Laat het feest beginnen

Tijgerjacht op het jetsetfeest

Krijgsman Edwin

Lezers die de Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti (1966) alleen maar kennen van zijn bekende roman Ik ben niet bang uit 2001, over de ontvoering van een rijkeluiszoontje in het arme zuiden van Italië, zullen zich waarschijnlijk verbazen dat zijn laatsteling Laat het feest beginnen! product is van datzelfde schrijverschap. Waar Ik ben niet bang een realistische, merendeels ingetogen vertelde roman is, daar leeft Ammaniti zich in Laat het feest beginnen! uit in een verbaal spektakelstuk van apocalyptische dimensies.


Al eerder liet Ammaniti zien een voorliefde te koesteren voor een hyperbolische verteltrant. Het mislukte Kieuwen, een roman uit zijn studietijd die na de verfilming van Ik ben niet bang in een herziene editie werd uitgegeven, is een groteske waarin de schrijver zich in zijn fantasievolle wellust lelijk overschreeuwt. Aan hetzelfde euvel lijdt het in Nederland ook apart uitgegeven verhaal Het laatste oudejaar van de mensheid uit de bundel Fango, dat bezwijkt onder de overdaad aan overdrijving.


In Ammaniti's nieuwe roman is sprake van gekheid in de overtreffende trap, vervat in twee verhaalstrengen die worden verknoopt tot een zó krankzinnige plot, dat je met stijgende verbazing doorleest. Hoofdpersoon van de eerste verhaalstreng is de gevierde schrijver Fabrizio Ciba. Hij heeft een bestseller op zijn naam, weet zich vanwege zijn zorgvuldig nonchalante verschijning een begeerd vrijgezel en is bovendien presentator van het tv-programma Misdaad & Straf op RAI 3. Ciba's liefdesleven is een hordeloop van one night stands, vooral met schoonheden uit de beau monde, en bij gelegenheid een troostwipje met zijn literaire agente, dankzij wier goede zorgen Ciba af en toe eens niet naar een hip restaurant hoeft voor een warme hap.


Saverio Moneta, de tweede protagonist van Laat het feest beginnen!, is het tegenbeeld van Ciba. Als leider van de satanische sekte De Beesten van Abaddon, met drie ietwat bleue en sneue volgelingen, waant hij zich de vertegenwoordiger van het Kwaad op aarde. Ondertussen zit hij onder de plak van zijn sletterige echtgenote, siddert hij voor zijn schoonvader, in wiens meubelzaak hij verantwoordelijk is voor de Tiroolse meubels, en luistert hij stiekem liever naar Billy Joel dan naar beukende deathmetal. En hij moet thuis ook altijd de vuilniszakken buitenzetten.


Doordat het hun leider aan de nodige daadkracht ontbreekt, ontberen De Beesten van Abaddon respect binnen de wereld van het satanisme. Om zich in één klap van al zijn frustraties te bevrijden én om zijn sekte definitief op de mondiale kaart van het satanisme te zetten, broedt Saverio alias Mantos een waarlijk duivels plan uit.


In Villa Ada in hartje Rome, zal een groots feest plaatsvinden, waar de beroemde zangeres Larita gaat optreden. Die heeft niet lang geleden een deathmetalband verruild voor het christendom en de naastenliefde, en daarom is zij de aangewezen persoon om geofferd te worden. Dat wil Mantos voltrekken met niets minder dan de Durendal, het magische zwaard dat ridder Roeland gebruikte in Roncesvalles - nou ja, een replica dan, die hij voor een zacht prijsje op eBay heeft aangeschaft. Waarna Mantos bedenkt dat ze geen half werk moeten leveren en na die daad maar beter ook meteen gevieren collectief zelfmoord kunnen plegen. Daarmee zullen ze hun satanische concurrenten eens een poepje laten ruiken.


Op datzelfde, al bij voorbaat gedenkwaardige feest zal ook Ciba, net als zo'n beetje de gehele Romeinse jetset, aanwezig zijn. De schrijver verkeert in een dipje nadat hij in een onbewaakt ogenblik minder vleiende woorden van zijn uitgever heeft opgevangen en vervolgens ruzie heeft gemaakt met zijn agente. Bovendien is zijn schrijverschap hinderlijk geconstipeerd: er zit weinig schot in zijn nieuwe roman.


Om zijn zinnen wat te verzetten is het feest in Vi

lla Ada voor Ciba zo welkom als een verlossende zetpil.


Dat feest waar Rome al weken van in de ban is, is uitgedacht door een dubieuze ondernemer uit Zuid-Italië, ene Salvatore Chiatti, die tegen een slordige 450 miljoen euro Villa Ada van de gemeente heeft overgenomen en heeft omgetoverd in een wildpark, inclusief bijbehorende bewoners als tijgers, krokodillen en gibbons. Te midden van dat decor zal een onovertroffen banket worden aangericht en daarna een heuse tijgerjacht plaatsvinden - een feest in de traditie van de oude Romeinse keizers, dat Chiatti een plekje in de annalen van de Romeinse geschiedenis moet gaan bezorgen.


Op de bewuste dag arriveert de crème de la crème van zonnebankgebruind Italië in SUV's en limousines bij Villa Ada: televisieberoemdheden, profvoetballers met hun oogverblindende partners, modekoningen, showbizzbimbo's en andere fine fleur. Het feest kan beginnen. Maar nadat iedereen zich heeft gelaafd aan het uitbundige buffet en de jacht eindelijk een aanvang kan nemen, begint een oorverdovende kakofonie aan rampspoed. Niet alleen richt de missie van Mantos de nodige chaos aan, er blijkt in de catacomben onder Villa Ada een compleet volk te huizen, Sovjetatleten die tijdens de Olympische Spelen van 1960 in Rome hun kans schoon zagen en de plaat poetsten (Ammaniti heeft een lelijk intermezzo nodig om hen hun plek in zijn verhaal te geven). Sindsdien bevolken ze, inmiddels gezegend met gruwelijk gedegenereerde nazaten, de ondergrondse krochten van de Villa. En deze molmensen maken op een wel heel onverwachte wijze hun opwachting op de jungleparty.


En zo ontaardt het feestje van de megalomane miljardair, nota bene in de navel van de westerse beschaving, in een beestachtige slachting, waarbij heel wat doden en gewonden vallen.


Alsof het nog niet genoeg is, onthaalt Ammaniti ons tot slot nog op een weeïg laatste hoofdstuk, waarin twee overlevenden van het feest precies vier jaar na dato met hun zoontje de plek des onheils bezoeken en dan in het struikgewas - nee, laat ik dat maar niet verklappen.


Ammaniti geldt als een van de 'giovani cannibali', de 'jonge kannibalen', niet allemaal meer even jonge Italiaanse schrijvers die een nieuw soort gewelddadige literaire pulp bedreven. Het lijkt erop alsof de schrijver in die hoedanigheid een grootse daad heeft willen stellen met deze roman: pulperiger dan pulp. Alleen gaapt er, net als in het geval van zijn antiheld Mantos, een duizelingwekkende leegte achter de façade van bravoure.


Het lijdt geen twijfel dat Ammaniti, in de Nederlandse advertentiecampagne voor dit nieuwe boek betiteld als 'superster', met sardonisch plezier aan deze literaire vuurwerkbom heeft gewerkt. Maar de lezer blijft ruim 300 pagina's later achter met het katerige gevoel na zo'n feestje waarvan je beter had kunnen wegblijven.




Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden