Laatste echo's van het Hotcha Trio

De opkomst van de popmuziek in de jaren zestig betekende het einde van de klassieke variété-artiest. Een van de slachtoffers was het Hotcha Trio: een vrijwel vergeten mondorgeltrio uit Rotterdam, dat met muzikale clownerie in heel Europa succes had....

DIT WORDT een weemoedig stukje over namen die niemand meer kent. Of beter: waar haast niemand nog belangstelling voor heeft. Het zijn de laatste echo's uit de bloeitijd van het variété - de jaren van muzikale clowns, dansende poedels, magic accordions, Snip & Snap-varianten, zingende-zaagvirtuozen, nachtcluborganisten en luimige, maar met militaire tucht gedrilde mondorgelensembles.

Tegenwoordig moet Toots Thielemans in zijn eentje de eer van het schooiertje onder de blaasinstrumenten redden, maar er was een tijd waarin de Hohner-acrobaten in slagorde het podium betraden. De Verenigde Staten hadden hun kampioen in Borrah Minevitch & his Harmonica Rascals, in vooroorlogse Britse danslokalen heerste het mondharmonicaorkest van Max Geldray - een Hollander die als Max van Gelder het Kanaal was overgestoken.

En in Nederland was er Geert van Driesten; een Rotterdamse jongen die zijn ziel en zaligheid in het mondorgel stopte, peetvader werd van - inmiddels al evenzeer vergeten - generaties harmonicaspelers, en zich als oprichter van de Eerste Nederlandse Chromatische Mondharmonica School beijverde voor de acceptatie van de mondharp als serieus concertinstrument.

Maar Van Driesten verdient vooral herinnerd te worden als voorman van het Hotcha Trio. Dit ensemble bleef bijeen van eind jaren veertig tot begin jaren zeventig, en bracht het met een menu van muzikale virtuositeit en clownerie tot wereldfaam. Minevitch vroeg het Rotterdamse talent al in de jaren veertig naar Amerika te komen, maar Van Driesten had zijn zinnen gezet op een eigen school in Rotterdam, en was met Joop Heijman en Eddy Sernee het Hotcha Trio begonnen - een naam die de Hollanders van Minevitch cadeau kregen.

In plaats van Las Vegas en Broadway werd het Studio Irene en de Dorus-show. Met Heijman op de basharmonica ('n zowat een meter breed gevaarte) en Jan Vuik als akkoordenspeler op de 'rol' (zes tot een cilinder samengeklonken harmonica's in verschillende toonsoorten) maakten de Hotcha's in 1951 hun eerste 78-toerenplaatje: Honeysuckle Rose en op de keerzijde Chattanoogie Shoe Shine Boy.

De razendsnelle, met opmerkelijke swing vertolkte bravourstukjes zijn terug te vinden op de onlangs verschenen driedubbel-cd waarop ruim honderd Hotcha-stukken zijn verzameld. Het is geen werk om lang achtereen te beluisteren. Na een half uurtje vrolijk raspende Hotcha-cha-cha's, Cosack Patrol's en Rag of Rags voelt de luisteraar zich licht kierewiet worden. Maar in kleine beetjes geconsumeerd, blijft de charme van al die hyperenergieke miniatuurtjes overeind.

En dan valt op, hoezeer Van Driesten en zijn collega's door de jazz zijn aangeraakt. In Honeysuckle Rose klinkt waarachtige swing, en produceert Joop Heijmans' brombas een uit de kluiten gewassen, met keelklanken opgeruwde solo, waarin als afmaker ook nog even Ella Fitzgeralds A-Tisket, A-Tasket voorbij komt.

Maar van kunst alleen kun je niet eten, en dus neemt het aantal gutbürgerliche meedeiners ras toe (van Der Onkel Johathan tot Bi-Ba Butzeman Boogie), duiken in In The Mood zomaar stukjes Zilvervloot op, klepperen de castagnetten er in Boda de Luis Alonso op los, en eindigt het verhaal nogal treurig met Abba Dabba Honeymoon, een Flintstone-grap waaraan je afhoort dat The Hotcha's de strijd tegen de opkomende 'beatmuziek' aan het verliezen zijn.

Van Driesten vocht niet alleen tegen de tijdgeest, waarin voor kunstfluiters, buiksprekers en mondorgeltrio's geen emplooi meer was, maar ook tegen de ongedurigheid van zijn collega's: van het va-et-vient van akkoordenblazers in zijn trio (op Vuik en Sernee volgden Henk van Dipte, Gijs van der Wiel, Lee Kuipers, Frans Pauli) zou Jules Deelder nog eens een mooi staccato-nummer vol Rotterdams muzikantenleed kunnen maken.

Geert van Driestens school bracht talrijke naar zijn Hotcha's gemodelleerde nakomelingen voort, die fris aan de weg timmerden maar evengoed net als hun voorbeeld geruisloos in de vergetelheid verdwenen.

Wie schrijft de geschiedenis van al die combo's met glanzende namen als The Milaro's, The Reilly's, The Vineta's, The Multicats, The Philharmonica's of het intrigerende Rambling Trio: 'wereldkampioen in 1956', met de onvergetelijke 'multispeler' Jan van der Neut?

Hotcha Trio: De grootste successen. ABCD 30091-2 (drie cd's, ¿ 44,95).