mode Cécile Narinx

Kleren dragen die je moeder nooit zou dragen is een milde en mooie vorm van rebellie

Moderedacteur Cécile Narinx heeft het geprobeerd, maar een tienerdochter schrijf je geen stijlwetten voor.

Beeld Monique Bröring

Toen ik hoorde dat ik een meisje kreeg, was ik de koning te rijk. Nóg een jongen was ook leuk geweest, heus, maar stiekem was een meisje nog welkomer. Omdat ze maillotjes kon dragen, badpakjes met aardbeien erop en ajourvestjes. Bedenk: het was eind 1999 en het woord genderneutraal moest nog worden uitgevonden.

Toen mijn dochter geboren werd ­– een wolk van een baby, met een vouwtje in haar linkeroorschelp, een soort ezelsoortje – lag er dus een stapeltje klaar. Witte rompers van haar broer, en heus ook wat te klein geworden truitjes van hem, maar vooral snoezige vestjes, popperige jurkjes en een piepklein rood badpakje.

O, die eerste jaren, dan willen ze nog alles aan. Dus kon ik m’n lol op met mijn levende aankleedpop: borduursels, konijntjes en hertjes, in knalroze, bleekroze, pastelroze of rozerood. En liefst van alles Brabants bont. Geen kik gaf ze, alleen maar zoete glimlachjes. Toen ik laatst mijn fotodoos aan het opruimen was vond ik een foto van ons tweeën, allebei stralend in een Brabants bonten bloesje en een spijkerrok, naast de eettafel met een Brabants bonten ­tafelkleed.

Ach, ik zal de enige moeder-Pygmalion niet zijn die een mini-me heeft gecreëerd. Er is een heuse markt voor: King Louie-moeders kunnen hun kinderen in Little Louie hullen, en in Amerika zijn de prairiejurken van het merk Batsheva in moeder- en dochtermaten een dikke hit. Ik weet nog dat H&M in 2010 een designercollectie lanceerde met identieke Sonia ­Rykiel-kleding voor moeder en dochter. Die was nog sneller uitverkocht dan normaal. Drie keer raden wie de vestiging in Utrecht plunderde.

Het goede voorbeeld geven, of in elk geval: een voorbeeld geven, is dat niet precies wat opvoeding in moet houden? Zoals babyeenden achter hun moeder aanzwemmen en leeuwinnen hun kroost leren jagen, zo is het ’s mensenmoeders schone taak om haar eigen gebroed wegwijs te maken in het leven. Ze te leren dat er meer smaken zijn dan banaan en appelmoes, dat er meer muziek is dan K3, dat musea en bibliotheken niet saai zijn en dat elke dag hetzelfde dragen – of het nou een roze glitterjurk of een Spidermanpak is – stierlijk gaat vervelen. Dat verjaardagen en andere feestjes een reden zijn om slingers op te hangen en taart te serveren, maar zeker ook om je mooiste goed uit de kast te trekken. Beter nog: dat het feit dat de zon opkomt al een reden is om er wat van te maken, qua outfit. 

Ik weet niet meer precies wanneer ­Isabels eigen kledingwilletje geboren is. Ik weet nog wel dat ze, in het kielzog van haar graafmachinegekke broer, gefascineerd raakte door Bob de Bouwer. En zich stortte op alle ­Bob-T-shirts en sweaters (nou ja, één T-shirt en één sweater die haar broer te klein waren geworden). In mijn herinnering droeg ze een tijd elke dag Bob-kleren. Ik heb er verrassend weinig foto’s van, waarschijnlijk omdat ik het niet leuk genoeg vond om een foto van te maken. Mijn naam is Cécile Narinx en ik discrimineer kleren.

De bouwvakkerfase waaide over, maar net toen ik dacht haar soepeltjes richting hockeyclub met leuke rokjes te kunnen dirigeren koos ze voor voetbal. Dat er geen meisjeselftallen waren bij onze buurtclub boeide haar niet. Ze speelde mee met de jongens en ze werden lachend kampioen.

Na de groep 8-musical ging ze niet naar het vwo, zoals het gros van haar in Abercrombie & Fitch gehulde, hockeyende klasgenootjes, maar naar het vmbo. Dat vond ik stiekem een ­teleurstelling qua niveau, maar qua kledinginvloeden hield ik helemaal mijn hart vast. Ik vreesde verhalen over Destiny en Treasure die hadden gevochten in de gang en met gelnagels plukken nephaar uit elkaars weaves trokken, ik voorzag zeeën van bontkraagjes en skinny jeans. Isabel ging inderdaad skinnys dragen, net als alle meisjes van 13, en vroeg een baseballcap voor haar verjaardag, maar trok daarna steeds meer haar eigen plan. Ze deed niet aan wenkbrauwen tekenen, haar lange haar steil maken en haar gezicht bedekken onder lagen foundation, welnee. Zij liet een oorpiercing zetten, koos wijnrode Dr. Martens en liet een bob knippen.

Heel misschien omdat ze mijn bob leuk vond, maar dat is vast wishful thinking. Ik denk niet dat ik op dat punt veel invloed had. Zo had mijn moeder in mijn middelbareschooltijd ook nul invloed. Tot de brugklas droeg ik braaf wat zij wilde: zelfgenaaide jurkjes en afgedankte dirndls van mijn nicht, maar daarna koos ik mijn kleren zelf. Nou ja, zelf: het waren totaal onoriginele kakkleren die mijn klasgenoten ook droegen. Welke puber wil nou aan wat haar moeder leuk vindt? Ik denk dat mijn moeder op haar beurt mijn oma het nakijken gaf. Dat was een goedgekapte dame die parelkettingen, zijden blouses, bontjassen en hakken droeg, totdat de hallux valgus haar daarvan weerhield. Mijn moeder houdt het graag eenvoudig, voordelig en praktisch. Misschien slaat de liefde voor hakken en mode wel een generatie over – wat Edina en Saffy uit ­Absolutely Fabulous ook prachtig ­demonstreerden.

Beeld Monique Bröring

Welbeschouwd is kleren dragen die je moeder nooit zou dragen de eerste stap op weg naar een eigen identiteit, een milde en mooie vorm van rebellie. Meisjes van 14 moeten geen aankleedpoppen zijn, die kun je hooguit uitleggen dat de Primark het voorgeborchte van de hel is en dat tweedehands ook verdraaid leuk kan zijn. Je kunt ze iets bijbrengen over materialen en kleuren, maar verder moet je een aantal jaar je mond stijf dicht houden als ­bemoeizuchtige moeder met een ­kledingtic. Ik hoor van mijn zussen en vriendinnen identieke verhalen. Hooguit met de ogen rollen als ze je niet ziet, meer kun je niet doen. En als dan, als ze 16 of 17 is en het steeds leuker vindt om samen te winkelen, is het raadzaam om behalve al die opgekropte tips te geven ook te luisteren naar wat zij zegt. Wijze dingen als: Mahám, hier heb je er al drie van! En: nee, dit is geen negen of tien, niet kopen! Toen we voor een reisverhaal samen een overdreven luxe cruise maakten (de XL-inloopkast van onze hut mudvol kleding en accessoires) en ik, aangestoken door de Amerikaanse glamourbejaarden, met een rieten hoedje en een blauw-wit gestreepte broek van boord wilde gaan, hield ze me tegen met de woorden: ‘Ho! Je ziet eruit of je naar een concert van de Toppers gaat. Dat hoedje zou ik thuislaten.’ Excuus, ik heb deze anekdote al vaker opgedist, zelfs in dit magazine, maar echt: het was de allerbeste stijltip die ik ooit heb gekregen. 

Isabel is nu achttien-en-een-half en heeft een kast vol goedgekozen, toffe kleren. Ze is lang en blond, ik ben klein en donker, maar we kunnen ­elkaars kleren gek genoeg prima ­dragen. Dat doen we ook. Toen ze met een vmbo- en havo-diploma op zak door was naar de tweede selectieronde voor de Hotelmanagementschool in Maastricht vroeg ze me om kledingadvies. We zochten net zolang tot we de perfecte outfit vonden, een formele doch funky mix van ons beider kleren. Ze ging het interview zelfverzekerd tegemoet, blonk uit, deed ook de schriftelijke test hartstikke goed en werd aangenomen. Dat had ze natuurlijk aan zichzelf te danken, niet aan mijn zwarte colbert en flessengroene fluwelen loafers, maar toch was ik behalve apetrots ook blij dat ik wat had kunnen bijdragen. Dat ik heb kunnen overdragen dat het kan helpen wat je draagt, enerzijds omdat mensen je serieuzer nemen als je naar de gelegenheid gekleed bent, anderzijds omdat je je in een goeie outfit ­zekerder voelt.

In de kerstvakantie kochten we zwarte pumps, voor onder het mantelpak dat ze straks moet gaan dragen. Toen ze ermee door de winkel liep zag ik opeens de vrouw die ze geworden is. Vastberaden, verstandig, volwassen. Vorige week kocht ze van het geld dat ze verdiende als serveerster nieuwe Dr. Martens, flessengroene, mijn lievelingskleur. Volgende week gaan we haar verhuizen naar de campus. Met al haar kleren. Dat betekent dat mijn outfitkeuze is gehalveerd. Dat is natuurlijk niets, vergeleken met het gevoel dat de helft van mijn hart eruit gerukt wordt. Dat ik niet meer wakker zal worden van het late geklos van Dr. Martens op de trap, of er ’s morgens midden in de hal over struikel.

Ik heb mezelf lang beziggehouden met de vraag: heb ik het goed gedaan als moeder? Heeft Isabel, behalve een hutkoffer vol belachelijk leuke kleren, genoeg bagage meegekregen? Heb ik haar genoeg geléérd? Tot ik opeens besefte: misschien heeft zij mij minstens zoveel geleerd en onder ogen laten zien. Ik realiseer me beschaamd dat ik lang geprobeerd heb mijn wensen, smaak en doelen aan haar op te dringen. Dat ik vreselijk vooringenomen was over voetbal en over het vmbo. Dat ze bepaald niet dom is, en een doorzetter. Dat ze heel goed zelf kan kiezen, weet wie ze is en wat ze wil. Dat ze volstrekt uniek is.

Leuke kleren heeft ze niet eens nodig om een eigen identiteit te hebben. Je herkent haar met je ogen dicht: in de ene oorschelp een ringetje, in de andere een ezelsoor. That’s my girl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden