Kraamkamer voor de Führer; STICHTING LEBENSBORN STOND OP DE BRES VOOR HET ARISCHE KIND

TOEN MARTIN Bormann, Hitlers rechterhand, in 1944 aan zijn vrouw schreef dat hij de actrice Manja Behrens het hof had gemaakt, reageerde zij enthousiast....

Zo zagen de nazi's het graag. De taak van de vrouw, zei Goebbels meer dan eens, was om mooi te zijn en kinderen te baren, net als in de vrije natuur. Mannen aan het front, vrouwen aan de wieg, beider loyaliteit allereerst aan het volk.

Op het oog voldeden de Duitsers aan het ideaalbeeld. Victor Klemperer noteerde in 1942 in zijn dagboek dat hij overal zwangere vrouwen zag, die hun buik droegen 'als een partij-insigne'. 'Heel Duitsland', merkte hij op, 'is een vleesfabriek.'

Maar de schijn bedroog. In werkelijkheid was het geboortecijfer in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog dramatisch gaan dalen; van 128 per duizend vrouwen in de vruchtbare leeftijd in 1910 tot 59 in 1933. De nazi's probeerden de trend met alle middelen te keren. Abortus werd verboden, voorbehoedsmiddelen werden onderdrukt, duizend-en-één aanmoedigingspremies en belastingvoordelen voor kinderrijke gezinnen uitgedacht. Het erekruis voor de Duitse moeder werd in drie klassen uitgereikt: brons voor vijf, zilver voor zes of zeven, goud voor acht kinderen of meer.

Het hielp slechts kortstondig. In 1939 was het geboortecijfer gestegen tot 85 om in de volgende jaren terug te lopen tot het dieptepunt van 1933. Zelfs SS-gezinnen, door Himmler opgeroepen vele zonen te produceren, zodat er enkele op het slagveld konden sneuvelen, hadden gemiddeld niet meer dan 1,1 kinderen. De Duitsers waren niet voor elk idee van hun regime in.

Dat blijkt ook uit de geschiedenis van de stichting Lebensborn, beschreven in 'Deutsche Mutter, bist du bereit. . .' van de Duitse journaliste Schmitz-Köster. Lebensborn werd in 1935 door de SS opgericht om het belang van het 'arische' kind te dienen. In de praktijk hield de organisatie zich vooral bezig met het bestieren van een keten van goed geoutilleerde kraaminrichtingen, de meeste gevestigd in fraai gelegen landhuizen. Er kwamen naar schatting zo'n zevenduizend kindertjes ter wereld.

De meesten van hen waren buitenechtelijk verwekt. Lebensborn bood ongehuwde zwangere vrouwen een werkelijk ideale opvang. Ze werden ingedeeld in een tehuis ver weg, konden post ontvangen via schuiladressen en van maanden voor tot maanden na de bevalling blijven. Aangifte van het kind, afspraken met de biologische vader, sociale voorzieningen en welke andere formaliteit ook werden geregeld door een strikt van de gewone instanties gescheiden, eigen bureaucratie. Niemand hoefde van het kind te weten.

Aangenomen althans dat het een kind 'guten Blutes' betrof. De aanstaande moeder moest bij haar aanmelding haar 'arische' afstamming tot vóór 1800 aantonen, alsmede die van haar minnaar. Dat bleek niet zo moeilijk; driekwart van de aanmeldingen werd goedgekeurd. Kinderen die ondanks hun superieure genen met een hazenlip of een andere afwijking werden geboren (hetgeen tot grote irritatie van de Lebensborn-voormannen gebeurde), werden direct naar een gewoon ziekenhuis gestuurd. Ernstig misvormde pasgeborenen werden waarschijnlijk - het is in slechts een enkel geval aantoonbaar - vermoord.

Hoewel Lebensborn enerzijds een sinister onderdeel is van de poging van het regime om traditionele, christelijke waarden te vervangen door de verheerlijking van ras en strijd, is het ook een illustratie van de mate waarin dat niet lukte. De meeste kinderen die er ter wereld kwamen, waren niet bedoeld als geschenk aan de Führer, maar waren een ongewenst gevolg van een escapade. En hoewel het regime de Lebensborn-moeders door de selectie en goede behandeling het idee gaf dat ze tot een elite behoorden, zag de buitenwereld dat helemaal niet zo.

Dat blijkt al uit het feit dat Lebensborn duidelijk in een behoefte voorzag; het taboe op het ongehuwde moederschap was in nazi-Duitsland niet merkbaar kleiner dan elders of voorheen. Vele gelijkgeschakelde organisaties, ook die van de nationaal-socialistische verpleegsters die voor Lebensborn werkten, hielden vast aan de regel van ontslag voor zwangere ongehuwden. De getrouwde vrouwen die Lebensborn bezochten, zondigden vaak tegen de regels van totale gelijkheid en anonimiteit door zo snel mogelijk hun huwelijkse staat te laten doorschemeren. Zelfs binnen de SS had Lebensborn een licht bezoedelde naam.

Dat kwam ook doordat het instituut werd omgeven door een hardnekkige mythe. Lebensborn was - zo werd destijds al gefluisterd en zo is het nog steeds in overzichtswerken, televisieprogramma's en krantenartikelen te vinden - geen onschuldige kraamkliniek, maar een edelbordeel, waar stoere SS'ers hun streng geselecteerd genetisch materiaal overdroegen op hoogblonde, blauwogige meisjes.

Lebensborn als fokstation is, zo maakte de Duitse historicus Georg Lilienthal jaren geleden al duidelijk, onzin. Schmitz-Köster bevestigt dat voor het ene Lebensborn-instituut dat zij tot in de details beschrijft, 'Heim Friesland' bij Bremen, geen enkele aanwijzing bestaat van gearrangeerd paren. De SS wist heel goed dat de bevolking ideologisch nog niet rijp was voor zo'n experiment. Toen Himmler in 1939 zijn SS'ers opriep zich voort te planten, desnoods voor- of buitenechtelijk, registreerden zijn luistervinken afkeuring alom.

Het plan om de raciaal goedgekeurde kinderen onder te brengen bij SS-families bleek in de praktijk evenmin uitvoerbaar. De meeste moeders weigerden hun kinderen af te staan, en al deden ze dat wel, dan waren adoptiefouders nauwelijks te vinden.

Zo is Lebensborn vooral interessant om wat het niet was. Dat wreekt zich een beetje in het boek van Schmitz-Köster, omdat het een 'Alltagsgeschichte' is. Hoezeer de auteur ook probeert de duistere kant van Lebensborn te accentueren, in veel opzichten was de 'Alltag' in Heim Friesland vrij gewoon. De doopceremonie speelde zich weliswaar af onder het toeziend oog van Hitlers moeder vanaf een foto aan de muur, en vereiste het zwaaien van een SS-dolk boven de kleine, maar de namen die bij die gelegenheid werden gegeven, waren veel vaker vertrouwd dan politiek correct. Ook de Lebensborn-kinderen heetten eerder Antje of Helga dan Edda of Odal.

Bart van der Boom

Dorothee Schmitz-Köster: 'Deutsche Mutter, bist du bereit. . .' - Alltag im Lebensborn.

Aufbau-Verlag; 245 pagina's; ¿ 50,40.

ISBN 3 351 02464 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden