Komtocheensklaarklootzak

De vroeg gestorven Johnny van Doorn was meer dan een voordrachtskunstenaar, betoogt zijn biograaf Nico Keuning...

Hij leek een beetje op een engel. Een, melancholieke, gezette cherubijn, met een vriendelijk gezicht, omkranst door blonde krulletjes. In de literatuurgeschiedenis staat Johnny van Doorn (1944-1991) vooral te boek als ludieke voordrachtskunstenaar, iemand die meedeed aan de ‘happenings’ in de jaren zestig, een zonderling uit de kring van Simon Vinkenoog. Dat doet hem tekort: Johnny van Doorn was vooral een prozaschrijver, en een goede ook.

Zijn hardnekkige reputatie dankt hij aan zijn stem. Als twaalfjarige jongen ontdekte hij dat hij geweldig vuurwerk kon nadoen. Het was een stem die kon grommen, reutelen, gieren en ratelen, sissen en brullen, waarmee hij op het podium naar een extatisch hoogtepunt toewerkte. Een ‘self-kick’ noemde hij de bewust opgewekte trance, waarin alle creativiteit, frustratie en waanzin vrij baan kregen. De man die je voor deze acts kon inhuren heette ‘Johnny the Selfkicker’. Er zijn opnames van, waarop hij bijvoorbeeld eindeloos, in crescendo, de dichtregel ‘Komtocheensklaarklootzak!!!’ herhaalt. Dichtregel, want Van Doorn was een dichter. Je kon die uitgekreten teksten ook lézen, en dan bleven ze nog overeind ook. Op aanraden van Remco Campert gaf De Bezige Bij in 1966 zijn eerste bundel uit, Een nieuwe mongool.

Nico Keuning, biograaf van Max de Jong, Jan Arends en Bob den Uyl, schreef nu het portret van het vierde buitenbeentje in zijn reeks, onder de titel Oorlog en pap. Dat is ook de titel van een radioserie die Van Doorn in 1980 schreef. De tekst van het ‘libretto’, compleet met aanwijzingen voor ‘krijsende vioolklanken’ en ‘zoemende stilte’ is in het boek opgenomen. Het is Van Doorns eigen mythische geschiedenis: van de Slag om Arnhem, zijn geboorteplaats – Johnny zat toen nog net veilig in de moederbuik – tot aan de bloei van het ‘magies sentrum’ Amsterdam.

Oorlog en pap is geen uitputtende biografie en pretendeert dat ook niet te zijn. Het is een portret, gebaseerd op gesprekken met Van Doorns vrienden, zijn broer en zijn weduwe Yvonne van Doorn, en op vele autobiografische verhalen. Het boek komt wat moeizaam op gang. Keuning schetst de naoorlogse jaren met grove streken: ‘Thuis heerst de huiselijke gezelligheid zoals in elke doorsneefamilie in die brave naoorlogse jaren.’ Over de rebel die Johnny eind jaren vijftig is, een slimme jongen die school haat: ‘Losgeslagen, vrij, sluit hij zich aan bij non-conformistische geestverwanten, tobberige existentialisten die onder invloed van Jean Genet en Jean-Paul Sartre zelf bepalen wat zij willen en wie zij zijn.’ Dat is wel heel algemeen gezegd. Las Johnny die schrijvers?

Keunings tekst komt tot leven als zijn hoofdpersoon zich ontpopt als de weergaloze Selfkicker. Zijn optreden bij Poëzie in Carré, in 1966, was zijn ‘knetterende entree in de letteren’. Keuning laat ook zien dat de Selfkicker-act – jaren Van Doorns voornaamste inkomstenbron – hem op den duur dwarsboomde. Hij was en bleef een ‘type’, dat komisch uit zijn dak ging op het toneel, en wiens werk je niet kon lezen zonder die stem te horen: ‘Ik was in een literááááár café.’ Op een bij dit boek gevoegde cd is dat unieke geluid te horen.

Van Doorn had een afkeer van de gevestigde literatuur, maar hij wilde dat zijn werk serieus werd beoordeeld. Zijn bundels met verhalen, zorgvuldig geschreven, weemoedige vertellingen waaruit heimwee opgeurt naar zijn veilige jeugd in de jaren vijftig, werden zelden door de serieuze pers besproken. Dit was zijn tragiek: de nar kon zijn vermomming niet afschudden. Van Doorn verhuurde zich ook aan reclame- en tv-makers – hij speelde een vrouw in het roemruchte Herenleed – opdat hij meer tijd overhield voor zijn échte werk. Maar door die tv-optredens werd hij bekend, niet als schrijver. Daar leed hij onder. Keuning legt het haarscherp bloot.

Hij maakte duizelingwekkende plannen, maar veel verzandde in onmacht en drank. Gelukkig had deze engel ook zijn beschermengelen. Ten eerste zijn vrouw Yvonne, die zijn ‘manager’ was en zijn verzorgster, die hem regelmatig, met geld voor het café en een taxi de deur uitschopte en die eind jaren tachtig zijn shows regisseerde. En het waren, net als bij Bob den Uyl, de opdrachtgevers die hem aan het werk hielden. Radiomaker Wim Noordhoek liet hem prachtige causerieën schrijven. Hans Sleutelaar stimuleerde hem om verhalen te schrijven die als columns verschenen in HP. Zijn eerste prozaboek, Mijn kleine hersentjes, vormde het resultaat.

Van Doorn vloog hoog op en verbrandde zijn vleugels snel. In 1991 stierf hij aan kanker. Nico Keuning haalt hem gloedvol terug, in een boek dat eerherstel beoogt voor de schrijver die schuilging achter de zot. Aleid Truijens

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden