Leven als spel, bloedserieus

Buurtkinderen kennen de nu 76-jarige als zwerver: Robert Jasper Grootveld, die volgens Remco Campert de jongeren van hun ketens bevrijdde....

Het Ughe, ughe, ughe – lied. De hoopvolle leus ‘Klaas kom!’ De weerzinwekkende ‘westerse asfaltjungle’ met zijn ‘misselijk makende middenstand’ die erop uit is ‘de verblinde consument van morgen’ te verleiden. Of de devote verering van de ‘God Jan Publiek’, de gelispelde Publicity-song, de ‘ludieke’ happenings, de Stille Omgang, het wittefietsenplan en de ‘deskundologie’. En o ja, niet te vergeten: ‘Gnot’.

Wie voor 1960 geboren is in Nederland, moet op zijn minst íets hebben meegekregen van deze rituele geheimtaal – de kranten stonden er vol mee. Er was een jongen in Amsterdam die deze begrippen rondstrooide, muntte en tot slogans maakte. Hij sprong energiek rond, in een wonderlijke uitdossing, in zijn eigen rooktempel waar hij ‘exhibities’ hield. Later trok hij drommen mensen met zijn optredens bij het beeldje van Het Lieverdje op het Spui in Amsterdam.

Deze jongen, Robert Jasper Grootveld, schudde de jongeren in de slaperige, naoorlogse hoofdstad wakker. Hij was de Anti-rookmagiër, en zijn voorspelling, begin jaren zestig geuit, dat Amsterdam een ‘Internationaal Magisch Centrum’ zou worden, kwam uit. Maar met de ‘lieve revolutie’ die hij beoogde werd het op den duur toch niks. De magiër zelf verdween uit beeld.

Hij leeft nog, 76-jaar oud, in een verzorgingshuis in Amsterdam. Buurtkinderen kenden hem als de schreeuwende, viezige zwerver Jasper, die alleen tegen kinderen aardig is. De kinderen weten van horen zeggen dat Jasper vroeger ‘een bekende schilder’ was.

Daar zat hij dan, begin deze eeuw, met zijn blikje bier, tegen de pui van Albert Heijn. De man die door kunstenaar Max Reneman ‘de eerste Nederlandse wijsgeer van het gesproken woord na Erasmus en Spinoza’ werd genoemd. Die voor de filmer Jan Vrijman ‘de eerste aanzegger van de internationale revolutiegeest’ was, die volgens Remco Campert, de jongeren van hun ketenen bevrijdde. De man over wie Freek de Jonge in 2005 zei ‘dat de twintigste eeuw niet in zijn geheel ongemerkt aan dit land voorbij is gegaan, is te danken aan één persoon, één man die dit land een totaal ander aanzien heeft gegeven, die alle verhoudingen door elkaar heeft geschud’.

Overdreven lof? Dat is moeilijk te zeggen. Op zijn minst was Robert Jasper Grootveld een opvallende, invloedrijke figuur, die door de geschiedschrijvers van de vorige eeuw tot nu toe over het hoofd was gezien. Totdat Eric Duivenvoorden (1962), die eerder schreef over de kraakbeweging en de kroningsrellen in de jaren tachtig, ontdekte dat Grootveld nog leefde. Hij zocht hem op, raakte geïntrigeerd en besloot zijn biografie te schrijven. Het onderwerp zelf werd zijn voornaamste bron; de biograaf voerde vele gesprekken met Grootveld, bij wie het verleden al pratende oprees uit nevels van alcohol.

Was hij een genie, of een raaskallende dorpsgek? Of misschien toch gewoon een kwajongen met een goed gevoel voor publiciteit? Wie Duivenvoordens goed gedocumenteerde levensverhaal heeft gelezen, kan daar eigenlijk geen goed antwoord op geven. Eigenlijk is dat al één verdienste van deze biografie; doordat het levensverhaal zwaar leunt op wat het onderwerp zelf kwijt wilde, is het geen eenzijdig, dichtgetimmerd verhaal geworden. Er rijst een persoon uit op die zichzelf enerzijds tot een voorspelbaar personage heeft gemaakt, maar die toch nooit helemaal te volgen is. Een leven waarin alles tot spel werd verheven, maar wel een spel dat bloedserieus moest worden gespeeld.

Duivenvoorden zocht grondig in archieven – van het Internationaal Instituut voor Sociale geschiedenis, van de kranten en omroepen, in persoonlijke verzamelingen – naar alles wat hij over de Magiër kon vinden en voerde gesprekken met oude vrienden van hem, zoals Roel van Duijn, Louis van Gasteren, Aat Veldhoen en Simon Vinkenoog. Zo kon hij Grootvelds vele anekdotes checken; hij betrapte hem nooit op een leugen.

Jammer is wel dat Duivenvoorden enkele belangrijke mensen uit Grootvelds omgeving niet meer kon spreken. De twee vrouwen in zijn leven waren al overleden toen hij zijn werk begon: Grootvelds vriendin Netty, een kunstenares die de maskers en stenen fluitjes voor de Lieverdje-happenings maakte maar zich uiteindelijk door een jonge huisvriend liet bezwangeren, en zijn vrouw Thea, die hem adoreerde tot hij aan de drank raakte. Jan Vrijman, die vergeefs een journalist van hem probeerde te maken, overleed in 1997.

En Gerard Reve, zijn laatste manlijke minnaar, is ook al niet meer. Zodat we nooit zeker zullen weten of het verhaal ‘De sadist’, Grootveld persoonlijk ter hand gesteld door Gerard van het Reve, om het te publiceren in zijn blaadje Rabarber, nu wel of niet van de grote volksschrijver is. Diens biograaf Nop Maas meent van niet, omdat Reve woorden als ‘veuls te hard’ nooit uit zijn pen zou hebben gekregen – sterk argument. Maar ook Duivenvoorden heeft een punt als hij schrijft: ‘Wie heeft zich anno 1960 zo in Gerards stijl verdiept dat hij of zij in staat was zich voor hem uit te geven?’ Reves roem was in 1960, na zijn mislukte Engelse avontuur en nog voordat hij zijn beroemde brievenboeken publiceerde, behoorlijk weggezakt. De vriendschap met ‘Robbie’ is hecht in 1960, maar wordt minder na Reves zeer slechte ervaring, met hallucinaties en wel, na het gezamenlijk roken van marihuana.

Wie hip of beroemd was in de jaren zestig in Amsterdam, of dat wilde worden, schurkte tegen de wonderlijk Robbie, later Jasper, aan – of hij tegen hen. Hij, rond zijn twintigste een Amsterdamse glazenwasser, is overal voor in, als hij maar aandacht krijgt. Een tijdlang was hij het vriendje van Wim Sonnevelds levensgezel Huub Janssen; hij inspireert Sonneveld tot zijn Willem Parel-creatie. Met Ramses Shaffy en diens vriendin laat hij zich naakt fotograferen tijdens een triootje. Hij is het manusje van alles van een galeriehoudster als Lucebert en zijn medevrienden in die galerie als Vijftigers triomferen en ze vinden hem grappig. Simon Carmiggelt loopt weg met zijn kinderlijke manifestaties, zoals rondvaren op zelf gebouwde vlotjes door de grachten en travestieshows waarbij Grootveld zelf ontworpen kleding draagt. Hij wordt meegesleept naar het befaamde vervallen landhuis Jagtlust in Blaricum, waar Fritzi ten Harmsen van der Beek resideerde en waar het altijd feest was, met gasten als Remco Campert, Cees Nooteboom en Gerard Reve. Hij speelt een rol in Harry Mulisch’ Amsterdamse jaren-zestigboek Bericht aan de rattenkoning.

‘Iedereen’ dweept met hem, maar hij hoort er in de intellectuele en artistieke kringen toch niet echt bij, deze ongeschoolde jongen uit Amsterdam-West. Hij heeft wel ‘gekke’ ideeën, en zijn onophoudelijke, associatieve woordenstroom doet briljant en surrealistisch aan, maar je moet met hem oppassen. Hij kan ook enorm doordraven en in woede uitbarsten.

Hij is een fenomeen, geen vriend. Als Grootveld wordt uitgenodigd voor een happening in Kopenhagen, wil hij wat kleren lenen van Harry Mulisch, die hem, nu ‘de rattenkoning’ zo goed loopt, wel wat verschuldigd is. De schrijver loopt langs zijn goedgevulde kledingwand en werpt de magiër wat ‘demodische’ stukken toe.

Deze scène is symbolisch. Want dit is de rode draad in dit uiteindelijk tragische levensverhaal: iedereen pikt, zolang het hem uitkomt, een graantje mee van Grootvelds geniale gekte, van zijn miraculeuze aantrekkingskracht en het vermogen deining te verwekken. Zo drijven ook de ‘provo’s’ Roel van Duijn en Rob Stolk een tijdje mee op de golven van Grootvelds verbeeldingskracht. Zij sluiten zich aan bij de ludieke bijeenkomsten bij het Lieverdje. Maar waar de boodschap van de Antirookmagiër vredelievend en absurdistisch was, zodat de politie een oogje toekneep raken de provo’s gretig slaags met het gezag, dat er lustig op los knuppelt. Grootveld keert zich er ontgoocheld van af.

Later zou hij nog als ‘duodocent’ worden uitgenodigd op een sociale academie, om zo de lessen van de echte docent op te fleuren. In de jaren negentig, toen hij zich helemaal had geworpen op het bouwen van grote eilanden van piepschuim, mocht hij managementcursussen verzorgen waarbij al bouwend aan teambuilding werd gewerkt.

Journalisten wisten hem altijd te vinden als ze nog om een leuk onderwerp verlegen zaten. Grootveld was altijd de vrolijke noot, het vleugje verbeelding. Maar na enige tijd lieten al deze intellectuelen hem vallen, als ze ontdekten dat het geen makkelijke jongen was en ze hem niet langer nodig hadden.

Grootvelds ideeën, voor zover je zijn visioenen en magische bezweringen zo kunt noemen, sluiten goed beschouwd geenszins aan bij het heersende linkse gedachtegoed van de jaren zestig en zeventig. Duivenvoorden laat zien dat Grootvelds ‘verhaal’ waaraan hij al orerend en orakelend voortborduurde, in de loop der tijd allengs meer gecompliceerd en tegenstrijdig werd, waarbij elementen uit zijn jeugd, zoals zijn voorliefde voor de verkleedkist, het geloof in Sinterklaas en zijn fascinatie voor heidense rituelen en bezweringen, een mythische rol gingen spelen.

Dat verhaal is opvallend apolitiek. Grootveld strijdt tegen het kankerverwekkende roken dat de wereld vergiftigt, en de zakken van de rijken vult. Om dezelfde reden vloekt hij op de vervuilende autoindustrie. Maar hij is helemaal niet tegen het gezag, de regenten of de politie – zijn grootvader was politieagent. Evenmin heeft hij een afkeer van het ‘kapitalistiese’ Amerika; integendeel, het is nog altijd het land van zijn jongensdromen. Hij propageert het roken van marihuana en heeft een tijdlang een levendige handel in plantjes – toch is hij is tegen het vrijgeven van deze drug. Als de handel in drugs in de handen van Amsterdamse volksjongens zou vallen, voorspelde hij glashelder, want hij kende dat slag goed, dan zaten we binnenkort met een gevaarlijke nieuwe penoze opgescheept. Intussen bleef hij kettingroken, wiet verbouwen en in zijn autootje rijden, rituelen van de ‘verslaafde consument’, die zo aantoonde in een lege, voze wereld te leven. Eigenlijk, vond hij zelf, was hij slechts een ‘ordinaire exhibitionist.’

Het meewerken aan dit boek, schrijft Duivenvoorden in zijn laatste hoofdstuk, zorgde voor een opleving in Grootvelds leven: ‘we zijn een boek aan het schrijven’. Bij de presentatie van Magiër van een nieuwe tijd was hij er uiteraard bij, genietend van zijn biertje en blowtje, onder het uitroepen van zijn favoriete mantra: ‘Wat hebben we het goed!’

Maar de Klaas-stoel, ruim veertig jaar geleden gemaakt van afval, bleef leeg, uit gepast ontzag. Want Klaas kan, anno 2009, nog altijd komen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden