Kritiek van de cynische rede

De mens is niet te redden, maar waarachtige zelfspot houdt het leven dragelijk. Dat betoogt de filosoof Peter Sloterdijk in zijn bestseller uit 1983

In een interview met de Frankfurter Rundschau uit 1993 noemt de Duitse filosoof Peter Sloterdijk zijn boek Kritik der zynischen Vernunft, waarmee hij in 1983 doorbrak en dat een van de best verkochte filosofische werken van de 20ste eeuw zou worden, een 'performance' en ook 'een fenomenologie van alle grappen die überhaupt over mensen gemaakt kunnen worden'.

Dit boek is dertig jaar na dato in een prachtige uitgave opnieuw in het Nederlands verschenen; Hans Driessen heeft de oorspronkelijke vertaling van Tinke Davids herzien, Sloterdijk schreef speciaal voor deze uitgave een voorwoord.

Kritiek van de cynische rede is in zoverre een performance dat het aangenaam is verluchtigd met afbeeldingen. Van een al te systematische structuur lijkt ondanks de hoofdstukindeling geen sprake; Sloterdijk bewandelt met graagte zijpaden, hij is een meester in de associatie. Zo wordt een korte geschiedenis van de Weimarrepubliek afgewisseld met een poging de vraag te beantwoorden wat Martin Heidegger aantrok in het nationaal-socialisme, en elders wordt het cynisme van de seksualiteit behandeld.

Hoewel Sloterdijk over een onmiskenbaar gevoel voor ironie en sarcasme beschikt, is zijn Kritiek ook een serieuze poging de meeste filosofische ernst te ontmaskeren als weinig meer dan de wil tot macht. ('In alle faculteiten zie je holle zwetsers aan het werk, die de eenvoudigste dingen zo ingewikkeld maken dat ze onkenbaar worden, bij de juristen niet minder dan bij de filosofen.') Deze filosofische ernst wordt gepersonifieerd door Hegel, die het dan ook diverse malen moet ontgelden. Zijn systeem wordt een 'spookachtige ruïne' genoemd en zijn wereldgeest 'een kannibaal die het bewustzijn van zijn tegenstanders opvreet en zijn soevereiniteit ontleent aan de consumptie daarvan.'

Toch is de Kritiek van de cynische rede geen poging tot 'vadermoord', daarvoor blijft Hegel net iets te veel een figurant. Sloterdijks afrekening met Habermas en de kritische theorie van de Frankfurter Schule - de directe aanleiding was de discussie die ontstond over Sloterdijks boek Regels voor het mensenpark uit 1999 - verdient eerder het predicaat vadermoord. Sloterdijk heeft overigens zelf aangegeven dat hij zijn eigen vader nooit heeft gekend, dat hij vaderfiguren heeft moeten creëren; de filosofie was daarbij eerder middel dan doel, en daarom zou elk verlangen naar vadermoord hem vreemd zijn.

Hoe dan ook, Habermas was meer een vader dan Hegel; in Hegel ontwaarde Sloterdijk hooguit een filosoof die niet zo van grappen hield. Sloterdijks opmerking over de 'fenomenologie van de grap' kan namelijk niet serieus genoeg worden genomen. Met filosofische en literaire middelen onderzoekt hij hoe het komt dat de mens zo'n moeite heeft zichzelf te herkennen als clown. Wat uiteraard eveneens een onderzoek naar macht is; juist de politieke maar ook religieuze machthebber moet de onderdaan doen vergeten hoe clownesk de macht in werkelijkheid is, desnoods met geweld; ijdelheid is een belangrijke steunpilaar van de wil tot macht.

Bij dit onderzoek gaat Sloterdijk buitengewoon erudiet te werk. Zelfs zo erudiet dat de filosofisch minder geschoolde lezer hem soms verdenkt van bluffen, maar vermoedelijk kan de Sloterdijk van de Kritiek van de cynische rede zich vinden in het idee dat álle filosofie bluffen op het hoogste niveau is.

Uiteraard zijn de 'getuigen' die Sloterdijk oproept veelal schrijvers en romanfiguren. De literatuur voelt zich nu eenmaal meer thuis bij de mens als clown dan de filosofie, die immers bestaat, althans volgens Sloterdijk, om te bewijzen dat deze wereld bewoonbaar is voor redelijke wezens. De literatuur lijkt te willen aantonen dat deze wereld helemaal niet zo bewoonbaar is voor redelijke wezens, en ik sluit niet uit dat zij aan deze absurde onderneming haar bestaansrecht ontleent.

Dostojevki's grootinquisiteur, Goethes Mephis- topheles, het 'men' van Heidegger, de ten onrechte verget

en roman Fabian van Erich Kästner, het dadaïsme, Brecht, Ernst Toller, Freud, Heine, Nietzsche, Döblin, Hitler, soldaat Švejk, Adorno en altijd weer Diogenes van Sinope: dat zijn de belangrijkste bronnen waaruit Sloterdijk put.

Maar wat is die cynische rede nu precies? In het voorwoord bij deze Nederlandse heruitgave schrijft Sloterdijk dat zijn definitie van cynisme als 'verlicht vals bewustzijn' 'de toets van de tijd glansrijk' heeft doorstaan. Zelf vat hij dit verlicht vals bewustzijn samen als: 'Ze weten wat ze doen, en ze doen het toch.' Wat mij betreft wordt het nog adequater beschreven in het hoofdstuk 'Cynisme in het wereldproces' door het credo: 'Leven en laten sterven.' Cynisme volgens Sloterdijk is het ja zeggen tegen de realiteit in het volle bewustzijn van welke prijs daarvoor betaald moet worden, een geveinsde naïviteit, een bijzonder geraffineerde vorm van niet willen weten.

Sloterdijk heeft echter ook gesuggereerd dat dit boek een poging is de Verlichting voort te zetten, wat de vervolgvraag oproept: wat heeft cynisme met de Verlichting van doen?

Daarvoor moeten we naar een van de belangrijkste getuigen van Sloterdijk: Dostojevski's grootinquisiteur (uit De broers Karamazov).

Jezus komt terug op aarde. De grootinquisiteur, de vertegenwoordiger van het instituut kerk, ziet in hem een bedreiging voor de maatschappelijke orde, een raddraaier, anders gezegd een terrorist. Hij moet uiteraard dood, voordat de massa weet krijgt van zijn wonderbaarlijke terugkeer. De grootinquisiteur zoekt hem in zijn cel op om hem in te lichten over zijn plannen, en wat doet Jezus? Die kust de grootinquisiteur op 'de bloedeloze mond'. Daardoor is de grootinquisiteur zo in verwarring gebracht dat hij besluit Jezus niet te doden maar slechts te verjagen; hij roept hem nog na vooral nooit meer terug te komen.

In de grootinquisiteur ziet Sloterdijk een exponent van de Verlichting: iemand die empirische kennis over de mens heeft opgedaan. Die kennis houdt hier in dat de mens bedrogen wil worden. De grootinquisiteur begrijpt eveneens dat alle kennis voorbij goed en kwaad is; iemand die aan waarheidsvinding doet zal zich niet afvragen of de gevonden waarheid wenselijk of onwenselijk zal zijn; voor de grootinquisiteur bestaat er geen wezenlijk verschil tussen de vaststelling dat de mens meestal bedrogen wil worden en het feit dat water meestal bij honderd graden kookt.

Door middel van deze kennis, die we ook realiteitsbesef kunnen noemen, komt de grootinquisiteur tot de betrekkelijk idealistische en nog altijd wijdverspreide gedachte dat de maatschappij geen ordeverstoorders kan gebruiken. Het goede doel, de orde, maakt het kwaad, de moord op Jezus, tot een 'zogenaamd kwaad'. Voilà, de cynische rede.

Maar, en dat is interessant, Dostojevksi ziet dat diezelfde rede, althans volgens Sloterdijk, werkzaam is in Jezus. Jezus houdt zonder aanzien des persoons van de mens; ook van hen die hem verraden, zoals de grootinquisiteur. Zijn doel, universele liefde, rechtvaardigt het middel, de liefde voor de grootinquisiteur, waardoor ook de liefde van Jezus voorbij goed en kwaad is; ook Jezus maakt gebruik van de cynische rede. Tegenover het cynisme stelt Sloterdijk de kynische levenshouding, waarvan volgens hem de filosoof Diogenes van Sinope, die in de vijfde eeuw voor Christus in Korinthe in een ton leefde, de peetvader was. Sloterdijk beschouwt de sublieme spot van Diogenes als een geraffineerde en hoogstaande vorm van kennis, hij was een meester in de kunst van het ontmaskeren van de macht. Diogenes bespeurt 'De zwendel van idealistische abstracties en de schizoïde onnozelheid van een denken dat uitsluitend in het hoofd plaatsvindt'.

Macht blijkt het cruciale verschil tussen kynisme en cynisme. Cynisme gaat van boven naar beneden, kynisme van beneden naar boven; de kynicus is machteloos, hij trekt hooguit de grondslagen waarop alle macht berust in twijfel. Een voo

rbeeld: Alexander de Grote zoekt Diogenes op en vraagt: 'Wat kan ik voor je doen?' Waarop Diogenes antwoordt: 'Ga uit mijn zon.' Dat is het kynisme in optima forma.

De kynicus weigert een maatschappelijke rol te spelen, dat wil zeggen de maatschappelijke ladder te beklimmen, sterker nog dat streven bespot en veracht hij. Zo masturbeerde Diogenes in het openbaar.

Sloterdijk zelf staat uiterst sympathiek tegenover dit kynisme, toch vraag ik me af of doelbewust machteloos blijven uiteindelijk geen variant is op de cynische rede. Wie de machteloosheid verheerlijkt om zijn handen schoon te houden, ontsnapt vermoedelijk niet aan het verlicht vals bewustzijn. Kun je zelf besluiten paria te worden, en wat betekent dat besluit concreet?

Hoe dicht het kynisme tegen het cynisme aanligt, maakt Sloterdijk duidelijk in zijn hoofdstuk over het dadaïsme. Hij verwijt het dadaïsme een 'zelfmoordenaarszelfbewustzijn' - de cultuurhaat van dada, de verwerping van de cultuur die de dadaïst om zich heen ziet, richt zich uiteindelijk ook tegen de dadaïst zelf, die moet erkennen een product van die cultuur te zijn - en een romantisch cynisme, dat eveneens slordig verborgen zit in het fascisme.

Sloterdijk eindigt onverwacht hoopvol, zoals ook zijn boek Je moet je leven veranderen (2011) onverwacht hoopvol eindigt. Dat leidt tot poëtische maar cryptische zinnen: 'De liefdeloosheden van gisteren dwingen je tot niets', schrijft hij op de laatste bladzijde van Kritiek van de cynische rede. Deze laatste, optimistische paragrafen staan in schril contrast met eerdere verzuchtingen als: 'De verlichting kan maar een conclusie trekken, de mens is niet te verlichten.' En: 'Wat is terreur anders dan consequent idealisme?'

We kunnen het cynisme achter ons laten door op te gaan in het moment, concludeert Sloterdijk, misschien wel door ons van de wereld af te wenden, zoals hij zei in een interview met de Bayerische Rundfunk uit 1994: 'Die Welt ist alles, dem den Rücken zu kehren dem Menschen in gewisser Weise naheliegt' ('De wereld is alles waarvan de mens in zeker opzicht geneigd is zich af te keren').

Hoe begrijpelijk dat ook is en hoe sympathiek ik een dergelijke levenshouding vind, ik vermoed toch dat ook in deze verzaking uiteindelijk de cynische rede werkzaam zal zijn. Immers, als het werkelijke beroep van de mens 'overlevingskunstenaar' is, iets wat Sloterdijk op diverse plaatsen lijkt te suggereren, is een positie buiten de cynische rede onmogelijk. Het eigen overleven als doel zal ertoe leiden dat alle middelen zijn toegestaan met een (verlicht) vals bewustzijn tot gevolg.

De vertaling van Tinke Davids was lovenswaardig, maar Hans Driessen heeft haar vertaling weten te verbeteren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden