Kunstbunker ‘tegen establishment’

Verzamelaar en reclamemaker Boros opent kunstbunker, en denkt de grote musea ‘een poepie te laten ruiken’...

In korte tijd heeft Berlijn zich ontwikkeld tot toevluchtsoord voor kunstverzamelaars. Deze manifesteren zich, in de nabijheid van de grote staatsmusea, als koene ridders van de vrije kunst.

Als rebellen tegen de gevestigde cultuurorde – al doet deze hoedanigheid een beetje potsierlijk aan in het licht van de machtsverhoudingen op de kunstmarkt tussen de particuliere verzamelaars en de beheerders van het openbaar kunstbezit. Als ze op een veiling tegen elkaar bieden, winnen de eersten steevast. ‘Door gebrek aan financiële middelen staan de musea buiten de markt’, concludeert der Tagesspiegel.

Dit weerhoudt de verzamelaars er niet van zich als de underdogs van het kunstestablishment te gedragen. Heiner Bastian, die eind vorig jaar een door de Britse architect David Chipperfield ontworpen ‘galeriehuis’ aan de Kupfergraben betrok – een paar huisnummers van Angela Merkel verwijderd – beklaagt zich erover dat de musea met de rug naar de moderne kunst toe staan. ‘Nazi-Duitsland heeft de avant-garde vogelvrij verklaard en verjaagd’, luidt zijn verklaring. ‘Daarna heeft Duitsland haar nooit meer omarmd.’

Die opvatting vindt weerklank bij de kunstenaars in kwestie. ‘De musea zoeken geen contact met ons’, zegt installatiekunstenaar Olafur Eliasson. ‘Als er geen particuliere verzamelaars waren, zou het publiek geen nota van ons kunnen nemen.’ In die veronderstelde behoefte voorziet een aantal verzamelaars die hun bezit – zij het meestal in beperkte mate – toegankelijk maken voor de liefhebbers: het uit Keulen afkomstige echtpaar Hoffmann dat een galerie aan de Sophie-Gips-Höfe heeft ingericht, de Düsseldorfer Axel Haubrok die zijn kunstbezit toont in een etage van de in stalinistische stijl opgetrokken Henselmann-toren, en de uit Essen stammende Thomas Olbricht die binnenkort een tentoonstellingsruimte aan de Auguststrasse zal openen.

Als ‘ongekroonde koning in de stad van de verzamelaars’ wordt de 43-jarige Christian Boros aangemerkt. Deze in Polen geboren, en in Wuppertal rijk geworden reclamemaker verzamelt – zoals hij het zelf uitdrukt – ‘kunst die ik niet begrijp’. Dat hij kunst is gaan verzamelen en niet, om maar wat te noemen, klassieke auto’s of spinetten, is ingegeven door de gedachte dat kunstenaars, aldus Boros, ‘mensen zijn die nog ‘ik’ durven zeggen. De enigen in deze samenleving die nog de moed hebben zich tot zichzelf te bekennen zijn kunstenaars en ondernemers. Ik ben ondernemer.’

Vanaf het afgelopen weekeinde is zijn collectie elke zaterdag tegen een entreeprijs van 10 euro per persoon toegankelijk voor groepen van twaalf die in anderhalf uur worden rondgeleid. De belangstelling is overweldigend: alle beschikbare plaatsen zijn tot september volgeboekt. Deze animo hangt wellicht vooral samen met het onderkomen van de collectie-Boros: een vijf verdiepingen hoge bunker aan de Reinhardtstrasse, in het hartje van Berlijn.

Er zijn meer stoffelijke herinneringen aan de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog toen de Berlijners vrijwel elke nacht en grote delen van de dag in schuilkelders doorbrachten. Maar geen van deze macabere monumenten is zo imposant en zo grimmig-mooi als de ‘kunstbunker’ van Boros.

Hij werd in 1941 ontworpen door stadsbouwmeester Karl Bonatz. Die heeft zich – hoe onwaarschijnlijk dat ook klinkt – laten inspireren door de Italiaanse ‘renaissanceburchten’. Na de oorlog, waarvan tijdens de bouw nog werd aangenomen dat Duitsland die zou winnen, zou de kolos tot in de eeuwigheid de nationale onverzettelijkheid gestalte moeten geven. Bij de positionering van de blinde vensters, het ontwerp van de monumentale entree en de versiering van de uitstekende dakrand heeft Bonatz daar rekening mee gehouden.

Na de oorlog deed de bunker, die drieduizend mensen kon herbergen, enige tijd dienst als onderkomen van krijgsgevangenen. In DDR-tijden werden er aardappels en Cubaanse zuidvruchten opgeslagen. Na de Wende celebreerden feestgangers er de hoogmis van het hedonisme. Tot hun leedwezen kwam daaraan een einde toen Christian Boros de bunker in 2003 kocht.

Sindsdien heeft architect Jens Casper het 120 vertrekken tellende bouwwerk getransformeerd in adembenemend labyrint van zichtassen, lichthoven en vertrekken die in hoogte variëren van 2,3 tot 13 meter. Op het dak heeft hij een paviljoen-achtige bungalow laten bouwen – geflankeerd door een 500 vierkante meter metende tuin met een zwembad.

De daaronder gelegen tentoonstellingsruimten, waarin vrijwel geen daglicht doordringt, zijn door 57 kunstenaars (dus zonder tussenkomst van een curator) naar eigen inzicht ingericht. Het meest nadrukkelijk aanwezig zijn Olafur Eliasson, die zeven vertrekken met lichtinstallaties heeft gevuld, en Santiago Sierra, die enorme gaten in de metersdikke muren heeft laten frezen om ruimte te creëren voor zijn ‘minimaal-sculpturen’: 8 meter lange, met teer bewerkte zuilen.

In de media heeft Boros zich laten huldigen als de man die de grote musea een poepie laat ruiken en die het publiek deelgenoot maakt van zijn liefhebberij. Deze lof komt hem niet toe. Het is in hem te prijzen dat hij zijn collectie tentoonstelt, maar de Berlijnse staatsmusea zijn met hun lage toegangsprijzen, ruime openingstijden en de vrijheid die ze de individuele bezoeker bieden een wonder van toegankelijkheid en transparantie in vergelijking met de kunstbunker van Boros.

De kunstbunker van Christian Boros aan de Berlijnse Reinhardtstrasse. (AFP) Beeld AFP
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden