LEGENDEN EN HAMBURGERS

De IJslander Dagur Kári, uit een land zonder arthouses, wilde met Dark Horse een film maken die allesbehalve typisch IJslands was....

De mannen op IJsland dragen hun muts anders. Niet los op het hoofd, maar strak naar beneden getrokken - recht over de oren. Als een theemuts. Noí, de hoofdpersoon uit Noí Albínoí (2003), draagt zijn hoofdbescherming op die manier, en ook regisseur Dagur Kári (1973) heeft zijn muts kaarsrecht naar beneden getrokken wanneer hij de oude haven van Reykjavik in loopt. Dikke vlokken sneeuw bedekken de weg en de scheepswerf, en postbodes slepen handenwrijvend zakken vol enveloppen vanuit een verbouwd schipperskwartier hun gele postwagen in.

'Dit is mijn favoriete plek in Reykjavik', zegt Kári. 'De gebouwen, de schepen op het droge - het heeft iets verwachtingsvols.' Alleen is er van bedrijvigheid geen enkele sprake. 'De haven is verplaatst. Dit gebied zal binnenkort verdwijnen. Er komen luxe appartementen met uitzicht op het water. Zoals overal in de wereld.'

Kári's boodschap is duidelijk: wie in Reykjavik op zoek gaat naar authenticiteit, komt bedrogen uit. Ook op IJsland maken lokale tradities plaats voor universele waarden. 'Ik zie alleen nog maar mensen om me heen die werken, werken en nog eens werken. Het kapitalistische ideaal. Iedereen zit zo diep in de schulden dat er voor plezier maken geen tijd meer rest. De stereotiepe IJslander, die drinkend de elementen te lijf gaat, bestaat bijna niet meer.'

Van IJsland bestaat een helder, hardnekkig beeld. Een beeld waarin het woeste landschap een grote rol speelt, evenals de IJslanders zelf - afstammelingen van Vikingen die hun isolement, ver weg op dat eiland, verdringen met wodka en luide muziek.

Wie wel eens een film heeft gezien van Fridrik Thor Fridriksson (Devil's Island, 1996), Baltasar Kormákur (101 Reykjavik, 2000) of Oskar Jónassón (Sodoma Reykjavik, 1993) zal IJsland vooral associëren met werkloze types, die nachtenlang door het centrum van Reykjavik dwalen om tegen het ochtendgloren te constateren dat geluk zoiets is als de mogelijkheid om toch nog een rondje te bestellen. De meest noordelijke hoofdstad ter wereld, op drie uur vliegen van Amsterdam, is in IJslandse films een stad vol dadendrang; de behoefte iets van het leven te maken is er bijna tastbaar. Tegelijk blijft Reykjavik ook een provinciestadje met zo'n 130 duizend inwoners, vergroeid met de wereld eromheen: met de vulkanen, de lavavlakten en de geisers.

Typisch IJslands? Kári werpt nog maar een blik op de roestige boot in het dok en zucht diep. Toen hij met zijn debuutfilm Noí Albínoí - over een onaangepaste jongen die grotendeels onder de grond leeft - op het filmfestival van Rotterdam de jongerenprijs in de wacht sleepte en vervolgens van Denver tot Gijón werd overladen met onderscheidingen, kreeg hij steeds weer die ene vraag te horen: of hij net als Noí zo'n typische IJslander is? Zo'n eilandbewoner, die altijd zijn oerdriften volgt en niets moet hebben van regels en codes?

'Overal in de wereld werd mij verteld dat Noí een echte IJslander is. Vanwege zijn onaangepaste gedrag. Vanwege zijn keuze buiten de maatschappij te blijven.' In IJsland kreeg hij het tegenovergestelde te horen. Daar vonden ze de film juist niet IJslands genoeg. 'Ik had in Bolungarvik gedraaid, op negen uur rijden van Reykjavik. IJslanders spraken me erop aan dat er geen enkele visser in de film zat. Terwijl dergelijke dorpen helemaal van de visserij leven.'

Na het succes van Noí Albínoí wilde Kári zo snel mogelijk een tweede productie maken. Die kans kreeg hij van de Deense productiemaatschappij Nimbus, die hij kende uit zijn studietijd aan de Filmacademie van Kopenhagen. Dark Horse moest helemaal anders worden dan zijn eersteling, zo vertelt Kári in het etablissement Grái Kötturinn (De grijze kat). De regisseur beveelt de bagel met eieren en spek aan en wijst vrolijk op de voetbalportretten aan de muur - het werk van een lokale kunstenaar die tevens de kroeg uitbaat. 'Ik wilde een film maken zonder een afgerond, alles sturend verhaal. Een verzameling invallen, visuele vondsten en ideeën. Dark Horse is een poging de levenslust en de vrijheid van de Franse en Tsjechische nouvelle vague uit de jaren zestig te vangen. Om die reden is de film ook in zwart-wit gedraaid.'

Dark Horse speelt zich niet op IJsland af, maar in Kopenhagen. De personages zijn ditmaal hedendaagse Denen. Toch zijn de overeenkomsten met Noí Albínoí nadrukkelijk aanwezig: de film herbergt hetzelfde opgetogen surrealisme als Kári's voorganger, ook is er weer de door Kári's tweepersoonsband Slowbow gemaakte muziek, en de hoofdpersoon is wederom iemand die halsstarrig weigert zich aan te passen. Daniel, die wat aanrommelt als graffitikunstenaar, heeft niet eens een sofinummer. Kári, minzaam: 'Daniel is een Deen. Ik dacht: dan zal er niemand zijn die hem typisch IJslands gaat noemen. Niets is minder waar. Ook nu krijg ik op filmfestivals te horen dat zijn isolement een neerslag zou zijn van mijn IJslandse psyche.'

Na zijn studie in Kopenhagen besloot Kári naar Reykjavik terug te keren, omdat er ondanks het gebrek aan geld veel mogelijk is. De reeks successen van IJslandse films in het internationale festivalcircuit heeft volgens hem te maken met de spirit die door zijn woonplaats waait. 'Hier zijn de lijnen kort. Iedereen helpt elkaar. Als ik nu op het kruispunt hier om de hoek wil draaien, dan is dat binnen 20 minuten geregeld. In elk ander land moet er eerst een officiële aanvraag worden ingediend. In drievoud.'

De stroom van IJslandse films heeft niet alleen met die praktische situatie te maken. 'Er is meer. Iets met de mythologische kwaliteiten van deze omgeving. IJsland is een land van sagen en legenden. Die worden van generatie op generatie doorverteld. Die sprookjeswerelden zijn onderdeel van ons systeem, en daarmee van onze films. IJslanders zijn verhalenvertellers, maar met realisme hebben ze niet veel op. Aan de andere kant: voor het liefdesverdriet van Páll in Fridrik Thor Fridrikssons Angels of the Universe hoef je geen IJslander te zijn om het begrijpen. Iedereen kent dat gevoel.'

Kári werkt intussen aan zijn derde productie die in Amerika wordt opgenomen. Al een jaar wacht hij op het definitieve ja-woord van de door hem beoogde hoofdrolspeler - een beroemde filmster wiens naam nog niet genoemd mag worden. De agent van de acteur werkt tegen. Kári: 'Ik weet dat de acteur graag wil. Omdat hij mijn films kent, en zich goed voelt bij mijn stijl van werken. Maar bij die agent leeft iets van: een IJslandse artfilmer? Is dat wel goed voor het cv? Die vindt het blijkbaar een gevaarlijk, exotisch experiment.'

Dat hij zijn blik toch weer op het buitenland heeft gericht, heeft te maken met de 'treurigstemmende filmcultuur' in IJsland. Daarmee doelt hij op de kwaliteit van het aanbod. De IJslandse bioscopen zijn in handen van twee exploitanten die voornamelijk grote Amerikaanse producties vertonen. 'Altijd dezelfde formulefilms. Week in. Week uit. En vergeet niet: er zijn hier geen arthouses. Dus krijg je als filmmaker steeds meer te maken met mensen die geen notie hebben van wat er met film zoal mogelijk is.'

Vorig jaar is, op initiatief van Kári, het Reykjavik Film Festival nieuw leven ingeblazen, met als doel kleine, onafhankelijke titels te vertonen. De interesse was groot. 'Er is nog altijd een generatie die graag naar auteurfilms kijkt. Alleen: hoe lang nog? Buiten het festival is er geen plek waar dat soort films aan bod komt. Ook niet op de tv. Die houdt het bij aangekochte successeries uit Amerika.'

Plotseling staat Kári op. Een jonge man aan het belendende tafeltje, luid schreeuwend in zijn mobiele telefoon, wekt bij hem irritatie op. Bad vibes. Hij weet nog wel een 'interessante plek', zegt hij. Na een wandeling van tien minuten blijkt dat een hamburgerrestaurant te zijn, niet veel groter dan een bushalte. Prima broodjes, een mooie zaak, stelt Kári tevreden vast. 'De eigenaar is hier jaren geleden begonnen. Daarna is hij met een keten van restaurants en bedrijven schatrijk geworden. Dat fortuin is na verkeerde investeringen compleet verdampt. Nu staat hij weer hier achter de bakplaat.'

Zo'n verhaal - dáár kan Kári iets mee. 'Ik zie meteen een grappig beeld voor me. Dat schrijf ik dan op, of ik verzin er muziek bij. Zo ontstaan mijn films. En zo hoop ik het ook vol te houden. Intuïtief. Los van economische toestanden. Los van praatjes over kassaopbrengsten en winstmarges.'

In Dark Horse is een grote rol weggelegd voor Kári's eigen Fiat 600. 'Die auto gebruik ik in mijn dagelijks leven als een soort jas. Ik ben echt verliefd op de Fiat 600. Een stijlicoon. In mijn systeem is het onvermijdelijk dat hij dan niet in mijn werk terecht komt.' De recensie staat op pagina 30. Dark Horse draait vanaf vandaag in vier zalen. Zie ook www.cinema.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden