Kunst van A tot Z, van alpha tot omega

EEN naslagwerk over christelijke kunst en architectuur zal in bijna ieders voorstelling eindigen met Zurbaran, de Spaanse schilder die al zijn monniken in hun zwaar geplooide omvangrijke habijten tot stilleven maakte - en is een heilige iets anders dan een stilleven of 'nature morte'?...

KEES FENS

Maar de beeldendrang is ontembaar. Er zijn nooit meer iconen gemaakt in het oosten dan in de eeuwen nadat de iconoclasten hun werk hadden gedaan (die overigens niet alleen de afbeeldingen, maar een hele theologie verwoestten; de kerk zelf herstelde zich dus in de herrijzenis van de beelden en dat zou wel eens voor alle eeuwen, ook in het westen, kunnen gelden. De barok van de contra-reformatie!).

Maar de grootste verwoesting is natuurlijk die van de betekenisloosheid. De zaken zijn er nog, ongeschonden vaak, maar de geestelijke wereld waarin zij ontstonden is uit het geheugen verdwenen. Ze betekenen niets meer. Misschien is 'ontlediging' beter dan verwoesting. Ze zijn vorm geworden, maar onbegrijpelijk. Soms erger ik mij aan de bij museumbezoekers veronderstelde onkunde. Het vanzelfsprekende wordt toegelicht. Het zal moeten. Op de Jan Steen-expositie las ik bij het schilderij 'De bruiloft van Cana' dat Jan Steen het wonder van de verandering van water in wijn ook ziet als een voorafbeelding van de eucharistie. Alsof hij dat heeft ontdekt. Het spreekt voor de kennis van zijn tijd, dat hij die gedachte als bekend kon veronderstellen. (Het zegt misschien ook veel, dat Steen het zelf wist). Al vanaf de vierde eeuw wordt de voorafbeelding verwoord en verbeeld (op sarcofagen, onder meer). Wellicht maakt juist het dubbelkarakter van de christelijke kunst - ze is afbeelding, maar tegelijk ook symbool - haar steeds meer ontoegankelijk. Ze veronderstelt een dubbele kennis. De kunst is erfgenaam van een altijd dubbelzinnig geloof, waarin alles zijn eigen en een symbolische of verwijzende betekenis heeft. De kunst is het product van een door steeds minder mensen beheerst, zeer ingewikkeld stelsel. In de hele traditie heeft men nooit met het 'ding an sich' genoegen genomen. Voor die enkelvoudigheid achtte men God te groot. Lees de bijbelcommentaren van de kerkvaders en de middeleeuwers. En die hebben heel wat betekenissen aan de kunsten geleverd. Misschien is bij de uitleg dit de grootste moeilijkheid: elke geduid onderdeel verwijst weer naar een ander onderdeel, dat ook weer in zijn eens geduide betekenis gekend moet worden. Het is een gebed zonder eind.

JUIST vanwege de verwikkeldheid, de samenhang van bijna alles, lijkt een naslagwerk waarin het alfabet alles ordent en tegelijkertijd verstrooit, een weinig geschikt hulpmiddel voor de toegang tot de christelijke kunst, het denken erachter en de wereld waarin ze ontstond. Men kan natuurlijk met kruisverwijzingen veel oplossen. Maar waarschijnlijk is de grootste moeilijkheid dat de onwetende ook niet weet waar hij het moet zoeken. Misschien is dit een helder voorbeeld. In alle katholieke kerken bevindt zich achterin, bij het portaal, meestal uitgespaard in de muur, een bakje water. (Het staat nu meestal droog, want Gods water betekent niet veel meer). Het water is gezegend water, het heet wijwater. ('Liever Awater dan wijwater', zei Roland Holst over Nijhoffs bijbelse spelen). De binnenkomende gelovige bekruist zich met de hand nat gemaakt in het wijwatervat. Waarom? Soms staat de wijwaterbak los en heeft ze een bekkenvorm. Die kan herinneren aan een fontein. (De heel grote in de Sint Pieter in Rome hebben de omvang van een fonteinbekken). Al in het vroege christendom stond in de voorhof van de kerk een fontein of een put. Men waste de handen, soms ook het gezicht en de voeten. De wassing was een teken van de innerlijke reiniging; zonder een zuiver hart kon men de kerk niet betreden. Het wassen had al een symbolische betekenis. Maar die fontein of put en het water zelf kregen ook weer een symbolische betekenis. De fontein werd de 'bron van het leven' en alle passages over stromend water uit de bijbel kwamen in beweging en gingen in de symbolisering meespelen. Als 'fons vitae' werd de fontein overladen met betekenissen, verwijzend naar het paradijs, het eerste en dat in de hemel, naar de herten die naar stromend water dorsten (in de psalmen), middels teksten uit het Hooglied naar Maria. En natuurlijk herinnerde die fontein of put in de voorhof aan de vont waaruit men gereinigd tevoorschijn kwam bij de doop. Van dat alles nu is dat bakje achter in de kerk het restant; haast een symbool van een symbool van een symbool. Misschien kan men in een goed naslagwerk, met veel kruisverwijzingen, vanuit 'wijwater' naar die 'fons vitae' komen (en zo ook een onderdeel van 'De aanbidding van het Lam' van Van Eyck verstaan). Maar weet eerst maar, dat dat bakje 'wijwatervat' heet. (Misschien zit elk kerkgebouw vol met voorwerpen die restrituelen in stand houden).

Maar ik heb nog te weinig gezegd. Want de rituele reiniging met water kwam uiteraard vanuit het jodendom het christendom binnen. Wat ik niet wist, is, dat in de negende eeuw de individuele reiniging in de voorhof werd vervangen door een collectieve: de besprenkeling van de gelovige met water door de priester. Het staat nu nog bekend als 'asperges me'. De enkele druppel (die je dan nog bij toeval trof of treft) moet elke gedachte aan reiniging wel verdrongen hebben. Het 'asperges' was een leeg ritueel, om zichzelfs wil in stand gehouden, als een soort religieuze etiquette. Hoe mooi de tekst ervan ook is, want de wassing zal 'mij witter maken dan sneeuw'.

IK heb zelf de weg afgelegd. Dezer dagen verscheen The Oxford companion to Christian art and architecture. De auteurs zijn Peter en Linda Murray. De eerste - hij is in 1952 overleden en zijn vrouw droeg het boek met een mooie tekst aan hem op - was hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Londen. Zij doceerde dertig jaar kunstgeschiedenis aan dezelfde universiteit. Hun eigen ervaringen met de totale afwezigheid van elke kennis van de traditie bij hun studenten deden hen besluiten dit boek samen te stellen. Ze moeten er jarenlang en in steeds stijgende ouderdom aan hebben gewerkt, maar nog jong genoeg om Methusalem te vergeten. En die komt toch in voorafbeeldingen van de eucharistie voor.

Ik begon bij het toevallig gepasseerde trefwoord 'Stoup, holy water'. Een uitstekende beschrijving. De kruisverwijzingen zijn gedrukt in kleine kapitalen. Ik kwam Cantarus or Fountain tegen. De eerste is de naam van een bassin dat in Rome in de voorhof van de oude Sint Pieter stond. Hij staat nu nog in het Vaticaan. 'It was the origin of the stoup', staat er aan het eind. Ik word weer terugverwezen. Maar ik ga naar 'Fountain', en daar staat een werkelijk schitterende hoeveelheid informatie bij elkaar. Maar die wordt nog overtroffen door wat ik aantrof onder 'Fons Vitae' - waarheen ik bij 'Fountain' werd verwezen. Met zeer vele citaten uit de Bijbel. Er waren nog meer verwijzingen, die ik nu even terzijde laat. In elk geval: er liet zich een prachtig beeld en een niet minder indrukwekkende geschiedenis construeren. Van een geestelijke wereld en een van haar uitdrukkingsvormen.

De kruisverwijzingen werkten perfect. En dat bleek ook het geval bij elnkele andere onderdelen die ik heb geraadpleegd. Er kan natuurlijk gerelativeerd worden: voor wie al een en ander weet, spreken de onderdelen meer vanzelf dan voor anderen. Er ontstaat voor hem ook een groter geheel. Ik kan me de moeilijkheid van de geciteerde bijbelteksten voorstellen, het noemen van een naam als die van Paulinus van Nola ook. De grote man kreeg geen kleine kapitalen, maar hij blijkt wel in het boek te staan. Met natuurlijk een verwijzing naar de door hem gegeven beschrijvingen van de kerken die hij in het begin van de vijfde eeuw bouwde en die weer heel veel over oudchristelijke architectuur en afbeeldingen zeggen en over de functie van de laatste: de ongeletterden het geloof laten verstaan. 'Duif' en 'lam' worden met name genoemd.

Bij de eerste gedachte lijkt een figuur als Paulinus van Nola niet een trefwoord in een naslagwerk van deze soort te verdienen. Dat hij een paar keer in de beeldende kunst voorkomt, is te weinig. Maar de verwijzing naar zijn brieven en de inhoud ervan, rechtvaardigt zijn aanwezigheid. En duif en lam in de christelijke iconografie komen uiteraard in het boek ontelbare keren voor. Ze hebben ook beide een eigen trefwoord. En de inhoud van de stukken over beide zijn in al hun beknoptheid knap: door de bijbelse verwijzingen en door de verschillende realisaties van die bijbelplaatsen in de kunst. Ze zijn ook kenmerkend voor het hele boek: het geeft bij bijna alles de bijbelse of theologische leer, gevolgd door de verbeelding ervan, waarbij dan enkele van de belangrijkste van die verbeeldingen worden genoemd. Het boek geeft godsdienst- en kunstles ineen.

NATUURLIJK moest er worden gekozen. Men kan zeggen dat, wat de kunstenaars betreft, Italië oververtegenwoordigd is. Fankrijk komt er minder rijk af, Engeland krijgt iets te veel aandacht. Nederland lijkt nauwelijks een rol te spelen. Wat uiteraard niet verwonderlijk is, want met de reformatie stopt hier de kerkelijke kunst (niet de religieuze, maar opvallend is dat de meeste 'christelijke kunst' uit het boek kerkelijke kunst is) en daarvoor had het Noorden weinig te bieden. Het Zuiden krijgt uiteraard alle aandacht. Natuurlijk krijgt Rembrandt vanwege zijn bijbelse werk een eigen trefwoord. Heel veel grote theologen en mystici uit de traditie krijgen uitvoerige lemma's, al is hun relatie tot de kunst niet altijd aanwijsbaar. Zij zullen opgenomen zijn omdat hun namen in heel wat kunsthistorische geschiften over christelijke oudheid, middeleeuwen, renaissance en barok voorkomen. Want zij mogen geen directe relatie met de kunst hebben, hun ideeën hebben in heel wat kunstwerken gestalte gekregen: kerkelijke kunst is nu eenmaal theologische verbeelding.

Met opzet eindig ik de opsomming bij de barok. Dat is de laatste grote kerkelijke stijl geweest, in architectuur en beeldende kunst. Over de erop volgende eeuwen hebben de auteurs dan ook minder te zeggen: de secularisering begint en de kerkelijke kunst verstart in de oude vormen, die oude inhouden blijven presenteren. De vitaliteit van de Europese kunst komt buiten het geloof en de verbeelding ervan te staan. Kerkelijke kunst wordt religieuze kunst en die is vaak individualistisch en dus ook veelal buiten de traditie gehouden. Misschien het schraalste 'hoofdstuk' is dat over kerkelijke bouwkunst in de twintigste eeuw. Ook de architectuur - een genie als Le Corbusier uitgezonderd - staat buiten de moderne kunst. Misschien maakt de scheiding die omstreeks 1800 aanwijsbaar is, het onbegrip en de onkunde bij velen nu verklaarbaar: de christelijke kunst komt uit een andere tijd. En wat men aan kerkelijke kunst nu ziet, kan eerder afstotend dan enthousiasmerend werken (noemde Le Corbusier de moderne kerken niet de rotte kiezen in de stad?).

Over heel veel trefwoorden verspreid behandelt het boek de hoofdgegevens van de Bijbel en het christelijk geloof, vaak in vele 'betekenislagen'. En dat is meestal heel goed. De opzet dwingt natuurlijk tot beperkingen; bepaalde geloofsgegevens spelen in de beeldende kunst geen rol. In het boek lezend dacht ik: dit naslagwerk, samen met het onvergelijkelijk goede The Oxford dictionary of the christian chuch, moet ideaal zijn voor de student letteren of kunstgeschiedenis.

Ik heb bladerend en lezend in het werk een heleboel geleerd. Bijvoorbeeld over het woord 'kapel'. Ik citeer: 'Van laat Latijns cappella, de mantel van Sint Martinus, een reliek vereerd door de Franse koningen uit de zevende eeuw, en bij uitbreiding gebruikt voor de plaats in het koninklijk paleis waar de reliek werd bewaard, en later voor elke plaats waarin relieken werden bewaard. Omdat een reliek tenslotte in een kerk werd bewaard, werd een kapel een klein onderdeel van een kerk.' En er volgt een stuk over de ontwikkeling van de kapel. Dat we de eerste verkeersregel danken aan het eerste Heilig Jaar was mij onbekend. In 1300 stroomden de pelgrims toe. De ene brug over de Tiber werd zo overladen, dat pelgrims dood werden getrapt. Bij pauselijk decreet denk ik, werd de voetgangers bevolen links te houden. Twee maanden geleden zag ik ze opnieuw: de ossen die uit de torens van Laon kijken. Dat ze een verbeelding zouden kunnen zijn van de ossen die voor de karren de stenen naar boven trokken, wist ik. Maar dat er ook een grote witte os in is verbeeld die, toen de trekkers het niet meer aankonden, plotseling verscheen en met wonderbaarlijke krachten alles naar boven bracht, wist ik niet. Het is een mooie legende. En ze past in dit boek, waarin feiten en de allerhoogste fictie, die van de religieuze verbeelding, zijn samengebracht. De witte os is symbolisch voor dit van symbolen overladen boek. Want die kenden maar één richting: ze wezen altijd omhoog.

Maar de terugwijzing met het laatste trefwoord, 'Zwingli', is het mooist.

Peter and Linda Murray, The Oxford companion to Christian art and architecture, Oxford University Press, ¿ 90,60.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden