'Laten we Erasmus zijn avontuurtjes gunnen'

Uit nieuwsgierigheid waagde Theo Steens zich elf jaar geleden aan de vertaling van een brief van Erasmus. Inmiddels voltooide hij deel vijf van de verzamelde correspondentie van de Rotterdamse geleerde, die uiteindelijk 22 delen zal omvatten....

Dit, zegt Theo Steens, typeert Desiderius Erasmus, humanist, schrijver, filosoof (ca. 1467-1536). Hij slaat een boekwerk met gebundelde brieven open, loopt naar het huiskamerraam en leest voor in het licht van de late winterzon:

‘Er is inderdaad iets Attisch in mijn verzen. (...) Ze onthouden zich geheel en al van heftige gemoedsuitstortingen, die men passie noemt. In mijn verzen geen stormen, geen bruisende stromen die de oevers overschrijden. (...) Zij kabbelen liever langs de kust, dan dat zij zich laten meeslepen naar de volle zee. (...) Geen enkele opschik, maar de natuurlijke kleur en zelfs die nog – wat kan ik eraan doen? – enigszins verschoten en grauw als een wezel.’

De citaten uit een brief van Erasmus aan zijn vriend Johan Sixtinus volgen op de vraag of Steens een ontwikkeling in karakter en stijl van Erasmus heeft kunnen waarnemen, na vijf kloeke delen in chronologie vertaalde correspondentie van de augustijner monnik. Hij klapt het boek dicht. ‘Niet echt, dus. Dit is hem ten voeten uit. Erasmus is altijd zichzelf gebleven. Spits, razend intelligent, maar nooit flamboyant of pathetisch, eerder wat afstandelijk.’

Steens’ perceptie weegt. Hij heeft op z’n minst enige kijk verworven op de inborst van de op vier na Grootste Nederlander aller tijden (verkiezingen in 2004). Vanaf 1997 heeft hij zich op de zolder van zijn woning in Krimpen aan den IJssel gewijd aan het omzetten uit het Latijn naar het Nederlands van brieven die Erasmus verstuurde en ontving; de verhouding ligt ruwweg op 60 tegen 40 procent. Het zijn er 3141 in totaal, verzameld, gerubriceerd en becommentarieerd door de Oxfordse classicus Percy Stafford Allen, die zijn levenswerk rond 1900 uitgaf onder de titel Opus Epistolarum Des. Erasmi Roterodami. Nadien doken er nog spaarzaam geschriften in Leipzig, Rome en Brussel, maar Steens verwacht niet dat er nog veel bij komt. ‘Dit moet het wel zijn, zo’n beetje.’

De vertaler, 74, is nog lang niet halverwege. Zojuist is deel 5 verschenen van De correspondentie van Desiderius Erasmus, Brieven 594-841, uit de jaren 1517 en 1518, toen Erasmus internationaal naam had gemaakt en zich in Leuven vestigde. Een reeks van 22 delen is voorzien, maar Steens zal het monnikenkarwei niet afmaken; zijn vrouw tobt met haar gezondheid. Inmiddels heeft de uitgever, Ad. Donker in Rotterdam, latinisten voor de delen 6, 7 en 8 aan het werk gezet. Het pionierswerk op de Krimpense zolder is niet onopgemerkt gebleven: sinds oktober mag Steens zich ereburger van Rotterdam noemen.

Hij heeft vele uren plezier beleefd aan de brieven, vaak ging hij door tot diep in de nacht. ‘Je krijgt op deze manier echt van binnenuit zicht op de geschiedenis. Uit eerste hand kom je te weten hoe het er destijds aan toeging. Het is ongelooflijk met hoeveel vooraanstaande figuren uit die tijd Erasmus correspondeerde: staatslieden, kerkvorsten, geleerden uit Engeland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Polen, Hongarije, Spanje. En het is toch bijzonder als je leest dat zijn vriend Thomas More in een brief Erasmus bedankt voor een schilderij van Quinten Matsys, een diptiek dat ik hier zelf in het Museum Boijmans Van Beuningen heb zien hangen.’

Zijn beeld van de man, in eerste aanleg alleen gebaseerd op schilderijen en prenten, is dan ook veranderd. Erasmus was aanvankelijk vooral die stille geleerde met baret en opgestoken kraag die achter zijn schrijftafel in zekere eenzaamheid zijn geschriften produceerde. ‘Maar hij stond wel degelijk midden in de tijd. Hij was een netwerker avant la lettre.’ Onjuist waren de afbeeldingen trouwens niet: Erasmus droeg steevast hoofddeksels omdat hij doorgaans in steenkoude vertrekken verbleef. Van haardvuur kreeg hij hoofdpijn.

Voordat Steens aan het titanenwerk begon, ontbraken zowel de filosoof van de Renaissance als het Latijn nagenoeg op zijn levenspad. De klassieke talen behoorden weliswaar tot het pakket op het gymnasium, maar een studie Frans mondde uit in een leraarschap, telkens op scholen in Erasmus’ geboortestad Rotterdam; de laatste school was zelfs het Erasmiaans gymnasium.

Nadat er om gezondheidsredenen een voortijdig einde kwam aan het bestaan voor de klas, begon hij zich meer te verdiepen in geschiedenis, en stuitte daarbij op Erasmus. Hij las diens Lof der Zotheid, waarin wetenschappers, onderwijzers, hovelingen maar vooral de clerus er van langs krijgen. ‘Een meesterwerk.’ Toen hij bij een antiquariaat in Leiden de 12 delen van P.S. Allen zag staan, heeft hij maar even getwijfeld – ‘2000 gulden was een heel bedrag’.

Het was vooral nieuwsgierigheid die hem aan het vertalen zette, met twee woordenboeken en twee grammaticahandleidingen op het bureau als instrumentarium. Was het moeilijk, zo’n klus als niet-classicus? ‘Het viel eerst niet mee, moet ik zeggen. Ik heb vaak gedacht: waar ben ik aan begonnen? Waar gaat dit in godsnaam over? In het Frans, Engels of Duits begrijp en beleef je de teksten al vaak zonder ze te vertalen. Maar in het Latijn is me dat niet vergund. Al in de eerste brief bleven tal van vragen openstaan. En zo ging het verder, naar brief 4, naar 5, en altijd die open eindjes. Pas bij brief 100 ben ik eens gaan teruglezen, en toen bleek het mogelijk veel alsnog in te vullen. Je begreep verbanden, verwijzingen, gebeurtenissen. Het werd toen gewoon ontzettend leuk werk.’

Nooit, leerde hij, moet je als vertaler iets voetstoots aannemen. ‘Ave’, dat is wees gegroet, daar dacht hij wel vanuit te kunnen gaan. Totdat hij ontdekte dat ‘Ave’ ook de vocativus (zesde naamval) van ‘Avus’ is, oom. ‘Sella’, dat moest wel zadel zijn. Totdat Erasmus er gewag van maakte dat hij zijn meubels in Leuven liet opslaan, en in die notitie waarin ook tafels voorkomen, moest ‘sella’ wel de betekenis krijgen van zetel of fauteuil.

Steens volgde enkele jaren cursussen op het gebied van de klassieke oudheid. Toen hij een paar vertaalde brieven aan de docente toonde, spoorde zij hem deze te gaan publiceren. Alleen Donker, die al meer boeken over Erasmus op zijn naam had staan, was bereid de voltallige correspondentie uit te geven, en stelde een begeleidende redactieraad samen. ‘Hoe ik die nuttige en terechte opmerkingen die per mail binnenkwamen in al die verschillende brieven moest verwerken, daar kreeg ik pas echt het lazarus van.’

Met het fileren van de correspondentie ontstaat een zekere verwantschap met Erasmus, in de ogen van Steens op de eerste plaats een filoloog die probeert de klassieke teksten, misvormd door talloze kopiisten en niet-deskundigen, in hun oorspronkelijke zuiverheid te herstellen; de pas uitgevonden boekdrukkunst dreigde al die fouten nog eens te bestendigen.

De brieven van het vijfde deel vallen samen met de periode dat Erasmus in Leuven werkt aan de herziening van zijn eerdere uitgave van het Nieuwe Testament, een niet ongevaarlijke onderneming daar de Vulgaat van Hiëronymus als onaantastbaar gold. Zo had hij het abstracte verbum, woord in de opening van het Johannes-evangelie – in den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God – vervangen door het concretere sermo, preek of gesprek. Onder een storm van protest trok hij dit overigens later weer terug.

Steens is de bastaardzoon van een priester allengs meer gaan bewonderen. Zijn eruditie, het verzet tegen dogma’s en onverdraagzaamheid in de kerk, zijn scherpte, zijn analyses, zijn compassie met het gewone volk dat het meest onder de oorlogen had te lijden, zijn branie – ‘De manier waarop hij met al die prominenten omgaat, is verbazingwekkend. Hij is dertig jaar en nog nauwelijks bekend als hij een brief schrijft aan de toekomstige Hendrik VIII, waarin hij vorsten op de korrel neemt die zich laten inpakken door geschenken van sierstenen en goud en zich weinig aantrekken van de letteren; en dat allemaal op een toon alsof hij tot zijn gelijke spreekt.’

Maar hij heeft geen aanleiding gezien geheimzinnig te doen over de bij een tolerante denker niet zo voor de hand liggende anti-joodse opvattingen, die in deel 5 zijn opgetekend. De begeleidende redactieraad wijst in een noot op weergave van kwetsende uitlatingen, zonder er overigens commentaar bij te leveren; antisemitisme was wijdverbreid in de zestiende eeuw, Erasmus was naast geleerde en vrijdenker ook een kind van zijn tijd. ‘De uitspraken zijn betreurenswaardig’, zegt Steens. ‘Misschien moeten we ze toeschrijven aan zijn pacifisme en zijn angst dat de christelijke godsdienst verscheurd zou raken en dat bloedige oorlogen het gevolg zouden zijn. Dat was uiteindelijk zijn grote nachtmerrie.’

Helemaal doorgronden kan Steens Erasmus nog niet. Uit verregaande aanhankelijkheidsbetuigingen aan het adres van een medebroeder uit het klooster in Stein – de liefde wordt niet beantwoord – is bijvoorbeeld een homoseksuele geaardheid op te maken. In latere briefwisselingen duikt geregeld genegenheid voor leerlingen op. Maar Steens is er niet zeker van. ‘Het ligt voor de hand, misschien, in het kloosterleven. Maar in zijn latere leven was hij zo overstelpt door werkzaamheden en zo vaak ziek dat het onwaarschijnlijk is dat hij grote liefdes heeft gehad.’

Bovendien bevat Lof der Zotheid een aanwijzing dat Erasmus niet ongevoelig was voor charmes van de andere sekse: op een spotprentje van Holbein de Jongere stapt de humanist op de markt in een mandje met eieren nadat hij zich had omgekeerd om een vrouw na te kijken. ‘Laten we deze grote man dus maar zijn avontuurtjes gunnen.’

Steekt het hem dat de meeste Rotterdammers inmiddels denken dat Erasmus de ontwerper was van de Erasmusbrug over de Maas? ‘Ach nee. Ik wist laatst ook niet zou gauw Bep van Klaveren te plaatsen. Waarom zou je dat iemand kwalijk nemen?’

In zijn afscheidswoord in deel 5, schrijft Steens dat ‘hij aan het eind van zijn Latijn is gekomen’. Hij dankt alle betrokkenen en troost zich met de gedachte dat ‘uiterst competente personen’ zijn plaats hebben ingenomen. Inmiddels is hij, in alle stilte, wel aan deel 9 begonnen. ‘Ik heb nog wat tijd over. Ik kan het niet laten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden