PostuumKrzysztof Penderecki

Krzysztof Penderecki (1933-2020), componist van duistere noten, was de favoriet van horrorregisseurs

Krzysztof Penderecki is zondag overleden, melden Poolse media. Hij was een van de beroemdste componisten ter wereld en een nationale held in Polen. Veel van zijn muziek belandde – zonder dat de componist daar op uit was – in horrorfilms, zoals The Exorcist en The Shining.

Beeld EPA

De zondag overleden Krzysztof Penderecki (1933-2020) was de meest gedecoreerde componist ter wereld. Negen landen verleenden de Pool ridderorden. 22 maal droeg hij de baret voor een eredoctoraat. Terwijl collega-componisten soms twijfelden aan de oprechtheid van Penderecki’s kunstenaarschap, stapelden prijzen, academielidmaatschappen, eredocentschapen en ereburgerschappen zich op in Penderecki’s cv.

Sensationeel waren Penderecki’s vroege entrees in 1960 en ’61 in het West-Europese moderne-muziekcircuit, met orkeststukken als Anaklasis (‘lichtbreking’) en Fluorescences: versplinterende tonen en ruisklanken mengden zich tot schurende klankblokken. Kennersapplaus overspoelde de jonge pionier, afkomstig uit een moeilijk communistisch land. Later, toen de bijval uit Europees-modernistische hoek luwde, spitten cineasten als William Friedkin en Stanley Kubrick nog met succes in het Penderecki-oeuvre rond, op zoek naar horrorklanken voor de soundtracks van films als The Exorcist en The Shining.

Geboren in 1933 als advocatenzoon in het stadje Debica – niet ver van Krakau, waar hij later conservatoriumdirecteur zou worden – groeide Penderecki op in een land dat generaties lang getekend was door bezetting, armoede en oorlogsgeweld. Het droeg grove littekens van de vernietigingskampen die nazi-Duitsland op touw had gezet, en ging na de oorlog gebukt onder een dictatuur naar Stalinistisch model.

Van een versoepeling die langzaam intrad, profiteerden als eerste de podiumkunsten. Met collega’s als Henryk Gorecki en de oudere Witold Lutoslawski hoorde Penderecki tot een vroege lichting ‘moderne Polen’, die haar opwachting maakte op een Warschau-Herfstfestival, dat wisselwerking zocht met West-Europese musici en media. Penderecki debuteerde er in 1959 met Strophen en Uit de Psalmen Davids, vocaal-instrumentaal werk waarin de dissonant en het geloof al hand in hand gingen.

Lofprijzingen uit westers-modernistische hoek namen af toen Penderecki de schurende aspecten van zijn muziek een decoratief doel begon te geven: in zijn Lukas Passie (1966) werd moderne klank hét middel voor het schetsen van leed en verschrikking. Toen hij rond 1970 ook nog eens teruggreep naar oude tonale middelen en muziekvormen als de symfonie (zijn motto: ‘Je kunt niet je leven lang een avant-gardist blijven’) gaf de harde kern van de avant-garde Penderecki op.

Uitgezwaaid als ‘pionier van de regressie’ zag de onverstoorbare Pool intussen een wachtrij ontstaan van opdrachtgevers aller landen. Cantates, symfonieën en concerti volgden elkaar op. Tot in Chili, Qatar en Nieuw-Zeeland werd Penderecki op hulde onthaald, vaak in samenhang met evenementen die hij zelf dirigeerde. Festivals te zijner ere waren er tot rond zijn 80ste en 85ste nog in Polen, China, Zuid-Korea, Armenië, Duitsland, Hongarije en de VS.

Omgekeerd draaide Penderecki de hand niet om voor een muzikaal eerbetoon aan de mensheid. Soms pas nadat het stuk al bedacht was en voltooid. Een strijkerswerk uit 1960, opgebouwd uit krijsende klankblokken en aanvankelijk 8 minuten 37 seconden geheten, werd herdoopt tot ‘klaagzang’ of Threnodie voor de slachtoffers van Hiroshima, en werd onder die titel wereldbekend. Collega’s verweten Penderecki opportunisme.

Penderecki herdacht Auschwitz in zijn oratorium Dies irae (1967). Een Lacrimosa (1980) voor overleden stakers in de scheepswerven van Gdansk, groeide via toevoegingen uit tot een Pools requiem, waarin Penderecki tevens stilstond bij de opstand anno 1943 in het getto van Warschau, en de slachting herdacht die Sovjettroepen in 1940 aanrichtten bij het Poolse Katyn. Een Ciaconna in memoriam Johannes Paulus II kwam er nog bij na de dood van de Poolse paus in 2005.

Voor ‘Jeruzalem 3000 jaar’ ontstond in 1996-97 een Zevende symfonie. Een pianoconcert wijdde Penderecki aan de slachtoffers van 11 september 2001 in Amerika. Bij een herdenking van de Eerste Wereldoorlog klonk in Brussel Dies Illa, met 1300 koorzangers. In Armenië anno 2015 eerde Penderecki’s Derde psalm (‘Talrijk zijn mijn belagers’) anderhalf miljoen slachtoffers van de genocide honderd jaar eerder.

Gevraagd naar het waarom van zijn herdenkingsijver en religieuze aspiraties, antwoordde Penderecki dat hij er met zijn Poolse achtergrond niet omheen kon. Aan Nederlandse bewonderaars ontbrak het hem niet: hij stond centraal op tal van festivals. Banden met de Nederlandse tuinbouw cultiveerde hij als hobbykweker en bomenverzamelaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden