‘Laat mij den scepter nu ook eens wippen’

Pastoors deden het met de meid of de misdienaar, de rechtenstudent oefende op het daghitje, zijn ‘fatsoendelijke’ vader liet zich dagelijks ‘kaleboeren’ door z’n maintenee, terwijl zijn echtgenote wat minnekoosde met een ‘vrouwdolle’ vriendin van de theekrans.

Nee, dat deden ze niet allemaal natuurlijk. Maar wel in de boeken, blaadjes en prenten die Nop Maas, literatuurhistoricus, Multatuli-kenner en biograaf van Gerard Reve, in de loop der tijd verzamelde of tegenkwam in catalogi. In de rafelranden van de literatuur vond hij schatten die door de zeef van de tijd zijn gevallen, zoals ‘realistische’ romans met prachttitels als Een weeuwtje van iedereen, Alcoofgeheimen, of Beestmensch. Ook vond hij juwelen als de ‘Prijscourant van gummi-artikelen’, waarin de ‘Scheede Poeder Spuit’ en ‘Allerfijnste Vischblaas Preservatifs – bekend bij de Aristocratie’ worden aangeboden.

Hij schreef erover in een boek met de vrolijke titel Seks!. . . In de negentiende eeuw, dat een nog vrolijker tekening op het omslag heeft: dartele meisjes, slechts gekleed in kniekousjes en haarlinten, beklimmen een reusachtige roze penis.

Verwacht van hem geen ‘hooggestemde inleiding over het Victoriaanse karakter van de negentiende eeuw en het oogmerk van dit geschrift om dat beeld bij te stellen’, waarschuwt Maas in zijn voorwoord. Want: ‘wie even nadenkt, gelooft niet dat dergelijke reputaties veel betekenen’.

Wie een completer beeld van de seksuele mores in dit tijdperk wil krijgen, verwijst hij ruiterlijk naar studies van onder anderen Marita Mathijsen, Gert Hekma en Annet Mooij. Maas’ boek is geen studie, maar een verzameling vermakelijke artikelen die hij de afgelopen vijftien jaar schreef, vooral voor Spiegel Historiael.

Maar grote kennis van zaken heeft hij wel. Uit al die ‘schuine’, quasi-medische en hypocriet-stichtelijke lectuur is veel op te steken over de mentaliteit, de angsten en de moraal van mensen in de 19de, begin 20ste eeuw. Vrouwen werden niet geschikt bevonden voor de bijslaap gedurende de zwangerschap, twaalf tot veertien maanden tijdens het zogen, en nog eens drie maanden om de organen tot rust te brengen. Mocht de man dan eindelijk de slaapkamer binnen en bezwangerde hij haar, dan had hij weer twee jaar het nakijken.

Geen wonder dat de bordelen – 140 waren er in Amsterdam – goede zaken deden.

Onanie werd tot in de 20ste eeuw als een levensgevaarlijk tijdverdrijf beschouwd. Jicht en een verschrompeld lid zijn nog het minste wat je ervan kunt oplopen. Op den duur hingen de zelfbevlekker blindheid, leverlijden en krankzinnigheid boven het hoofd. Een geestig stuk is ‘Zelfbewaring’, over een Engelse kwakzalver die een soort postorderbedrijf annex adviesbureautje bestierde dat beloofde tegen grof geld de lijders van hun kwaal af te helpen.

Wie wilde weten waar hij terecht kon om zich een avond goed te vermaken, moest het vooral zoeken in de hoek van de stichtelijke of sociaal bewogen lectuur waarin de zelfkant van de samenleving wellustig werd beschreven. Een tijdschrift als De Middernachtzendeling, ter bestrijding van de prostitutie, bracht nauwkeurig de bedrijfstak in kaart, inclusief adressen, prijzen, en manieren om een ‘veile vrouw’ aan te spreken. Wie viel op jong, maagdelijk en blond, kon voor zijn bestelling de code ‘No.16, nieuwe aansluiting, B’ gebruiken.

En dan was er nog de echte porno, natuurlijk niet als zodanig herkenbaar. Een Rotterdamse uitgever met de naam Artistiek-Bureau gaf onder zedige titels als Jeanne d’Arc, de maagd van Orleans boeken uit waarin de 19de-eeuwer kon lezen hoe honderd jaar eerder de Parijse libertijnse beau-monde zich vermaakte. Het ging er ruig aan toe: er wordt ‘gespietst’ en ‘gestoot’ dat het een aard heeft, ‘snoeperige poesjes’ ontvangen ‘ongeduldige jongeheeren’, en op het hoogtepunt roept een dame uit: ‘Ik. . . krijg. . . stortingen!’ Maas doet mooie ontdekkingen in het frivole taalgebruik ‘Wippen’ was, anders dan nu, een term voor het edele handwerk – ‘Laat mij den scepter nu ook eens wippen’. Was iemand een vrouw ter wille, dan heette het ‘moeren’.

Die woorden kom je niet tegen in het werk van twee beroemde, door menig tijdgenoot verachte schrijvers, Louis Couperus en Oscar Wilde. Maas laat zien dat in beide gevallen hun boeken werden beschimpt op grond van de geaardheid van hun maker. Een jezuïet noemt Couperus ‘een ziekelijk verfijnde genieter (. . .) een ongeneeslijke nev-ropaath!’ Toen Wilde in 1900 onder deerniswekkende omstandigheden was gestorven, werd hij in het Algemeen Handelsblad weggezet als een dichter ‘wiens groote talenten zich een verkeerden uitweg zochten’. Gelukkig hielp het niet. Beide schrijvers behoren tot de weinigen van hun tijd die nog worden gelezen.

Nop Maas: Seks!... In de negentiende eeuw. Vantilt; 240 pagina’s; € 22,50. ISBN 90 7750 340 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden