Klein vergrijp, grote gevolgen

Zo geven boeken waarin een schrijver vertelt over zijn kinderjaren niet alleen zicht op de belevenissen van de hoofdpersoon, maar ook een beeld van een bepaalde tijd, stad, streek of samenleving. Winterijs van Peter van Gestel (Fontein; fl 29,95) vertelt het verhaal van de tienjarige Thomas Vrij, die in de zomer van 1947 terugkijkt op de voorafgaande winter, in Amsterdam.

De kordate moeder van Thomas is vlak na de oorlog aan tyfus overleden. Zijn vader wisselt baantjes af met maanden van werkloosheid, waar hij probeert een boek te schrijven. Een verlegen, onhandige kunstenaar die vergeet dat zijn zoon wel eens schone sokken aanmoet. Zijn tante Fie houdt een oogje in het zeil.

Thomas is een buitenbeentje zonder veel vrienden. Tot er een nieuwe jongen op school komt: Piet Zwaan. Hij heeft geen ouders meer, die zijn weggehaald in de oorlog. Hij woont bij zijn tante Jos en zijn nichtje Bet. Ook zij hebben iemand verloren, de vader van Bet. Als de vader van Thomas een baan ver van Amsterdam kan krijgen, logeert Thomas eerst bij tante Fie, en als zij ziek wordt bij zijn nieuwe vriend, die hij Zwaan noemt.

Thomas vertelt in de ik-vorm zijn jongensachtige verhaal. Gewoon over school, over klasgenoten die er nogal makkelijk op los slaan, over Liesje Overwater, op wie hij 'smoor' is. Over Zwaan en zijn bozige nichtje Bet, die hij nog leuker vindt. Over Bets moeder die soms in de war is. Wat je vooral aanvliegt tijdens het lezen van dit schijnbaar achteloze verhaal, is de onwetendheid. Alles draait om wat Thomas níet weet. Wat is er nu precies gebeurd in de Den Texstraat? Waarom kan de moeder van Bet er niet tegen als het liedje Sonny Boy wordt gespeeld op de koffergrammofoon?

'Dat hoor je niet te vragen', zegt tante Fie. 'Dat zijn van die grotemensendingen, daar heb jij gelukkig nog geen weet van.' Als er iets is waar Thomas weet van heeft is het wel de dreiging die uitgaat van het verdriet van de volwassenen, zonder dat hij mag weten wat er precies speelt. Soms staat hij op het punt ergens achter te komen, maar vraagt hij niet door. Kinderen worden al snel brutaal gevonden.

Wat troost is de vriendschap tussen de drie kinderen: Thomas, Zwaan en Bet. De hoofdrolspelers in dit boek zijn degenen die er niet meer zijn, of niet ter plaatse zijn. Dat bindt de kinderen. Want volwassenen gaan niet alleen dood, ze gaan ook in het buitenland werken (zoals de vader van Thomas) of emigreren (zoals de enige bloedverwant van Zwaan die de oorlog overleefde, oom Aaron), zonder enige uitleg. De kinderen vertellen elkaar niet alles. Net zoals de schrijver niet alles vertelt, toelicht of uitlegt. Zo voelt de lezer hoe het is om, net als Thomas, van alles te vermoeden zonder het fijne ervan te weten. Van Gestel vertelt een prachtig, ingehouden verhaal over opgroeien, overlevingsdrang, vriendschap en liefde.

Ik danste met engelen van Halil Gür (Piramide; vertaling Jeroen Aarssen; illustraties Reyger Sluis; fl 29,75) is zo beeldend geschreven dat je het sprookjesachtige verhaal voor je ziet, alsof je erbij was. Het speelt in de jaren vijftig in Turkije. Een ander land en klimaat, een andere taal, cultuur en geloof. Ook dit verhaal gaat over zomaar een jongen. Die veel houdt van zijn moeder, die graag zijn best wil doen, maar ook fouten maakt. Halil wil bijvoorbeeld ook wel eens een reep chocolade kopen, en neemt wat geld weg dat op het tafeltje naast vaders bed ligt. Vader merkt het meteen, is woedend en wil weten wie dit gedaan heeft. En beschuldigt moeder. De razernij van de vader is zo groot dat Halil niet durft te bekennen; moeder is boos dat ze vals is beschuldigd. Dit leidt tot een verwijdering tussen de ouders. De ooit zo vrolijke moeder wordt somber. Pas jaren later komt uit wie de kleine diefstal met grote gevolgen heeft gepleegd. Vader slaat Halil dan oorverdovend hard op zijn hoofd. Troost hem daarna en legt het belang van eerlijkheid nog eens uit. Gür vertelt zijn verhaal zo meeslepend dat je opgelucht bent dat Halils schuld is ingelost en dat zijn ouders hem ruimhartig vergeven.

Het geloof speelt een belangrijke rol. In Halils familie, en in de Turkse samenleving. Het is geen wraakzuchtig of beklemmend geloof. Moeder bidt tot Allah, elke morgen. Met een warme stem en magische woorden maakt ze het binnen in huis vol van licht. 'Wat er ook gebeurt, bescherm mijn man en kinderen tegen alle kwaad en geef uw zegen aan ons huis.' Het sociale leven wordt als natuurlijk en vanzelfsprekend beschreven: plezier, geklets, uitgaan, onderlinge hulp en onvoorwaardelijk liefde van de ouders. Als Halil door een schrikaanjagende gebeurtenis in het huis van zijn oma een scheve kaak krijgt, beweegt zijn moeder hemel en aarde om hem genezen te krijgen, al zeggen de buren dat Allah zo heeft beschikt. Deze moeder is geen onderdrukte, onderdanige vrouw. Ze is sterk, indrukwekkend, koestert hoop, gelooft in wonderen, en zoekt net zo lang tot ze een heilige vindt die kan helpen.

Gür, geboren in Turkije, woont sinds 1974 in Nederland en begon als schoonmaker in het Volkskrant-gebouw. Hij publiceerde eerder dicht- en verhalenbundels. Volgens de uitgever kweekt hij 'begrip voor andere culturen'. Dat mag zo zijn; hij schreef vooral een schitterend boek waarin je niet wilt stoppen met lezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden