Laat maar zien, vertel maar niets

Wat is een goede biografie? De dilemma's zijn dezelfde als bij historische studies in het algemeen. Moeten de naakte feiten voor zich spreken?...

De meeste historici schipperen in hun boeken tussen wetenschappelijkeeerbied voor de feiten en toegeven aan de romaneske verleiding tothineininterpretieren. Dat levert hun keer op keer het verwijt opdroogstoppellige notulisten of juist frivole fantasten te zijn. Vooralbiografen doen het niet gauw goed. In Cicero (7 oktober) bijvoorbeeldbesprak Jan Blokker de door Aukje Holtrop geschreven biografie van Nynkevan Hichtum, schrijfster van Afke's tiental en eerste vrouw van de groteFriese socialist Pieter Jelles Troelstra.

Holtrop zegt in haar verantwoording dat ze niet geprobeerd heeft 'losseeindjes' aan elkaar te knopen of de gaten in het bronnenmateriaal te vullenmet haar verbeelding. Ze schreef op wat het verleden haar toonde. Datlevert een levensbeschrijving op die volgens haar niet per se minderlevensecht hoeft te zijn 'dan een met waarschijnlijkheden dichtgeplamuurdlevensverhaal'. Maar Blokker vindt dat ze daardoor 'aan de buitenkant' vanNynke is gebleven. De raadselachtigheid van Nynke had ze volgens hem'alleen maar te lijf kunnen gaan door waarschijnlijkheden te opperenwaarmee ze mogelijk tot onder de oppervlakte had kunnen doordringen'.

In dezelfde aflevering van Cicero besprak Michaël Zeeman de essays overbiografieën van Hermione Lee (Virginia Woolf's Nose), een bekroond enbewonderd biografe. Zeeman concludeert dat je als biograaf 'je net wijdmoet uitwerpen' in de zee van het verleden en bij het 'selecteren,terugwerpen en fileren' van de vangst 'je verstand moet gebruiken'. Datklinkt goed. Onder verstand verstaat hij het 'schrijversverstand' oftewel'je verbeeldingskracht'. Daar kan ik als schrijver moeilijk tegen zijn.Toch weet ik het niet. Het is, vrees ik, bij biografen nooit goed of hetdeugt niet. Ik durf bijvoorbeeld te wedden dat als Holtrop meer Zeemanseverbeeldingskracht had gebruikt, ze van dezelfde Blokker te horen zouhebben gekregen dat ze een 'met waarschijnlijkheden dichtgeplamuurdlevensverhaal' had geschreven.

Hoe moet het dan wel? Dat is niet in regels aan te geven. En de regelsdie er zijn moeten geschonden worden, het liefst met een satanisch,zelfverzekerd glimlachje op de lippen. In de loop der eeuwen is ergezondigd tegen alle regels die zelfbenoemde schrijfdocenten uitvaardigdenen dat gebeurde ook nog eens in de mooiste boeken. In Het leven eengebruiksaanwijzing van Georges Perec en in Onderwereld van Don DeLillobijvoorbeeld. Dit zijn weliswaar romans, maar werden ook de biografieënover de middeleeuwse dichter Maerlant (Frits van Oostrom) en de filosoof Bolland (Willem Otterspeer) niet juist zo geprezen in literaire kring omdatze wetenschappelijke regels zelfbewust aan hun laars lapten?

Toch is er één regel die zich door geen enkele schrijver van fictiestraffeloos laat overtreden. En die is dat je de lezer moet laten zien envoelen wat er gebeurt in plaats van het te vertellen. Showing, not telling.Je schrijft dus niet dat je hoofdpersoon zijn ontaarde moeder haat, maarals zij hem op haar sterfbed snikkend om vergiffenis smeekt, laat je hemzwijgend naar haar druppelende infuus staren en met een obligaat vraagjeover de verzorging de stilte doorbreken. En de lezer voelt beter aan water aan de hand is dan je ooit met vertellen had kunnen bereiken, vooralomdat het zo mooi diffuus blijft.

Niet elke overtreding van de regel is dodelijk, maar veelplegersvermoorden onvermijdelijk het verhaal dat ze willen schrijven. De getoondeverhalen daarentegen blijven leven, je kunt er steeds weer andere verhalenin lezen en ze roepen steeds weer nieuwe vragen op. Veel romans van Hermansdoen dat en vrijwel het gehele oeuvre van Elsschot en Kellendonk.

Het verleden is in het licht van deze gouden schrijversregel eenperfecte roman. Alles wordt getoond in plaats van verteld. Het verleden iseen roman die je eindeloos kunt herlezen omdat je steeds weer wat nieuwsontdekt en ervaart. Zo nu en dan meen je vat op de gebeurtenissen tekrijgen, maar dan nemen ze opeens een loop die je volstrekt niet verwachthad. Achteraf zie je de onvermijdelijkheid in van wat er gebeurde, zoalsje op de laatste bladzijde van een prachtroman vindt dat hij zó geschrevenmoest worden en niet anders, ook als je halverwege nog grote twijfels kendeen je er nog steeds heel veel niet van begrijpt.

Altijd voedt het verleden de nieuwsgierigheid naar hoe het verder ging,naar wat er nog meer gebeurde, naar meer kennis van hoe het in elkaar zat,vooral als de bronnen zwijgen. Het is een onbevredigbare nieuwsgierigheid,want zij wordt alleen maar groter naarmate het verleden meer loslaat. Zijlijkt op het internationale terrorisme dat door elke voltreffer van Bushsterk in omvang toeneemt. De roman van het verleden heb je nooit uit, hijzit vol bizarre, dramatische gebeurtenissen die toch niet geforceerdaandoen of verzonnen lijken. Het is allemaal heel echt gebeurd, precies watde meeste lezers tegenwoordig van een roman verlangen. Hoe meer ik erovernadenk, hoe jaloerser ik word op de schrijver van het verleden. Hij is eengrootmeester in mijn vak, die zich volmaakt houdt aan de enige regel dieromanschrijvers zich moeten aantrekken: showing, not telling.

Hierin ligt precies het uitdagende probleem van schrijven over hetverleden, of je nu historicus, biograaf of schrijver van historische romansbent: je wilt vertellen wat het verleden laat zien. Hoe doe je dat?Sommigen denken zich van het probleem te kunnen afmaken door zichzelf voorte houden dat ze slechts de feiten laten spreken. Maar de feiten sprekennooit voor zich, ook niet als het sprekende feiten zijn, zoals de moord opTheo van Gogh. Wie in naakte feiten gelooft, is een geestverwant vanMohammed B. Naakte feiten zijn, ook als ze onder een burka wordenverborgen, de bouwstenen van fundamentalistische waan. Naakte feiten dienende waarheid, maar de waarheid is misschien dat niets waar is en, zoalsMultatuli er in zijn eerste idee aan toevoegde, 'zelfs dát niet'.

Andere vertellers trekken de feiten steeds weer nieuwe kleren aan, zodathet verleden zich aandient als een mannequin op de catwalk van eenhistorische modeshow. Wat vindt u hiervan? Of ben ik zo toch mooier? Hunproza wemelt van zinsnedes als 'het moet zo zijn dat', 'wellicht is hetzo', 'niet uitgesloten is', 'het is niet onmogelijk', 'het zou ons nietverbazen als' of 'als we aannemen dat dit waar is, dan is het nietonwaarschijnlijk dat'. Hella Haasse doet dit in De tuinen van Bomarzo zovirtuoos, dat je langzaam maar zeker een gekmakend labyrint vanmogelijkheden in getrokken wordt. Maar dat is uitgerekend wat die vijfeeuwen oude tuinen in Italië met hun bizarre beelden 'vermoedelijk' waren:een waanzinnig labyrint, aangelegd door een rijke gek.

Een draad van Ariadne om de weg terug te vinden levert Haasse er nietbij. In 'de leesclub' van NRC Handelsblad vroeg Toef Jaeger zich onlangsaf of Haasse de geschiedenis herschreef met behulp van fictie. Die indrukheb ik inderdaad stellig. Maar ik zou nog wel een stapje verder willengaan. Als je het boek uit hebt, ben je reddeloos verdwaald in wat hetverleden is: een perfecte roman.

Maar is ook niet elk leven een perfecte roman, juist als het zichongeduid toont? Wanneer je als biograaf op aandringen van Zeeman jeverbeeldingskracht gebruikt om de vangst aan gegevens te duiden en opaandringen van Blokker ook nog eens veel waarschijnlijkheden oppert,schrijf je dan 'in feite' niet een inferieure roman waarin de perfecteroman die het verleden is, van zijn zeggingskracht wordt beroofd omdat jevertélt wat zo mooi raadselachtig getóónd wordt? Veel historischestudies en biografieën die ik las, leken inderdaad op doodvertelde romans.Zou je dan niet beter maar zelf een echte roman kunnen schrijven, zoalsHella Haasse eigenlijk gedaan heeft met De tuinen van Bomarzo? En geldtniet hetzelfde voor elke historicus die meer wil vertellen dan de bronnenlaten zien?

Schrijven over het verleden heeft iets paradoxaals. Je wilt beschrijvenwat mensen deden, dachten en voelden op een manier en in een taal diemensen van nu begrijpen. De kans is groot dat als het eerste je goed lukt - wat een ongelooflijke prestatie zou zijn - niemand er iets van begrijpt.Maar als iedereen je begrijpt, is de kans groot dat de mensen van toen zicher totaal niet in zouden herkennen, áls ze je al zouden begrijpen, watwaarschijnlijk niet het geval is.

Een biografie heb ik nooit geschreven, maar wel boeken over degeschiedenis van misdaad en straf. In mijn pogingen onder woorden tebrengen wat boeken, kranten en archieven mij toonden, stuitte ikvoortdurend op de grenzen van wat in wetenschappelijk verantwoorde taalmogelijk is. Vaak ging de werkelijkheid mijn verbeeldingskracht te boven.Ik herinner me de wanen en hallucinaties die gevangenen in de 19de eeuwontwikkelden omdat ze jarenlang eenzaam werden opgesloten teneinde henmoreel te verbeteren en, paradoxaal genoeg, tot sociaal goed functionerendemensen om te vormen. De toenmalige zielskundigen en vaak ook de gevangenenzélf zagen hun 'gekte' aan voor de zuiverende effecten van een ontwakendgeweten. De vele zelfmoorden werden meestal niet aan de martelendeeenzaamheid maar aan hun gedegenereerde en verdorven persoonlijkheidtoegeschreven. Alles wat hier staat, begrijpen wij hoofdschuddend, maar onshoofdschudden zou de mensen van toen eveneens doen hoofdschudden, vanonbegrip en verontwaardiging. Om zulke werelden van verschil te overbruggenzijn literaire middelen nodig die in wetenschappelijke kring algauwweerstand oproepen.

Toen Charles Dickens het in zijn American Notes waagde om de eersteproefnemingen met eenzame opsluiting te bekritiseren door in de gemarteldegeest van gevangenen te kruipen, werd hem meteen verweten dat bij zich nietaan de feiten hield. In Nederland meende W.H. Warnsinck, een van deoprichters van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen envoorstander van de nieuwe straf, dat het proza van Dickens van 'zijndichterlijke verbeelding' doch geenszins 'van eene grondige kennis'getuigde.

Ik heb na mijn historische studies romans geschreven waarvan enkele vooreen deel in de historie speelden. Bij elke zin voelde ik de bevrijding vande fictie. Juist omdat het verleden zoveel te raden overlaat, altijd eenintroverte vreemdeling blijft en vol mysterieuze zwarte gaten zit, is hetverleden een goudmijn en een vrijplaats voor een romanschrijver. Deschrijversresearch richt zich niet op gegevens die de gaten in de kennisvan het verleden kunnen vullen, maar op waar die gaten in de gegevens zichbevinden. Want juist die gaten kunnen in romans veilig gevuld worden metde fascinaties en obsessies van de schrijver zelf. Hij injecteert als hetware het verleden met zijn eigen biografie. Dat deed onze beroemdstehistoricus Johan Huizinga al zonder romancier te zijn, hoewel sommigenzeggen dat hij nooit iets anders dan romancier is geweest. En als je HellaHaasses zoektocht naar de betekenis van de Bomarzo-tuinen leest, is erinderdaad geen enkele grond om haar romancier te noemen en Huizingahistoricus. Je zou het probleemloos kunnen omdraaien. Beiden toonden hetverleden zonder het dood te vertellen.

Aldus zijn we bij een slotzin beland die tegen alle regels zondigt: Godis ook maar een mens, zij het door de tussenkomst van Reve.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden