Kop op, dus! Met of zonder haar!

'ROMANS zijn dikke boeken die andere schrijvers schrijven; de meeste slecht of overbodig en vol gezochte vondsten, maar niettemin aangeleverd in een voortdurende stroom van middelmatigheid', constateerde L.H....

Zelfs daarmee wist Wiener de aandacht van het grote lezerspubliek niet te trekken. Hoe dikwijls oplettende critici en bevriende auteurs (onder wie Jeroen Brouwers) ook uitriepen dat de Haarlemse leraar/schrijver Wiener ten onrechte werd veronachtzaamd, men wilde er niet aan. Die weigering kan te maken hebben met het genre. F. Springer en Helga Ruebsamen kunnen het bevestigen: zowel uitgevers als lezers beschouwen verhalen dikwijls niet als geconcentreerde romans - een kunst op zich - maar als vingeroefeningen voor het echte werk. Auteurs tellen pas mee als ze romans kunnen overleggen.

Welnu, daar heeft Lodewijk Wiener iets op gevonden. Als de mensen niet naar hem toe komen, om in zijn oeuvre te genieten van pareltjes als 'Meeëters zijn welkom', 'Valken hebben geen naam', of 'Wegens mensenkennis gesloten', dan is hij niet te beroerd om met een forse roman op de proppen te komen: Nestor. Níet slecht, níet overbodig, en vol ongezochte vondsten. Secuur geschreven als altijd, dit boek over een schrijver die zijn leraarschap aan de wilgen hangt omdat de huidige tijd vraagt dat docenten slechts begeleider en boekhouder zijn in plaats van een begeesterd verteller.

Terug bij af, zo is de situatie te omschrijven waarin de 57-jarige leraar Engels Viktor van Gigch zich bevindt, die publiceert onder het pseudoniem L.H. Wiener. Op meer dan één niveau is Van Gigch de radeloosheid nabij: thuis heeft hij een zoontje een dochter, maar hun jonge moeder is ervandoor gegaan en heeft minstens één nieuwe vriend. Blijven over zijn boot, de drank (bij whiskyliefhebber Wiener altijd 'Koningswater' geheten), en zijn trouwe pen en schrijfmachine, die hij niet alleen voor verhalen gebruikt, maar ook om brieven te schrijven aan vrienden en letterkundige dames als Xandra Schutte en Elsbeth Etty, en om te reageren op contactadvertenties met zijn typische weerbare humor: 'Ik heb, zoals gezegd, geen enkele mensenkennis en daarom ook ben ik schrijver. Op dit moment vliegen de exemplaren van mijn laatste bundel Mijne heren, krijg de kleren met 1 per week de deur uit van de verzamelde Nederlandse boekhandels en dat doet Harry Mulisch mij niet na.'

Een melancholicus op wie niemand zit te wachten, op een punt in zijn leven aanbeland dat hij de droefst denkbare balans zou kunnen opmaken: het is vergeefs geweest, mijn relaties, mijn verhalen, mijn docentenbestaan.

Maar dan draait Wiener de knop om. Voordat hij wegzinkt in zijn onmacht en de ondankbare wereld de rug toekeert, zet hij alles op alles en brengt zijn obsessies samen in een boek dat de onmacht werkelijk machtig maakt. Nestor mag er wezen. Het zal verdomde moeilijk worden Wiener te blijven negeren.

Zonder zich te verloochenen, kiest hij nu eens voor de grote greep. Op listige wijze vertelt hij een verhaal uit zijn schooltijd in Zandvoort (waarin hij zich Ezra Berger noemt), toen hij als veertienjarige een ransuil uit zijn nest nam en thuis in een leeg aquarium zette. Het verbond tussen de jongen en de vogel, zo vaak al door Wiener ontroerend opgeroepen, (in zijn verhalen wemelt het van reigers, valken, raven, kraaien en uilen), leidt ook in Nestor tot aangrijpende passages. Met name het moment dat hij de uil 's nachts leert vliegen, met een door de jongen geleverde prooi in de klauwen, is van een bijna religieuze vervoering: dier en mens maken even contact, terwijl de jongen weet dat de uil Nestor op een goede dag weer zal opstijgen, hem op de grond achterlatend. Kortstondig wordt het mysterie ondergaan, waarna de onafwendbare verwijdering inzet. Wederom speelt Wiener het klaar, hier en in een al even gewijde 'ontmoeting' met een reiger, deze scènes te laten vollopen met emotie zonder door te slaan in sentimentaliteit.

Het verhaal over Nestor, dat voorheen een kort verhaal of novelle zou zijn geworden, onderbreekt Wiener in Nestor geregeld om zijn hart te luchten over zijn wel en (vooral) wee als disappointed man aan de vooravond van de oude dag. Deze lasmethode is niet zonder risico's: ze kan de spanning uit het verhaal over Ezra en Nestor halen, en de lezer opzadelen met allerlei begrijpelijk, maar daarom nog niet welkom gefoeter over vrouwen, leraren en ergerlijk succesvolle brekebenen als Anna Enquist (wier roman Het geheim hilarisch wordt gefileerd). Het goede nieuws is echter dat Wiener munt slaat uit zijn frustraties. De ingelaste stukken werken mee aan het grote doel: laten zien dat hij er nog is, en hóe. 'Waar het nu op aankwam was genieten van zijn vrijheid en de rechtvaardiging van zijn keuze. (. . .) Kop op, dus! Met of zonder haar!'

Op wonderlijke wijze grijpen de diverse onderdelen (met elkaar verbonden, en van elkaar gescheiden, door een drievoudige asterisk) in elkaar. De parallellen zijn niet opzichtig aangebracht, maar niettemin voelbaar. Als Ezra zijn uil voor het eerst een levende muis als hapje voorzet, komt er uit diens binnenste een tros ongeboren jonkies te voorschijn. En nog een schok: Nestor slikt de zeven embryo's in één keer weg.

Tientallen pagina's verder verhaalt Van Gigch van de traumatische gebeurtenis uit 1973 die de scheiding van zijn eerste vrouw inluidde: in het ziekenhuis beviel zij voortijdig van een dood jongetje en een dood meisje. En díe ervaring doet hem weer twijfelen aan de 'authenticiteit' van Anna Enquist, die in Het geheim een spontane abortus beschrijft, waarna de man (nota bene een medicus) de foetus onmiddellijk in een schone jampot stopt en de pot in de ijskast zet. Zo doen mediocre romanschrijvers dat. Spreek Wiener er niet van.

Door het hele boek heen gewaagt hij van zijn fundamentele onvermogen tot werkelijk contact met naasten, of dat nu geliefden zijn of familieleden. Van Ezra's joodse vader Louis, die na de oorlog al zijn familie kwijt was, en die daarna de niet-joodse Nellie trouwde, schetst Wiener voor het eerst een openhartig portret: 'De oorlog had Louis en Nellie verbonden voor de rest van hun leven, niet als geliefden maar als lotgenoten, niet als minnaars maar als kameraden. Het werd de oorlog die de zin van hun leven uitmaakte, als een pad door duisternis verlicht, als een geschenk uit de hel. De oorlog was in Amsterdam voltrokken, als een onverbrekelijke verbintenis tussen leven en dood en wat de dood tezamen brengt zal het leven niet scheiden.'

Wiener kijkt met opgeheven hoofd in de afgrond. Zonder zelfbeklag vat hij zijn leven samen, neemt het met zijn soevereine stijl bij de horens. Aldus wordt deze uitvoerige bekentenis van onmacht een regelrechte aanrader. Onder zijn motto 'Twijfels heersen' kan Wiener met een gerust hart 'Luctor et emergo' kalken, met dien verstande dat hij juist uit dat gedurig worstelen ten slotte zijn overwinning peurt. Die zij hem volledig gegund.

L.H. Wiener: Nestor.
Contact; 286 pagina's; ¿ 22,50.
ISBN 90 254 1687 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden