Boekrecensie Jean Leering & Dirk Hannema

Kunstbazen in portret: twee fraaie studies over Jean Leering en Dirk Hannema

Geen twee karakters uit de museumwereld zijn zo verschillend als directeuren Jean Leering en Dirk Hannema. De studies over beide heren laten fraai zien dat een museumdirecteur altijd méér uitdraagt dan de kunst die hij ophangt.

Museumdirecteuren. Beeld Typex

De uitersten kunnen haast niet groter zijn. Althans, in de wereld van museumdirecteuren. Jean Leering (1934-2005) en Dirk Hannema (1895-1984). De een tien jaar lang directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven, de ander van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. De eerste een sociaal bewogen, maar drammerige wereldverbeteraar; de tweede een collaborerende, pathologische kunstwerkenontdekker.

Nee, in de Nederlandse museumwereld zijn er geen twee karakters te vinden die zo ver uiteen hebben gelegen.

Over beide directeuren is nu een studie verschenen. En in beide gevallen, en vooral door de combinatie van de twee boeken, ontstaat een fraai beeld welke boodschap je als museumdirecteur met kunst kunt uitdragen, hoeveel rek daarin zit, en wat de grenzen van het betamelijke zijn.

Om kort te zijn: die rek blijkt vrij beperkt. Natuurlijk, de tijden waarin Leering en Hannema leefden en werkten waren beduidend anders. In de jaren ’20-’45, de hoogtijdagen van Hannema, was de Nederlandse museumwereld op zoek naar kunst en geld, naar verzamelaars en politieke ‘goodwill’. Musea waren zich aan het ontwikkelen, en moesten zichzelf, zeker in Nederland, min of meer nog uitvinden.

Van vergelijkbare moeizame omstandigheden had Leering minder last. Zijn ‘tien vette jaren’ bij het Van Abbe speelden zich af tussen 1963 en 1973. Toen de economie begon te bloeien, moderne en hedendaagse kunst als een bestendige factor werden gezien, en de overheid (nog) als een vanzelfsprekende donateur van geld gold.

In Het gaat om heel eenvoudige dingen van kunsthistoricus en publicist Paul Kempers komt een beeld naar voren van Leering als een gedreven, zo niet drammerige directeur. Iemand die, met de wind in de zeilen van de revolutionaire jaren zestig, hedendaagse kunst toegankelijk en relevant wilde maken voor een breed publiek. Als een vorm van ‘preventieve geestelijke gezondheidszorg’, uitgedragen door een museum dat de rol van ‘kommunikatiemedium’ speelde.

Waar Leerings sociale engagement precies vandaan kwam, is moeilijk uit het boek op te maken. Kempers stelt Leering vooral voor als een optelsom van de contacten die hij had en de boeken die hij las. Voor zover er iets van een karakter komt bovendrijven, dan vooral tussen de regels en door de kritiek die Leering uiteindelijk uit de kunstwereld kreeg.

Zeker, Leering kocht toonaangevende kunstwerken aan, getuigde van een (zeker binnen de Nederlandse kunstwereld) verfrissend engagement, had oog voor educatie en effende de weg voor de huidige, even geëngageerde directeur, Charles Esche. Toch klonk op den duur het verwijt dat hij te veel theoretiseerde, de kunst te nadrukkelijk een maatschappelijke hoek induwde en als pamflettist onleesbare traktaten schreef. Resultaat: conflicten met kunstenaars en een afkalvende steun van de gemeentepolitiek. De twee jaren dat hij na Eindhoven in het Amsterdamse Tropenmuseum directeur was, liepen uit op een vergelijkbare teleurstelling.

Zo radicaal en politiek geëngageerd als Leering zich toonde, zo weinig denk je daarbij aan Dirk Hannema. Eigenlijk helemaal niet. Hannema, opgegroeid in een rijk Haags koopliedengezin, had juist dikke oogkleppen op als het ging om wat er om hem heen aan maatschappelijke en politieke verschuivingen gaande waren. Of beter, hij zag ze wel, maar alleen als hij ze nodig had om de Hoge Kunst te dienen, en om Zijn Museum draaiende te houden.

Paul Kempers: ‘Het gaat om heel eenvoudige dingen’ – Jean Leering en de kunst
Valiz; 336 pagina’s; € 27,50.
3 sterren. 

Het beeld dat naar voren komt uit Hannema, museumdirecteur van Wessel Krul, emeritus hoogleraar moderne kunst- en cultuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, is dat van een man die alleen zag wat hij wilde zien. En aanvankelijk was dat een verdienstelijk uitgangspunt: hij kocht prachtige schilderijen aan (van Rubens tot Charley Toorop, en ook Rembrandts Titus aan de lezenaar), maakte legendarische tentoonstellingen (Bosch en Vermeer), wist grote verzamelaars als Van Beuningen en Van der Vorm aan het museum te binden en zorgde voor een nieuw onderkomen dat op den duur groter dan het Rijksmuseum had moeten worden. Kortom, Hannema, die op zijn 26ste directeur werd, maakte in twintig jaar tijd van het provinciale Boijmans een groot en bekend museum.

Edoch, zijn ijdele verlangen een belangwekkend directeur en kunstconnaisseur – een ‘oog’ – te worden, brak hem uiteindelijk ook op. Doordat hij alleen zag wat hij wilde zien, schreef hij de ene na de andere vervalsing aan Johannes Vermeer toe. Met als bekendste De Emmaüsgangers, die door Han van Meegeren bleek te zijn geschilderd. Iets wat Hannema nooit heeft willen toegeven en wat hem er niet van weerhield steeds weer nieuwe ‘Vermeers’ te ontdekken. In zijn privéverzameling had hij er uiteindelijk negen!

Maar het fnuikendste gevolg van Hannema’s oogkleppen was dat het hem tijdens de Tweede Wereldoorlog recht in de armen van de NSB en de Duitsers dreef. Om de nationale kunstschatten voor Nederland te behouden, luidde zijn verweer na de oorlog, toen hij als collaborateur werd vervolgd. Maar ja, hij bewonderde het Italiaanse fascisme, maakte deel uit van het ‘schaduwkabinet’ van Anton Mussert en dineerde met Seyss-Inquart. En waarom zag hij niet dat de Rotterdamse burgemeester Frits Müller zoveel Joden versneld aan de Duitsers uitleverde?

Dat hij altijd op intuïtie had gehandeld, nooit wetenschappelijk onderzoek had gedaan naar de herkomst van kunst en zich niet met politiek wilde bemoeien – het bleek desondanks maatschappelijke implicaties te hebben.

Dat is ook wat beide publicaties duidelijk maken. Een directeur is meer dan iemand die kunstwerken aankoopt en schilderijen ophangt, die politici te vriend houdt en sponsors zoekt. Op de achtergrond spelen ideologische voorkeuren en karaktertrekken een grote, zo niet doorslaggevende rol, ook voor wie denkt daaraan te kunnen ontsnappen. En dan blijkt dat kunst niet waardevrij is, niet voor en niet na de oorlog. Waardoor je toch gaat denken dat ze ook nooit waardevrij is geweest.

Wessel Krul: Hannema, museumdirecteur – Over kunst en illusie. 
Prometheus; 636 pagina’; € 49,99.
4 sterren. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.