Leiden op stelten

Met de expositie 'Dageraad van de Moderne Kunst' viert museum De Lakenhal in Leiden het 125-jarige bestaan. Een flonkerend overzicht van kunstzinnige nieuwlichterij in een 'duf-muffe stad'....

PAS VIJF jaar na de dood van Theo van Doesburg drong in Leiden het besef door dat De Stijl-kunstenaar enkele voor zijn carrière cruciale jaren in de Zuid-Hollandse universiteitsstad had geleefd. 'De man die zijn zwaren strijd had te voeren tegen gemis aan begrip en die in 1931 betrekkelijk jong in de leeftijd van 48 jaren overleed, vertoefde gedurende de oorlogsdagen te Leiden', schreef het Leidsch Dagblad bijna verbaasd. De krant leek, net als de Leidenaren zelf, uit een diepe slaap te ontwaken toen in 1936 de eerste Van Doesburg-overzichtstentoonstelling werd gehouden in het Prentenkabinet van de universiteit.

Van Doesburg stond in 1916 aan de wieg van de Leidse moderne-kunstvereniging De Sphinx. Hij had in 1917 het beroemd geworden kunsttijdschrift De Stijl mede opgericht. Hij had met Kurt Schwitters de Dada-beweging naar Leiden gehaald, maar Van Doesburgs wanhopige pogingen de moderne kunst in Leiden te verankeren waren na verloop van tijd domweg vergeten.

De nonchalante manier waarop Leiden met een van zijn beroemde voormalige ingezetenen omsprong, mag kenmerkend heten voor het culturele klimaat dat er tot aan de Tweede Wereldoorlog heerste. Leiden nam, om het vriendelijk uit te drukken, geen voorhoedepositie in bij de ontwikkelingen in de moderne schilderkunst.

Het was in cultuur opzicht een suffig stadje, maar op de expositie Dageraad van de Moderne Kunst is daar niet veel van te merken. Het museum De Lakenhal viert met deze tentoonstelling zijn 125-jarige bestaan. Er is een verrassend uitgebreid, flonkerend overzicht samengesteld van wat kunstenaars in Leiden en directe omgeving van 1890 tot 1940 hebben gecreëerd.

Grote namen - Van Gogh, Jan Toorop, Van Doesburg - hangen naast schilders met een zeer bescheiden oeuvre, zoals Jan Vijlbrief. Slechts een keer viel hem een retrospectief ten deel; zijn oeuvre, zeven schilderijen groot, werd kort na zijn zelfmoord in 1895 in zijn atelier tentoongesteld.

Het museum zocht in archieven en privécollecties naar bijna vergeten namen, duikelde correspondenties op en reconstrueerde zo hoe het modernisme Leiden binnensijpelde. De expositie, verdeeld over negen zalen, heeft een chronologische opzet. Dat maakt het de hedendaagse bezoekers gemakkelijk - bijna letterlijk ook - in de voetsporen te treden van degenen die ruim een eeuw geleden in de Lakenhal kwamen kijken naar de verrichtingen van stadsgenoten die (voorzichtig) naar nieuwe wegen zochten.

Floris Verster en Menso Kamerlingh Onnes behoorden rond 1890 tot de eersten die zich bevrijdden van de gangbare onderwerpen in de traditie van de Haagse school: boerderijen, dorpsstraatjes, strandtaferelen. Verster maakte, hoogst ongebruikelijk in die dagen, stillevens van dode dieren en van eenvoudige gebruiksvoorwerpen als kannen en oude flessen. Kamerlingh Onnes schilderde bloemstillevens, niet van fris-fleurige, maar van verwelkte boeketten. In heftige kleuren maakte hij het verval zichtbaar. Het leverde hem veel kritiek op, omdat hij in het spel met de kleuren de vorm van de bloemen zou hebben veronachtzaamd.

Verster en Kamerlingh Onnes behoorden tot de jonge Leidse kunstenaars die veelvuldig over de vloer kwamen bij Jan Toorop en Tachtigers-dichter Albert Verwey. Nadat de Beweging van Tachtig in Amsterdam in 1890 uiteen was gespat, week Verwey uit naar Noordwijk. Toorop vestigde zich in Katwijk. Hun villa's groeiden al snel uit tot ontmoetingsplaatsen voor kunstenaars die tijdelijk de rust van de kust opzochten.

Kijkend naar hun schilderijen kun je je voorstellen hoe die jonge kunstenaars elkaar bij Verwey en Toorop thuis opjutten, hoe ze zich laafden aan het werk van tijdgenoten als Ensor, Gauguin, Seurat, Bernard, Rodin en Van Gogh, hoe ze inspiratie vonden bij de grote voorbeelden uit het buitenland.

Jan Toorop was sinds 1885 een van de vaste twintig leden van de Brusselse kunstenaarsvereniging Les Vingt (onder wie ook James Ensor). Hij kwam als een van de eerste Nederlanders in aanraking met het pointillisme. In Leiden kreeg de 'stippeltechniek' een schare navolgers: de landschappen van Verster, Toorop, H. P. Bremmer (prachtige rood-blauwe Molen tegen een goudgelen lucht) getuigen ervan. En ook Morsweg van de door neerslachtigheid geplaagde Jan Vijlbrief. Boomtakken en rietstengels lijken door de wind heftig te bewegen, terwijl het water waarin ze spiegelen glad is. Het zou een voor het fin de siècle typerende verwijzing naar zijn geestesgesteldheid kunnen zijn.

De Lakenhal vervulde eind negentiende eeuw een spilfunctie in het exposeren van de nieuwe kunstuitingen. De progressieve directeur Cees Verster, broer van de schilder Floris, organiseerde een groot aantal exposities, tegen de verdrukking in. Hij moest werken 'in een zoo duf-muffe stad', volgens de catalogus, en op zijn hoede zijn voor opponenten.

Verster moest na vijf jaar het veld ruimen. Zo verloren de jonge kunstenaars een belangrijke medestander. Toch zou het nog lang duren alvorens ze zelf het heft in handen namen, en hun eigen exposities gingen organiseren. In 1916 werd de Leidsche Kunstclub De Sphinx opgericht. De Leidse architect J.J.P. Oud was voorzitter, Theo van Doesburg een van de gangmakers.

De eerste expositie van de Sphinx in de Harmonie (1917) is nu grotendeels gereconstrueerd in de Lakenhal. En zo wordt, eigenlijk in één oogopslag, duidelijk hoezeer het werk van de schoorvoetende vernieuwers en de avant-garde uiteen liep. Het is wonderlijk te zien hoe het kubistische werk van de Tsjech Emil Filla, die in 1914 bij het uitbreken van de oorlog uit Parijs vluchtte, de muren deelt met de brave bloemstillevens van Arend van Urk. Van Doesburg, aangestoken door Filla's kubisme, toonde er zijn eerste min of meer abstracte composities die hem later beroemd zouden maken, naast de 'slappe, duffe maar handige natuurcopieën', in Van Doesburgs woorden, zoals Geraniums van J. G. Kesler.

Dat Van Doesburg zich snel zou verwijderen van zijn Sphinx-clubgenoten, was vermoedelijk toen al te voorspellen. Al na de eerste expositie verlieten Van Doesburg en Oud De Sphinx met slaande deuren. Wanneer men ergens in Leiden de vlag van De Sphinx zou zien wapperen, schreef de schilder woest, 'dan kunt ge met een gerust geweten aannemen dat dit den dood symboliseert van het ideaal van een paar jonge en sterke mensen'.

Nog één keer zou Van Doesburg Leiden op stelten zetten. In 1920 was hij op reis in Duitsland in aanraking gekomen met het Dadaïsme. Drie jaar later, toen Dada eigenlijk al weer voorbij was, trachtte Van Doesburg Nederland met een 'veldtocht' tot Dada te bekeren. Op 14 februari 1923 deed hij samen met Kurt Schwitters de Leidse schouwburg aan. Van Doesburg gaf een uiteenzetting over de nieuwe kunststroming, terwijl Schwitters achterin de zaal blaf- en miauwgeluiden maakte. Dat laatste sprak aan: naarmate de bijeenkomst vorderde, gingen steeds meer aanwezigen honden en katten imiteren.

In de jaren erna ebde alle vernieuwingsdrang weg. De economische crisis diende zich aan, het nationaal-socialisme begon zijn opmars in Duitsland. De angst kreeg Europa in zijn greep, en kunstenaars klampten zich vast aan de veiligheid van de traditie. Ook die terugval wordt in de Lakenhal getoond - wie de laatste zalen betreedt, ondergaat de aanblik van de schilderijen als een koude douche. Dreigende, kale landschappen, een gebroken kan, een sober portret van een eenzame joodse balling (Dirk Nijland, 1939). Het naderend onheil is overal voelbaar.

Hoezeer de tijdgeest ook op de Leidse kunstenaars neersloeg, is het best te zien bij Harm Kamerlingh Onnes, zoon van een van de eerste Leidse modernisten Menso. Bij de eerste Sphinx-expositie in 1917 maakte hij furore met het uitbundige Galgewater, waarop de Leidse gracht wordt overspoeld door een vloedgolf van kleuren. In 1930 schilderde hij in zakelijke stijl Huizen in aanbouw, een bouwplaats onder een grauwe hemel. Geen metselaar te zien, en geen timmerman - de stagnatie verbeeld in een desolaat landschap.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden