan het boek werkte,' schrijft Haasse, 'ben ik met opzet niet naar Gambung gegaan.' Herinnering en verbeelding moesten het werk doen. Maar: 'Nu ontdek ik verrast dat het landschap tot in de details overeenstemt met de voorstelling ervan die ik jarenlang met me meegedragen heb.'

In deze boeken doet Haasse nog iets anders dan het genre dicteert: zoeken, beschouwen, analyseren. Dit is de werkelijkheid, en wat moet ik ermee? Welke rol spelen al die brokstukken van het verleden, de onlust in het alledaagse leven en de flarden geluk in het geheel? Wat is dat geheel? Die vragen meanderen door alle vier de boeken, maar steeds op een ander niveau.

Zelfportret als legkaart is te lezen als het verslag van een crisis, of liever, een manier om schrijvend uit de crisis te geraken. Het is 1954, Hella Haasse is 36, heeft een paar boeken gepubliceerd, waaronder de omvangrijke historische roman Het woud der verwachting, ze heeft twee jonge kinderen, maar ze weet niet hoe het verder moet. 'Wat wil ik, een serie fotografieën?' Nee. De onlust van een huisvrouw die wil schrijven – want dat was zij in de jaren vijftig; crêches waren er niet – bedekken met 'het narcoticum van de verbeelding'?

Al scharrelend door het huis, het afval samenvegend voor de schillenboer, dringt tot haar door welke kant het op moet. Zij mijmert over een boek over de mens door de eeuwen heen. Deze 'Elcerlyc' is 'kleuter in de prehistorie, kind in het oudste Egypte, knaap in Babylon, puber in Athene'– en nadat hij de reuzenpaddestoel boven Hirososhima heeft gezien, richt hij zich op het bewoonbaar maken van de planeet Terra.

Die roman schrijft zij natuurlijk niet. Maar het idee richt de blik voor haar verdere werk. Zij wil de 'verticale' beweging zichtbaar maken: 'niet een leven in de tijd (. . .) maar leven lós van de tijd, ondanks de tijd'. Bij dat zoeken naar het wezen achter de schijn mag álles meedoen: de kinderen die met rode wangen komen aanfietsen in de straat, de herinneringen aan verkleedpartijen met vriendinnetjes in Indië, en bespiegelingen over de rede die niet tot blind geloof in de ratio mag worden.

Dat is het prachtige aan deze autobiografie: Haasse maakt geen onderscheid tussen verheven en banale onderwerpen. Zij verplaatst zich soepel van het allerplatste naar de ijlste metafysica; in het patroon van de mat die zij veegt herkent zij het patroon van menselijke relaties, en die voeren haar weer naar de structuur voor een roman.

En het werkt. Alles in het leven krijgt zo betekenis. Zelfs het allerverdrietigste, de dood van een dochtertje, valt op een zinvolle plaats. Samen met haar man loopt zij in de tuin van het crematorium, met een rammelend busje in de hand. 'Ik zei tegen mijzelf: dit is mijn kind geweest, een klein warm lichaam, zacht haar, handjes, voetjes, een kloppend hart, een helder stemmetje. Er is niets van haar overgebleven dan een handvol as in een bus. Ik stond met die resten in mijn hand, mij bewust van het viermaands embryo van het andere, nieuwe kind in mij, niet bij machte dit alles te rijmen, maar evenmin in staat om het zinloos te vinden. Pijn en de sensatie van verlichting, in de dubbele betekenis van het woord, stroomden verblindend samen.'

In één glasheldere alinea de sprong maken van bittere werkelijkheid naar een open toekomst, dát is het verbluffende schrijverschap van Hella Haasse.

Hella S. Haasse: Het dieptelood van de herinneringen.
Querido; 432 pagina¿s; euro 16,95.
ISBN 90 214 6729 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden