Krog omarmt de wereld en is op haar sterkst in de kleinste taferelen

De dichter omarmt haar moeder en merkt dat ze een bochel vasthoudt. Bij het weggaan ziet ze in de achteruitkijkspiegel het oude, 'vooroverstortende lijf'.

Tijdens een busreis wordt ze belaagd door bacteriën en 'stekelpotige mijten die smullen van schilfers en schimmelziektes'. Met dergelijke, oorspronkelijke beelden etst Antjie Krog haar observaties in het geheugen van de lezer. De beeldtaal is van een bittere, schokkende schoonheid.

De gedichten van Antjie Krog (Zuid-Afrika, 1952) zijn genereus. In klank, woordkeus en strekking zijn ze overdonderend en 'welig': 'Sy lag welig na my toe op' is in deze tweetalige uitgave vertaald met 'ze kijkt op met een gulle lach'.

Sterfgevallen

Vrolijkheid voert niet de boventoon in deze bundel. Een diep weten dat de mensheid gedoemd is te falen, en op de weg ernaartoe gruwelijkheden begaat, domineert. Hoe soepel de woorden ook vloeien en haperen op het juiste moment; altijd dreigt het gevaar dat iets, iemand een barst gaat vertonen en breekt.

De bundel is gecomponeerd aan de hand van sterfgevallen, openend met de begrafenis van Krogs vader. De moeder van Krog wenst in 'Ik wil een graf hebben om van weg te gaan' dat de kinderen zelf hun vader begraven. zwagers schoonzoons kleinzoons neven beginnen het graf te dichten/ maar het is zwaar werk en geen van hen kan met een schep omgaan/ mijn broer heft zijn hoofd om op adem te komen een zwarte/ man steekt zijn hand uit het is Kapi pa's trekkerrijder/ mijn broer kijkt hem een paar seconden aan en/ overhandigt hem de schop mijn moeder huilt nu hoorbaar.

Zonder de politieke geschiedenis van Zuid-Afrika te beschrijven, schetst Krog een situatie waarin alle scheve verhoudingen in één keer duidelijk zijn.

Verbondenheid

Overgrootmoeder Betjie van Middenspruit liet haar man uit zijn graf halen om hem toch maar een ander zondags pak aan te trekken. De dichter vertelt hoe haar moeder dat pas bij het verlies van haar eigen man begrijpt: ik zou niets liever willen dan/ daar bij die hoop grond te gaan graven/ net zolang totdat ik bij je vader ben/ tot waar hij is en hem/ aan zijn schouders optil/ die ontontkoombare daarheid van 'm.

Krog omarmt de hele wereld en beschrijft deze vanuit een grote verbondenheid. Deze verbondenheid kan net zo gemakkelijk bestaan uit liefde als uit afschuw - van de onaanvaardbare dood van Nelson Mandela (we wilden zijn stervende lichaam niet zien) tot de ongrijpbaarheid van het universum. Het sterkst zijn de gedichten waarin Krog haar wijde blik toespitst op ogenschijnlijk kleine taferelen. In 'Slapen in de kamer van een meisje' observeert Krog hoe haar kleindochter altijd maar haar best doet. Hoe ze haar kamer opruimt, haar rooster naast de studeertafel plakt. Wanneer het kind een glas sap omstoot, ziet oma de angst in het kind en in haarzelf opflakkeren: dat je misschien maar een gewoon meisje bent deze/ oma weet hoe je best doen je daar voor de rest/ van je leven ongelukkig mee gaat maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden