Kolkende monoloog in debuutroman Rutger Pontzen

Rutger Pontzen durft zich nietsontziend te tonen in zijn debuutroman, een gedachtenstroom zonder punten. En er valt nog wat te lachen ook.

Helemaal zonder interpunctie is het niet, maar een punt heeft Rutger Pontzen (1957) niet willen zetten. Zelfs na de laatste zin niet. Zijn debuut Nu ik blijft werk in uitvoering, een roman met een voorlopig karakter.

Pontzen, al meer dan tien jaar kunstrecensent voor de Volkskrant, vertelt het verhaal van een Pontzen-achtige figuur. De spelwijze van de familienaam mag een fractie verschillen (Ponsen), duidelijk is dat de schrijver dicht bij huis is gebleven. Op een hotelkamer in het centrum van zijn geboorteplaats, ochtendjas aan het lijf, pantoffels aan de voeten, neemt de verteller ons mee in één lange overpeinzing.

Rutger Pontzen.Beeld Robin de Puy

Zelfrelativering

55 jaar oud is hij wanneer tot hem doordringt hoe hij het verhaal moet schrijven dat decennia heeft liggen gisten. Wat volgt is een opsomming van vruchteloze pogingen, aantekeningen maken en weggooien, van opnieuw beginnen, de moed verliezen en het opgeven. Van geen verhaal hebben - maar wél een reservoir vol waarnemingen en herinneringen. En fikse twijfel aan het eigen doorzettingsvermogen.

Tel daar 'een uit de voegen gegroeide zelfrelativering' bij op, om over het feit dat Pontzen kunstcriticus is maar te zwijgen, en je weet dat deze schrijver het allerlastigste parcours volgt om tot publicatie te komen.

Wrede actie

De lat ligt hoog. Pontzen onderzoekt waarom dat zo is. In deze kolkende monoloog meren we aan bij een gebeurtenis in het verleden. Vader, architect en hoofd van het gezin, wijst naar de piepjonge Rutger als zijn opvolger, de enige uit het kinderrijke gezin die slim genoeg is om pa te evenaren. Een wrede actie.

Aanvankelijk lijkt het eervol, maar al snel wordt duidelijk dat het bepaald geen feest is zulke hoge verwachtingen te moeten waarmaken. Bovendien wekt zo'n aanstelling vanzelf wrevel, vooral bij de broers.

We zakken verder af op de gedachtenstroom. We zien hem op fietsvakantie naar Frankrijk met zijn oudste broer die 'minder verwend was met talent', de lts had gedaan en veel wist van techniek. Rutger kon amper een band plakken, desondanks heeft hij praatjes voor tien. En terwijl broer zwijgend doortrapt, wil Rutger voor de grens al opgeven.

Nieuwe Picasso

Minstens zo onverbiddelijk is de schrijver wanneer hij zichzelf opvoert in de fase waarin hij denkt dat hij de nieuwe Picasso zal zijn. Weinig auteurs durven zich zo nietsontziend te tonen, of het moet Frida Vogels zijn. Verschil is dat Pontzens vertelling licht blijft. Er valt ook te lachen. Bijvoorbeeld wanneer de jonge Pontzen indruk probeert te maken op een Schotse kunsthistoricus en een boekwerkje van eigen makelij signeert met de zinsnede 'in remembrance of my dear colleague', wat 'ter nagedachtenis' betekent en niet zoals bedoeld 'in aandenken aan mijn dierbare collega'.

Hoogmoed is een last, daarover geen misverstand. Even organisch opgenomen zijn thema's als de dood (Pontzen verliest zijn vader, een zus en twee broers) en de kunsten, waarin het naar aanleiding van Marcel Duchamps geëxposeerde pissoir gaat over de toevalligheid van een meesterwerk en seks. Wat dat laatste betreft; ook hier fileert hij de zelfoverschatting.

Nu ik is een poel van onderwerpen die in elkaars verlengde geduwd worden door de schrijver. Het grote verband is de eis iets van substantie te willen voortbrengen, een remedie tegen de vergetelheid en de dood. Het ontbreken van een punt is niet minder dan een ode aan de eeuwige stroom die leven is. Zolang er geen punt staat, kan het nog alle kanten op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden