Knellende kinderschoenen

De financiële journalistiek wint terrein: meer zendtijd op tv, meer pagina's in de krant, meer bladen in de kiosk. Maar hoe zit het met de kwaliteit?...

FOKKE OBBEMA

'DE Amsterdamse beurs was acht jaar geleden voor het overgrote deel van de bevolking nog een elitair instituut aan de rand van de samenleving. Nu staat de beurs in het hart daarvan. Mensen willen begrijpen wat daar gebeurt. Economie als onderwerp is de politiek langzaam maar zeker aan het verdringen', meent Jeroen Smit (35), wiens weekblad FEM/De Week vorige week van start ging. Jort Kelder, 34 en alweer vijf jaar hoofdredacteur van het zakenblad Quote, sluit zich daarbij aan. 'Als Philips nu een nieuwe topman benoemt, is dat de opening van de krant. Dat was tien jaar geleden ondenkbaar. Die aandacht is terecht. De invloed van grote bedrijven is veel groter dan van bijvoorbeeld D66.' Smit: 'Mensen zijn dat gemillimeter tussen partijen in Den Haag enigszins moe.'

De komst van FEM/De Week, een blad dat geïnspireerd is op het Amerikaanse Business Week, markeert de opmars van de financiële journalistiek. De overheid treedt terug, de markt wint terrein en de media tonen dat. De sterkst groeiende krant is Het Financieele Dagblad, opiniebladen pogen meer aan economie te doen, op televisie is een programma als Business Update dagelijks op prime time te zien en kranten trekken zich steeds meer aan van de personal finance van hun lezers. Smit: 'Mensen zijn tegenwoordig consument, werknemer en belegger. Iedere lezer heeft die drie petten op en behoefte aan goede informatie op die terreinen. De financiële journalistiek staat in Nederland nog in de kinderschoenen, maar wordt langzaam maar zeker volwassen.'

De onvolwassenheid blijkt voor Smit, oud-chef van de economie-redactie van het Algemeen Dagblad, nog dagelijks uit de kranten. 'Als je niet begrijpt wat Nedlloyd doet en je gaat naar hun persconferentie, dan krijg je zo'n houterig stukje in de trant van: de winst ging omlaag, en o ja, het bedrijfsresultaat schijnt ook belangrijk te zijn, dat ging ook omlaag en laat ik voor de zekerheid ook de omzet noemen, komma, ook omlaag. Dat soort stukjes lees ik nog vrijwel dagelijks. Terwijl als iemand Nedlloyd begrijpt, dan begint hij met: crisis in Azië, marges op containervervoer, etcetera.' Kelder ergert zich vooral aan het liefdeloos hanteren van de pen. 'Neem The Wall Street Journal. Die krant schrijft vaak amusant en heel licht, iets waar Het Financieele Dagblad nog lichtjaren vanaf staat. Hier zijn de financiële pagina's vaak onleesbaar, kennelijk vanuit de gedachte: nieuws is gewoon nieuws, en dat hoeft toch niet met een mooie zin te worden gebracht. Onzin, je moet je zinnen aan de lezer verkopen. Een krant mag ook leuk zijn. Maar het lijkt wel of goed schrijven wordt afgeleerd. Een gouden pennetje, het zal toch niet waar zijn, dat is verdacht.'

Smit die acht jaar in de financiële dagbladjournalistiek heeft gewerkt, vindt het vooral een bezwaar dat kranten onvoldoende in staat zijn hun eigen agenda te bepalen. Dat moet FEM/De Week wel kunnen, hoopt hij. 'Ik weet uit eigen ervaring dat er op krantenredacties nauwelijks tot geen ruimte bestaat om eens een week ergens achteraan te gaan. Het nieuws gaat altijd voor. Als je eens een keer anderhalve dag met hetzelfde onderwerp bezig bent en er gebeurt iets op jouw terrein, dan moet je daar toch weer mee aan de slag.' De onderlinge concurrentieslag van kranten maakt het volgen van een eigen agenda nog moeilijker. 'Krantenredacties zijn net voetbalelftallen van achtjarigen: met zijn twintigen achter de bal aanrennen.' Voor de lezer is het maar nauwelijks te volgen, meent Smit. Als voorbeeld noemt hij de beursfraude-zaak. 'De lezer werd bedolven onder een bombardement aan feitjes, waardoor de grote lijnen niet meer waren te volgen.' Kelder is nog scherper in zijn kritiek. Wekenlang domineerde de beursfraude het financiële nieuws, nu lijkt de zaak nauwelijks meer te bestaan. 'Volgens mij heeft vooral het OM het goed gedaan. Die hebben de agenda bepaald. De beursfraude is het Bosnië van de financiële journalistiek. Ik heb veel te weinig analyses gezien over het machtsspel dat er achter zit, of een antwoord gekregen op de vraag of de vastgoedwereld de volgende is die aan de beurt is. En denk je dat er, na die tweehonderdduizend stukjes, één krantenlezer is die kan uitleggen hoe witwassen via de beurs werkt?'

V OLWASSEN is de berichtgeving in de Angelsaksische wereld, waar bladen als The Economist en Business Week en een krant als The Wall Street Journal worden gemaakt. Deels valt het kwaliteitsverschil terug te voeren op de veel hogere oplages van die bladen en hun bijbehorende budgetten. Zo telt Business Week tweehonderd redacteuren. Dan valt er nog wel eens iemand zes maanden voor onderzoeksjournalistiek vrij te stellen, iets waar Smit (22 redacteuren voor een weekblad) en Kelder (tien redacteuren voor een maandblad) alleen maar van kunnen dromen. Kelder: 'Laatst heb ik twee man zes weken lang vrijgesteld om die verschrikkelijke Van der Lugt, de baas van ING, neer te sabelen. Dat lukte voor 90 procent. Dan zit je 10 procent van je doel af en dus kun je het niet opschrijven. Eigenlijk is een uitgever gek, als hij dat soort mogelijkheden biedt.'

Smit voert het kwaliteitsverschil terug op 'het marktdenken dat in de Angelsaksische wereld al veel langer een gegeven is dan bij ons. Daardoor bestaat er daar al veel langer bij mensen een behoefte aan informatie over de economie.' Kelder houdt het op 'desinteresse van de journalistiek. Journalisten van de oude stempel waren vooral gesjeesde studenten geschiedenis voor wie de economie te moeilijk is.' Smit, zelf bedrijfskundige, heeft die overmacht van historici nog meegemaakt bij Het Financieele Dagblad. 'Toen ik bij die krant in 1990 begon, was de helft historicus. Nu zie je veel meer economen. Je kunt als econoom tegenwoordig heel goed een aantal jaren in de journalistiek werken en daarna weer wat anders gaan doen. Dat was tien jaar geleden veel moeilijker.'

Een verzachtende omstandigheid voor de kwaliteit van de financiële journalistiek is het bedrijfsleven zelf. Dat kenmerkt zich door een onthutsend gebrek aan openheid, vindt Kelder. 'Een Nederlandse manager heeft er grote moeite mee een gesprek met een journalist te voeren. Amerikanen of Britten zijn daarin een stuk gemakkelijker.' Als voorbeeld haalt hij Philips-bestuurder Roel Pieper aan, een Nederlandse manager met een Amerikaanse achtergrond en stijl. 'Vanuit de Verenigde Staten gaf hij een aantal interviews. Bij de Philips-persdienst liepen ze meteen met rode vlekken in hun nek rond. Terwijl die man gewoon vertelde wat hij vond. Maar ik voorspel je: die vent moet straks zijn hok in.'

Kelder heeft de oudere generatie afgeschreven als lezers van zijn blad. 'Die generatie van boven de vijftig vindt openheid verschrikkelijk. Twintigers en dertigers smullen ervan.' Smit is optimistischer. 'De openheid neemt toe. De top van het bedrijfsleven realiseert zich steeds meer dat ze niet alleen maar verantwoording moeten afleggen aan drie pensioenfondsen en zes commissarissen, maar dat er inmiddels een paar miljoen mensen zijn die beleggen.'

Met FEM/De Week wil hij een eigen agenda volgen. Zijn journalisten moeten niet alleen analyseren, maar ook voorspellen. Zo wordt de lezer gesteund bij het maken van economische keuzes. 'Voor mij is dat heel belangrijk: mensen helpen. Door goede informatie te geven. Dus niet alleen: moet ik in dit of dat aandeel? Maar ook weten wat er speelt wanneer op een barbecue de introductie van de euro ter sprake komt.' Een maandblad als Quote vindt hij geen concurrent, omdat het niet actueel is. 'En het accent ligt op amusement.'

Kelder: 'Amusement? Dat vind ik niet erg. Dat woord heeft natuurlijk zo'n Joop van den Ende-zweem om zich heen, maar ik vind het niet erg wanneer het geen straf is om ons blad te lezen. Maar het is ook onzin te beweren dat we niet aan journalistiek zouden doen. Verreweg de meeste tijdschriften worden volgeschreven door van die typegeiten van de HEAO die leuke stukjes willen maken. Wij nemen journalisten aan en die hou je daar echt niet mee tevreden. Het is niet helemaal toevallig dat we nog altijd met vijftig procent van het establishment ruzie hebben.'

D E taakopvatting van beide hoofdredacteuren verschilt nogal. Smit vindt dat hij 'een maatschappelijke functie heeft: zaken van het donker naar het licht brengen.' Kelder: 'Quote moet gewoon anderhalf uur lol, slimme lol bieden. Bij ons gaat het daarbij om: mensen, mensen, mensen. En dan over hun carrière en hun geld.'

Maar terwijl Smit de moderne financieel journalist als een 'gesprekspartner' van de zakenman aanduidt, houdt Kelder het bij de klassieke luis in de pels. Smit: 'Bij het volwassen worden van de financiële journalistiek past niet langer een houding van: ''Jullie zijn slecht, want rijk en kapitalisten'', zoals de Volkskrant die vroeger wel had. Ik denk dat het veel meer bij deze tijd past dat je als journalist begrijpt wat er aan de andere kant van de tafel gebeurt, zodat je sparringpartner wordt.'

Kelder: 'Wat nou, sparringpartner. Samen een verhaal maken?'

Smit: 'Nee, maar wel vanuit een besef wie welke verantwoordelijkheid heeft komen tot informatie-uitwisseling.'

Kelder: 'Ik geloof daar niet zo in: een ochtendje met Martin Schröder over de chartermarkt filosoferen, daar heb ik geen trek in. Het leukste verhaal krijg je toch door zijn netwerk af te speuren, waarna Schröder je uiteindelijk opbelt en zegt: ik haat jullie, maar jullie kunnen morgen langs komen voor een interview. Kijk, dan heb je het goed gedaan.'

Fokke Obbema

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden