Beschouwing Kleur in Nederland

Kleur is een ongemak: dat wil Robert Vuijsje laten zien in zijn nieuwe roman ‘Salomons oordeel’

Waar sta je als je kleur moet bekennen in Nederland? Bij wie hoor je thuis? Robert Vuijsje verklaart de dilemma’s achter zijn nieuwe roman, Salomons oordeel.

Robert Vuijsje met zijn vrouw Lynn Spier en hun zonen Samuel (links) en Sonny. Beeld Marie Wanders

Sinds enige jaren kent u mij als de man die op deze pagina’s iedere week met landgenoten praat over hun afkomst. In die interviews wordt het hele veld bespeeld. Van immigrantenkinderen die over bijna niets anders nadenken dan hun afkomst, tot aan landgenoten die als standpunt hebben: dat mijn ouders uit een ander land kwamen, daar hoef ik niet mee lastig te worden gevallen. Want ook deze laatste categorie heeft geen andere keuze dan zich in Nederland te verhouden tot dit onderdeel van haar leven.

Maar er was een tijd waarin u mij kon kennen als romanschrijver. Over mijn debuutroman Alleen maar nette mensen ontstond in 2009 een discussie die, in ieder geval voor mijzelf, het beginpunt vormde van het moderne discours over hoe wij in dit land met elkaar samenleven.

Mijn herinnering aan de discussie uit 2009 is als volgt. Aan de ene kant waren daar een vermelding op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs, een gewonnen Gouden Uil en Inktaap en meer dan 200 duizend exemplaren verkocht  aan enthousiaste lezers. Aan de andere kant stond een kleinere groep lezers die zich stoorde aan de beschrijving van de zwarte vrouwelijke personages. Op de opiniepagina van de Volkskrant vielen de woorden ‘koloniaal seksisme’.

Eind 2017 bedacht ik: het is bijna tien jaar geleden dat mijn debuutroman verscheen. Tien jaar is een relatief korte periode en toch lijkt het bijna een ander tijdperk. In Alleen maar nette mensen communiceerden de personages via msn, een communicatievorm die nu zo gedateerd is dat mijn kinderen niet eens zouden begrijpen waarom het thuis achter een laptop gebeurde en niet gewoon op je telefoon.

In 2009 bestond geen nationale zwartepietendiscussie. Termen als ‘institutioneel racisme’ of ‘wit privilege’ waren in Nederland nog onbekend. De woorden ‘neger’, ‘blank’ en ‘wit’ hadden tien jaar geleden een andere lading dan ze nu hebben.

Eind 2017 bedacht ik: wat heb ik zelf de laatste jaren meegemaakt? Binnenshuis woonde ik met mijn vrouw en onze drie kinderen, in wisselende formaties, in een samengesteld gezin. Een ensemble waarvan de ouders en grootouders werden geboren in Nederland, Suriname, Brazilië, Amerika, Egypte en Israël.

Buitenshuis bevond ik me, zoals wel meer mensen, in een tamelijk schizofrene toestand waarbij (extreem)rechts en (extreem)links zeer verschillend reageerden op wat ik schreef. Vanaf de rechterzijde werd ik gezien als een allochtonenknuffelaar, een naïeve sukkel die niet ziet hoe ons door en door politiek correcte land wordt geïslamiseerd en overgenomen door ‘buitenlanders’. In dit land mocht je ook niets meer zeggen van de moraalpolitie.

Vanaf links werd exact hetzelfde, door mij geschreven werk beoordeeld als problematisch of zelfs racistisch. Dat ik nog steeds niet was gedwongen me te ‘verantwoorden’ voor mijn debuutroman kon worden beschouwd als symptomatisch voor het door en door racistische land waarin wij leven. In dit land mocht zomaar alles worden gezegd, zonder dat het consequenties had.

Deze beide groepen zien hun eigen evangelie als de enige waarheid. Iedereen met een afwijkende mening heeft er niets van begrepen en vormt een gevaar voor de samenleving. De werkelijkheid is natuurlijk veel ingewikkelder en gelaagder dan hoe het discours wordt gevoerd met alleen de extreemste en luidruchtigste vertegenwoordigers van links en rechts.

Begin 2018 stopte ik met werken aan een roman waar ik al jaren mee bezig was. Het lukte me niet om dat boek te schrijven zoals ik het me had voorgesteld. Ik begon aan een nieuw boek, een tragikomische roman over het ongemak en de hysterie in het Nederland van nu. Een land waarin iedereen empathie opeist voor zijn eigen verhaal, maar omgekeerd blijkt het wat lastiger om je te verplaatsen in de gevoelens van een ander. Na een jaar was het boek klaar. 

Een citaat uit Salomons oordeel:

‘Een zwarte vriendin maakt jou cool,’ zei Alissa. ‘Dan ben je een rebel. Het maakt jou opwindend.’ Ze stopte even. ‘Dat ik met jou ben – wat is het tegenovergestelde van cool? Mijn mensen zullen niet naar me kijken alsof ik cool ben met een witte man. Ze denken alleen: wat een sell-out.’

Max wist niet wat hij moest zeggen. Wat wilde ze van hem? Moest hij zijn verontschuldigingen aanbieden omdat hij een sell-out van haar maakte?

Max en Alissa zijn bijna twintig jaar getrouwd. Hij is een jood uit Amsterdam-Zuid, zij is zwart en komt uit de Bijlmer. Hun zoon Salomon is 17 en wil rapper worden. Ook wil hij het straatleven. Op straat is het kaolo hard om zwart te zijn. Joods zijn is aanzienlijk minder hard.

Nog een citaat:

‘Ik heet Cohen,’ zei Salomon. ‘Wat denk je dat mijn vrienden daarvan vinden?’

‘Wat wil je dat ik doe?’ vroeg Max. ‘Had ik je niet mijn achternaam moeten geven?’

Natuurlijk wilde Salomon de achternaam van zijn vader hebben. Hij kende vrienden die de achternaam van hun moeder hadden, omdat hun vader er niet was. ‘Maar Salomon, en dan ook nog Cohen?’

‘Wat is er zo lastig?’ vroeg Max weer.

Salomon stelde een paar vragen achter elkaar.

Hoorde hij bij de joden? Nee, niet helemaal. Alleen zijn vader was joods. Zelfs volgens de joden hoorde hij er officieel niet bij.

Was hij wit? Sowieso niet.

Was hij zwart? Hij was lichtbruin, je zou kunnen zeggen dat hij bij de zwarte mensen hoorde.

Maar dan: hij woonde in Zuid, echt Zuid-Zuid, aan het Vondelpark, en hij was joods en heette Salomon Cohen – hoorde je dan nog bij de zwarte mensen?

Max en Alissa overleven alle overgevoelige discussies en emotionele beschuldigingen die er in 2019 bij horen. Uiteindelijk komen ze tot de conclusie dat ze van elkaar houden en op dezelfde manier naar de wereld kijken. Tot Salomon door zijn half-joodse vriendinnetje wordt beschuldigd van verkrachting.  Max en Alissa kijken samen naar hun zoon in een politiecel, maar ze zien allebei iets anders.

Max heeft gezien hoe agressief en vijandig zijn zoon zich soms gedraagt tegen hem, dus waarom zou hij dit niet gedaan kunnen hebben – dat Salomon zijn zoon is, maakt dat hem automatisch onschuldig? Alissa ziet een jongen die onevenredig agressief gearresteerd werd door de politie. En hij zegt dat hij het niet heeft gedaan.

Wat gebeurt er als het niet langer een theoretische discussie is? Wat als je moet kiezen en kleur bekennen, aan welke kant sta je dan echt? Over dat dilemma wilde ik schrijven.

Dan het ongemak dat ik de laatste tien jaar in Nederland heb waargenomen. Het wordt veroorzaakt door een nieuwe situatie. Zwarte Nederlanders vinden: wij zijn hier geboren en we hebben net zoveel te zeggen over dit land als iedere andere Nederlander. Witte Nederlanders denken: wat krijgen we nou, dit was toch ons land, die andere mensen woonden hier wel, maar ze zijn niet helemaal Nederlands, ze zijn niet zoals wij, waarom zouden wíj ineens moeten luisteren naar wat zíj hebben te zeggen over óns land?

Dit ongemak voelde ik zelf niet zo. Ik voel me namelijk ook een minderheid. Zoals Max in het boek zegt: ‘Ik ben niet wit, maar ook niet zwart.’ Ik ben opgevoed door een alleenstaande joodse Amerikaanse moeder die geen Nederlands tegen me sprak, haar ouders waren geboren in Israël en Egypte, haar vrienden waren hippies van over de hele wereld en in ons huis herinnerde niets aan Nederland. Mijn vader is een joodse Nederlander, de enige minderheid die de laatste honderd jaar wettelijk apart is gesteld van de rest van de bevolking, alvorens gedeporteerd te worden naar vernietigingskampen.

Mijn eigen ongemak kwam de laatste jaren voort uit de volgende spraakverwarring. In mijn beleving is het zo: de details van onze achtergronden verschillen uiteraard, maar als jood voel ik me verbonden met andere minderheden. Wanneer ik mensen sprak die uitgebreid vertelden over de vooroordelen waarmee zij werden geconfronteerd in Nederland, zei ik weleens: ja, dat herken ik, joden hebben hier ook wat dingetjes meegemaakt.

De reactie was steeds dezelfde: maar jíj dacht toch niet dat je bij óns mag horen? Wij zijn zwart en jij bent wit. Niet alleen ben je wit, als jood ben je ook nog rijk en machtig, met van die geheime netwerken waar achter de schermen alles voor jullie wordt geregeld. Het volledige aanbod aan vooroordelen over joden kwam zonder enige terughoudendheid op tafel. Wanneer ik wees op deze discrepantie in het veroordelen van racistische praatjes, werd me gevraagd waarom joden toch altijd de slachtofferrol opzoeken. Dit ongemak speelt een komische en met enige regelmaat terugkerende bijrol in Salomons oordeel.

Ten slotte nog één fenomeen dat in 2009 niet bestond in Nederland: cultural appropriation, oftewel het toe-eigenen van een cultuur die niet de jouwe is. Volgens deze leer mogen romanschrijvers uitsluitend personages opvoeren die van hun eigen afkomst zijn.

Gezien door de bril waarmee ik naar de wereld kijk, doe ik iets wat niet erg revolutionair is: ik schrijf over een gezin zoals mijn eigen gezin. Sinds er romans worden geschreven, gaan ze over wat de schrijver om zich heen ziet. Maar volgens de regels van cultural appropriation zou ik dat niet mogen doen.

Ook ik vind dat in de Nederlandse literatuur meer zwarte stemmen zouden moeten bestaan en ik voel me solidair met het bestrijden van deze ongelijkheid. Maar die solidariteit gaat niet zo ver dat ik zou afstappen van mijn oorspronkelijke plan: een tragikomische roman schrijven over hoe ingewikkeld wij in Nederland met elkaar samenleven. Dat samenleven zou ik niet kunnen beschrijven wanneer ik maar één bevolkingsgroep mag opvoeren in mijn roman.

Ik kan niet wachten om over tien jaar weer een boek te schrijven over dit onderwerp. Pas dan zullen wij weten wat in 2019 onacceptabel, problematisch en niet divers en inclusief was.

Robert Vuijsje: Salomons oordeel

Lebowski; 240 pagina’s; € 21,99.

Vuijsjes boeken

2008 Alleen maar nette mensen (bekroond met de Gouden Uil en De Inktaap, in 2012 verfilmd)

2011 In het wild (columns)

2012 Beste vriend

2013 De scheiding en andere liefdesverhalen

2014 Alleen maar stoute kinderen (prentenboek)

2016 Kaaskoppen (interviews)

2019 Salomons oordeel

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden