L’Arpeggiata ziet ‘Seicento’ als grote jamsessie

Musiceren in het Seicento, zoals de Italianen de 17de eeuw noemen, was een zaak van extremen. Hakkeborden en violen dienden voor het fuseren van Tata Mirando met Ierse fiddle-stijl....

Het Seicento was één grote jamsessie. Zo denken ze erover bij L’Arpeggiata, een internationaal barokgezelschap dat een hoofdrol speelt in het Festival Oude Muziek Utrecht 2006 – ditmaal gewijd aan Italiaans werk uit de vroege barok. Geleid door Christina Pluhar, een Oostenrijkse luitiste en harpiste die doceert in Graz en aan het conservatorium in Den Haag, luidt L’Arpeggiata 3 september het festival uit met een improvisatieconcert.

In de Pieterskerk klonken dinsdag voorproefjes. Solo’s op het schema van een chaconne of ciaccona, waarbij een gamba als slaggitaar over de knie kwam te liggen, en de toehoorder aan het mijmeren werd gezet over Dizzy Gillespie, en wat die ervan gemaakt zou hebben als hij geen trompet maar een houten cornetto tegen de mond had geplaatst. Een nummer van Bertali (1605-1669) diende zelfs als voorbeeld van hoe men loos kan gaan – zij het binnen bepaalde grenzen, en steeds met angelieke oude-muziek-oogopslag.

De monter tokkelende Pluhar vermeed afsluitende grondtonen, en voegde de nummers zo tot één omelet, samen met cantates en operafragmenten van Luigi Rossi, gezongen door Stéphanie d’Oustrac. De temperamentvolle mezzo bleek gefascineerd door de emoties in teksten van Francesco Buti en Giulio Rospigliosi, en gaf er (’Dove, ohimé?!’) zo royaal uiting aan, dat zelfs haar coiffure leek te vonken.

Rossi (1597-1853) maakte aanvankelijk carrière in Rome. In Parijs kwam hij met zijn opera Orfeo in het middelpunt te staan van onwaarschijnlijke politieke en culturele conflicten. Zijn ariakunst hoorde destijds tot het repertoire van de befaamdste zangers die in Europa rondliepen. Wat de combinatie L’Arpeggiata-Stéphanie d’Oustrac er dinsdag mee deed, zei misschien meer over de 21ste-eeuw dan over de 17de, maar klonk in ieder geval overtuigender dan wat L’Arpeggiata uithaalde met het fenomeen van de ‘improvisatie’. Die bleek uiteindelijk ook niet zo geïmproviseerd. In de toegift klonk een vrijwel exacte kopie.

Orpheus, de mythische zanger, die goden liet wenen en dieren deed dansen, inspireerde ook de componist Stefano Landi, die hem rond 1619 bevorderde tot vrouwenhater en celibatair. Volgens het Franse gezelschap Akadêmia en ruim een dozijn vocalisten, gedirigeerd door Françoise Lasserre, was musiceren in dit onderdeel van het Seicento een zaak van flegmatiek voortkabbelen en hopen dat het vroeg of laat afloopt.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden