Recensie Svealena Kutschke

Kutschke blinkt uit in poëtische beelden en rake zinnetjes met historische familieroman (3 sterren)

Monsters, sagen en een eeuw Duitse geschiedenis passeren de revue in een beklemmende familieroman van Svealena Kutschke.

Foto Leonie Bos

Wie een groots opgezette familieroman in Lübeck situeert, ontkomt niet aan associaties met die ándere familieroman uit de Noord-Duitse Hanzestad: Buddenbrooks van Thomas Mann. Gelukkig probeert Svealena Kutschke (1977) de meester niet naar de kroon te steken. Ook zij laat een geslacht ten onder gaan, maar daarmee houdt de overeenkomst op.

In haar derde roman, Een stad, het meisje en de duivel, volgen we drie generaties vrouwen uit de familie Hinrichs, van de tijd van keizer Wilhelm II tot diep in de jaren negentig. Geen grootburgerlijke dynastie, maar eenvoudige lieden die al decennia hetzelfde donkere achterhuis bewonen, slechts toegankelijk via een doorgang waar net een doodskist doorheen past. (Een exemplaar van de Buddenbrooks doet in dit huis dienst als meetlat, om groeistreepjes op de muur te zetten.)

Hongerig, onderkoeld en ónder de parasieten

Het begint allemaal met grootmoeder Lucie, die wonder boven wonder levend uit de Trave wordt gevist nadat haar moeder zich daar de nacht tevoren hoogzwanger in heeft geworpen. ‘Wel heel hongerig, onderkoeld en ónder de parasieten, maar geen twijfel mogelijk: ze leefde. En daarmee begon de ellende eigenlijk pas.’ 

Vanaf dat moment rust er een vloek op het huis; het kan alleen nog ontaarde moeders voortbrengen. Via Lucies dochter, het oorlogskind Freya, komen we bij kleindochter Jessie – punker, losbol, kind van de jaren negentig – die al vroeg weet wat haar lot is: wie uit de Trave komt, moet vroeg of laat terug de Trave in. En zij zal de laatste zijn, daarvan is ze overtuigd.

Een hoofdrol voor de duivel

Met grote vanzelfsprekendheid brengt Kutschke het bovennatuurlijke de roman binnen. Naast de wondere geboorte van Lucie is er een voorvader die eerst met mosselen overgroeid raakt en vervolgens langzaam versteent. Lucies echtgenoot Christoph wordt geboren zonder schaduw en op de bodem van de Trave huist de monsterlijke Roggenbuk, altijd in afwachting van zijn volgende slachtoffer.

Een hoofdrol is er voor de duivel, die in ettelijke scènes toekijkt hoe de mensen er een potje van maken. Het is een duivel ‘zonder hel en zonder goddelijke tegenstrever’. Althans, die is hij nog nooit tegengekomen. Zelf zit hij al eeuwen gevangen in Lübeck en verveelt zich te pletter. De komst van Lucie, die zijn ijsblauwe ogen heeft en hem als enige mens kan zien, brengt hem eindelijk een verzetje.

Is het dan een en al monsters en sagen? Zeker niet. Terwijl de roman verspringt tussen de drie generaties, passeert bijna een eeuw aan Duitse (en Lübeckse) geschiedenis de revue, die Kutschke vaardig in de levens van haar personages verweeft.

Veelzeggend zijn de passages waarin Lucies min of meer mislukte echtgenoot zijn bestemming vindt bij de administratie van de Gestapo. Hij blijkt een kei in het ordenen van persoonskaarten en mag zelfs naar het Oosten om zijn kennis te verspreiden – tot afgrijzen van zijn vrouw. De grimmige demonstraties na een aanval op een asielzoekerscentrum in 1992, waaraan Jessie deelneemt, zijn al net zo beklemmend beschreven.

Te veel verhaallijnen

Kutschke heeft zich voor dit boek uitgebreid in de geschiedenis van haar geboorteplaats verdiept, en dat lees je eraan af. Het is jammer dat ze daarbij niet meer heeft willen schiften. De roman bevat zoveel mythische en historische uitstapjes, zoveel verhaallijnen, perspectieven en personages dat de tragiek van de drie hoofdfiguren ondergesneeuwd raakt. Daarbij is de symboliek erg zwaar aangezet; die duivel die overal opduikt met zijn felblauwe ogen wordt op den duur wat vermoeiend.

Maar dan stuit je weer op een van de poëtische beelden, de rake zinnetjes waarin Kutschke uitblinkt. (Over de onfortuinlijke voorvader: ‘Hij had wel iets van een rif, zoals hij daar op het kussen lag, met mos in zijn haar en mosselen op zijn wangen.’) En laat je je toch meevoeren door de verhalenbrij.

Een stad, het meisje en de duivel

Svealena Kutschke, Fictie, Uit het Duits vertaald door Goverdien Hauth-Grubben. Atlas Contact; 704 pagina’s; € 29,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.