Review

Late Rembrandt in Rijksmuseum: terug naar de wereld in Rembrandts hoofd

Was de oude Rembrandt van Rijn nog fris genoeg om nieuwe visies en technieken te ontwikkelen? In de tentoonstelling Late Rembrandt zijn nu zijn laatste belangrijke werken in het Rijksmuseum verenigd: de compositie zo goed als compleet.

Zelfportret met twee cirkels, 1659-60. Kenwood House, London. Beeld The Iveagh Bequest, Kenwood House, London

Een van de verrassingen op de tentoonstelling Late Rembrandt is een schilderij uit Minneapolis dat een scène uit het diep tragische verhaal van Lucretia voorstelt; de Romeinse vrouw werd verkracht door de zoon van de koning en kon, o onwaarschijnlijk scheve eerwetten, niet verder leven met de last van haar ontering. Het schilderij, gemaakt drie jaar voor Rembrandts dood, is een combinatie van oneindig diep verdriet en grove, bijna wilde verfstreken. Twee dingen die ogenschijnlijk niet veel met elkaar te maken hebben, maar toch, als je ervoor staat, alles.

Lucretia heeft zich al dodelijk verwond. Ze leeft nog net, zoals ook de activiste Shaima al-Sabbagh op de schokkende foto van afgelopen 24 januari die de wereld overging; zojuist in het gezicht geschoten door Egyptische agenten op het Tahrirplein, heeft haar geest het lichaam nog net niet verlaten. Een diepe, verwarrende pijn; Lucretia's ogen verraden een gebroken hart, geen woede, eerder ongeloof. In haar linkeroog welt uit de schaduw een traan die de rand van haar ooglid net niet overvloeit, op haar lippen lijkt al bloed te liggen. Haar witte hemd en het mes in haar handen zijn bebloed - het enige echte rood in het schilderij. Hoe kan een kunstenaar zich zo inleven in een stervende vrouw, dat met verf verbeeld krijgen en tegelijk de indruk geven dat het in één kort moment is ontstaan? Is dit dan die 'late stijl' waarnaar de tentoonstelling in het Rijksmuseum in Amsterdam genoemd is, deze combinatie van empathie en grove techniek die de onderwerpen zo'n acute en urgente indruk geven?

Het kunstblad Apollo Magazine had vier maanden geleden, bij de opening van Late Rembrandt in de National Gallery in Londen, een artikel met het prachtige Dylan Thomas-citaat The Dying of the Light als kop, vergezeld met de vraag: Does late style mean great style? Een zeer terechte vraag, die je in het overtrokken applaus dat voorafgaand aan deze tentoonstelling al geklonken heeft, bijna zou vergeten te stellen.

De Lucretia, 1666. Beeld Minneapolis Institute of Arts

Goede stijl?

Is late stijl eigenlijk wel goede stijl? Gaat een kunstenaar niet eindeloos zijn trucjes herhalen, op z'n Herman Broods zeg maar, omdat hij er ooit succes mee had? Is een schilder nog fris genoeg om nieuwe visies en technieken te ontwikkelen, kan hij de mode die in zijn jeugd bestond wel loslaten en, eerlijk gezegd, heeft hij er de kracht nog voor om met eindeloos geduld voor zijn ezel te staan zwoegen? Zelfs de oude literatuur is hierover verdeeld. Kunsthandelaar Nicolò Stoppio waarschuwde in 1568 zijn cliënt hertog Albert V voor de grove, late stijl van Titiaan - vergelijkbaar met die van Rembrandt. Hij weet het aan de achteruitgang van Titiaans ogen en het zwakker worden van zijn hand; oude kunstenaars kunnen geen strakke lijnen meer zetten.

Kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari schrijft datzelfde jaar dat Titiaan er beter aan had gedaan zijn goede reputatie van de vroege jaren niet teniet te doen met dit latere werk, waarin zijn natuurlijke kracht is afgenomen. Rembrandt was onder de indruk van Titiaan, dat is bekend, maar Titiaan werd 87, Rembrandt 63. Kun je het werk van een kunstenaar die op zijn 44ste anders gaat schilderen een 'late stijl' noemen?

Toch is er onmiskenbaar iets aan de hand na 1650 met Rembrandt, zo veel laat de tentoonstelling wel zien. Niet álle schilderijen zijn 'los' geschilderd, Catrina Hooghsaet (1657) bijvoorbeeld is fijn en gedetailleerd als zijn vroege werk. Maar Rembrandt kon switchen tussen stijlen, afhankelijk van onderwerp en opdrachtgever - een inzicht dat kenner Ernst van de Wetering in zijn onlangs verschenen laatste Corpus-deel uiteenzet. Zo vet als Rembrandt de verf met een paletmes op het doek smeerde, zoals in de prachtige wijde mouw en het hemd van Lucretia, werkte hij slechts in drie schilderijen (naast Lucretia in Het Joodse bruidje, en het Familieportret uit Braunschweig).

Het is een gewaagd experiment van de kunstenaar op het toppunt van zijn 'losse' schilderstijl. Belangrijker nog is dat deze techniek helemaal niet 'spontaan' of gehaast is; om de verflagen zo op te bouwen als Rembrandt in Lucretia's mouw deed, moet je elke laag dagen laten drogen. Dat waren er zeker drie; op de gele lagen van de mouw werd met een mes bruine 'glacis' (transparante verf) aangebracht.

Presentatie in de tempel, 1669. Beeld Nationalmuseum, Stockholm

Presentatie in de tempel

Het was misschien Rembrandts laatste schilderij: de Presentatie in de tempel (1669), in bezit van Nationalmuseum Stockholm). De tentoonstelling sluit af met dit verhaal van rust en verzoening. De oude Simeon, die ooit van God geopenbaard kreeg dat hij pas zou sterven als hij de Heiland had gezien, krijgt een baby'tje in zijn armen. Hij kan het niet zien want hij is blind geworden en durft het bijna niet te dragen als hij zich realiseert dat dit de Messias is. Net als in andere werken is er een keerpunt in te zien; de rust die over iemand komt na een zware periode. Rembrandt deed dit ook in een tekening met Jezus, die na zijn zwaarste strijd van eenzaamheid, vlak voor zijn dood, omarmd wordt door een engel en dan uitgeput ontspant. 'Nu laat gij, Heer, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord', zegt Simeon als hij de baby in zijn armen heeft. Rembrandt sterft in oktober 1669. Dit schilderij stond onaf in zijn atelier.

Sprezzatura

Het spontane effect is dus met veel moeite en kennis verkregen. Deze sprezzatura - het zo moeiteloos mogelijk laten lijken van de voorstelling - is een van de kenmerken van al het werk van de 'late' Rembrandt, op verschillende manieren toegepast in zijn schilderijen, etsen en ook tekeningen, zoals te zien in de heerlijk los neergezette tekening van een slapende jonge vrouw (1654) uit het British Museum. 'Uitgevoerd met forse streken, afgewerkt met een bijna lompe veeg van de kwast', schreef dezelfde Vasari verderop over Titiaans late werk, dat hij opmerkelijk genoeg tóch prachtig vond, mede omdat 'het de inspanning verhult'. Alleen wie alle technieken zó beheerst dat-ie erboven staat, kan de indruk van argeloosheid en urgentie wekken. De vrijheid van een groot kunstenaar. Maar lang niet in alle tijden even gewaardeerd; vergeet bij het bezoeken vooral niet dat Rembrandts werk in de 18de eeuw weinig waard was en dat toen juist de precieze, romantiserende kunst van Nicolaes Berchem, Jan Both en Philips Wouwerman grote bedragen opbracht. Smaken verschuiven en blijkbaar hebben we nu iets met de geladen composities van Rembrandt. Blijkbaar is het weer tijd om de empathie gewicht te geven, de waaier van emoties die in een enkele persoon gevat kan zijn. Ga dus vooral kijken met een open blik; simpele adoratie kan inleving en begrip slechts in de weg staan.

In het Rijksmuseum is, in tegenstelling tot de wereldwijd gelauwerde tentoonstelling in Londen, de nadruk op de technische beheersing van Rembrandt iets groter. Zalen zijn ingedeeld naar geestesgesteldheden als 'Intimiteit', 'Verzoening' en 'Innerlijk conflict', naast zalen die gericht zijn op techniek: 'experimentele techniek' en 'licht'.

In Londen lag de nadruk vrijwel volledig op de grote empathie die de kunstenaar in staat stelde niet alleen emoties te verbeelden, maar ook nieuwe vormen te vinden voor platgetreden kunsthistorische onderwerpen. Kortom: hij begreep de mens. Zoals te zien in de ets van de Aanbidding van de herders: een overbekende voorstelling, die Rembrandt een compleet nieuwe invulling geeft: nooit eerder was Maria zo vermoeid, de post-bevallingroes is in haar uitgeputte, bijna verwilderde blik te lezen. Ze ligt te rusten naast het pasgeboren kind en merkt het nachtelijke kraambezoek nauwelijks op. Deze benadering laat zien hoezeer techniek en emotionele lading samenvielen in Rembrandts late werk; verschillende kunstwerken hadden ook onder een ander thema een zaal verderop kunnen hangen.

De ruimten met daglicht van de Philipsvleugel doen de schilderijen goed, beter dan de kelders in Londen. Al is de Amsterdamse tentoonstelling ook wel iets afstandelijker vanwege de grote zalen met enorme wanden waarop de schilderijen wat kleiner ogen dan in de meer volgehangen National Gallery.

Titus aan de lezenaar, 1655. Beeld Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam

Pas de deux

In verschillende zalen in het Rijksmuseum zijn harmonieuze pas de deux te zien van werken, zoals het Joodse bruidje en het enige familieportret dat Rembrandt schilderde, beide uit 1665. Dat is het mooie van tentoonstellingen van deze klasse; je krijgt de kans belangrijke werken verenigd te zien en te kijken wat dat doet. Niet alleen lijken de twee vrouwen in deze schilderijen enorm op elkaar (maar zijn ze niet dezelfde, wat de indruk geeft dat er, net als bij Charley Toorop, toch zoiets is als 'het' Rembrandt-gezicht), de vrouwen maken een prachtige gelijke beweging met hun armen, gestoken in de wijde mouwen van een fantasiekostuum. De bewegingen worden gespiegeld door de mannen en de rijke stoffen van hun kostuums, en door de vorm van de verfstreken, zodat je iets ziet wat lijkt op de perfect getimede dans van twee kunstschaatsduo's. Het beweegt, het leeft, de intimiteit tussen deze figuren, de zachtheid waarmee ze elkaar aanraken en die suggereert dat ze elkaars kwetsbaarheid kennen en respecteren. Deze zaal is in zijn geheel een warme compositie; Jan Six' indringende, bijna uitdagende blik is er ook te zien, net als de kleine, in gedachten verzonken Titus aan de lezenaar en het portret van een aandachtig lezende vrouw; een ode aan het lezen zelf en de intimiteit van het alleen zijn met de wereld van een boek. Ook hier wordt zichtbaar hoe Rembrandt de mens echt zag: een licht opgetrokken wenkbrauw verraadt de aandacht van de vrouw voor het boek, de in zichzelf gekeerde blikken van Titus en het Joodse bruidje maken de figuren volledig autonoom. Alsof we ze per ongeluk zien, in hún ruimte. Op deze manier zijn veel zalen als een klassiek muziekstuk - de schilderijen horen bij elkaar, ze corresponderen. Het geldt ook voor de burgers aan het begin; Jacob Trip en Margaretha de Geer (1661), die met evenveel kracht haar zakdoek vastgrijpt als de sterke, alleenstaande Catrina Hooghsaet (1657), die met evenveel elegantie haar kostuum draagt als de dame met zachte witte kraag en slechts één struisvogelveer in haar handen (1656-58). Ze horen bij elkaar, je ziet ze het atelier van Rembrandt in- en uitlopen en elkaar ontmoeten in de oude straten van Amsterdam.

In een heel enkele zaal breekt het oppervlakte van de nieuwe museumvleugel deze harmonie; zoals in de lange centrale ruimte waar slechts drie schilderijen hangen - De anatomische les van Dr. Deyman (1656), Juno (1662-65) en de grote Claudius Civilis (1661-62) - tussen krachtige etsen weliswaar, maar dat levert parallelle verhalen op, de schilderijen corresponderen hier onderling niet.

Wat belangrijker is, en deze tentoonstelling onmisbaar maakt, is dat we voor het eerst sinds lang Rembrandts werk weer zien naar de inhoud: hoe schilderde hij verhalen, en welke middelen zette hij hiervoor in. Enkele decennia voerde het materieeltechnische kunstonderzoek de boventoon. En hoe relevant en baanbrekend dit ook was, de nadruk bij publiek en musea lag hierdoor overwegend op de echtheid en eigenhandigheid, op het 'merk' Rembrandt - en helaas daardoor ook op de economische waarde. Nu gaan we weer terug naar het verhaal, naar de wereld in Rembrandts hoofd, hoe hij de mens zag en dit met ons deelde.

Late Rembrandt in het Rijksmuseum Amsterdam, t/m 17/5. Dagelijks 9 tot 17 uur. Ook speciale openingstijden. Reserveren wordt aangeraden.

Familieportret, 1665. Beeld Herzog Anton Ullrich Museum, Braunschweig

Alle wensen vervuld?

Het leuke van zo'n kwaliteitstentoonstelling als deze is dat je werken samen ziet die normaal nooit bijeen zijn. Maar natuurlijk zijn niet álle late schilderijen van Rembrandt nu in het Rijks te zien. Bekende en geliefde schilderijen uit zijn late jaren als Aristoteles (1653, New York), Homerus (1663, Den Haag), De geslachte os (1655, Parijs), de Verloren zoon (1666-69, Sint Petersburg) en de Verloochening van Petrus (1660, Amsterdam) ontbreken. Ze worden gemist, dat zeker, maar in de meeste gevallen kon het niet anders; een museum heeft bijvoorbeeld in de statuten staan dat het schilderij niet mag worden uitgeleend, of het is te kwetsbaar om te reizen. Je kunt niet al je wensen in vervulling zien gaan als tentoonstellingsmaker. De verloren zoon en de Verloochening worden, al zijn ze prachtig, bovendien niet meer door alle kenners als eigenhandig werk van Rembrandt beschouwd en dat was voorwaarde bij de selectie. En zo valt er voor de liefhebber altijd nog wat te reizen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden