KLAPPEN KRIJGEN

Thomas Edison maakte de eerste, in 1894 al, Sylvester Stallone komt nu met zijn laatste. Boksfilms zijn zo oud als de film zelf, en even plooibaar: van feelgood movie tot ode aan de ondergang....

De partij is nauwelijks begonnen of Magon ‘The Line’ Dixon, de ongeslagen wereldkampioen in het zwaargewicht, heeft zijn tegenstander alweer achteloos tegen het canvas geslagen. Het is Dixons 33ste overwinning in even zo veel gevechten; zijn dertigste op knock-out. Het publiek vindt het maar niets en reageert zich af op de zelfingenomen blaag. De omroepbazen morren, want de kijkcijfers zijn slecht. De edele bokssport is in verval. Er is dringend behoefte aan meer spanning, meer sensatie; aan een nieuwe grote ster die het de arrogante zwarte Dixon wél moeilijk kan maken.

In Rocky Balboa, het zesde en aller-allerlaatste deel van de Rocky-franchise, slijt de gelijknamige titelheld, gespeeld door de inmiddels 60-jarige Sylvester Stallone, na de dood van zijn vrouw Adrian zijn dagen in zijn Italiaanse restaurant Adrian’s. Aan de muur hangen foto’s en prijzen die herinneren aan zijn imposante carrière, maar Rocky zelf is de grootste attractie. Hij gaat van tafeltje naar tafeltje om boksverhalen te vertellen, hij deelt handtekeningen uit en poseert geduldig met wie maar wil.

Dan werpt een sportzender de hypothetische vraag op wat er zou gebeuren als regerend wereldkampioen Dixon zou vechten tegen tweevoudig wereldkampioen zwaargewicht Rocky. Volgens de computersimulatie wint de Rocky uit zijn hoogtijdagen. Met een dodelijke rechtse. De gehaaide, geldbeluste managers van Dixon zien er wel wat in om het gevecht ‘echt’ plaats te laten vinden – het zou goed zijn voor zijn imago – en melden zich in Adrian’s. In een mum van tijd stemt de oude Rocky in met een comeback: een demonstratiewedstrijd over tien ronden.

Dertig jaar geleden, in 1976, kroop Sylvester Stallone voor de eerste keer in de huid van bokser Rocky Balboa, archetype ruwe bolster, blanke pit. Een studio bood Stallone 250 duizend dollar voor zijn scenario van Rocky, maar dan zou hij zelf de hoofdrol niet mogen spelen. Hoewel hij in geldnood zat, besloot de Italiaanse Amerikaan zijn eigen plan te trekken, net zoals de hoofdrolspeler in zijn film. De film bood hem de kans te laten zien wat hij allemaal in zijn mars had.

Stallone’s eigenzinnigheid betaalde zich uit. Rocky werd een icoon, de film werd een kassucces en hij won drie Oscars (op tien nominaties): voor beste regie (John G. Avildson), beste montage en beste film – vóór Taxi Driver, vóór All the President’s Men, en vóór Network en Bound for Glory.

Boksfilms zijn bijna even oud als de film zelf. De Amerikaanse zakenman en uitvinder Thomas Edison was op 16 juni 1894 de eerste die twee ‘acterende’ boksers filmde met zijn kinetoscoop. En in 1897 was het titelgevecht tussen Jim Corbet en Bob Fitzsimmons het eerste sportevenement dat op film werd vastgelegd.

Boksen leent zich goed voor film; het is een ogenschijnlijk simpele, overzichtelijke sport, die ook voor leken direct te begrijpen is. Twee mannen gaan elkaar – zo goed als naakt; hun getrainde lijven zijn goed zichtbaar – te lijf, met hun vuisten en niets anders. De sterkste wint. Het heeft zowel iets primitiefs als iets mythisch.

Er hangt een zweem van tragiek en romantiek rond de sport. Vooral van romantiek. Vooral in Hollywood-films.

De meeste Hollywood-films laveren tussen twee uitersten: enerzijds de geromantiseerde biografische films over boksers die tot de verbeelding spreken, anderzijds de films waarin boksen een (halfbakken) metafoor is voor het leven zelf. Soms win je, soms verlies je. Een man wordt gevormd door de klappen die hij krijgt. Wie het beste kan incasseren, komt het verst.

Michael Manns Ali (2001) is een voorbeeld uit de eerste categorie. Will Smith kwam bijna twintig kilo aan, imiteerde vaardig Ali’s dictie, leerde boksen en won een Oscar. Maar het is allemaal buitenkant; de beweegredenen en angsten van de charismatische dienstweigeraar, stand-up comedian, politicus én sporter blijven onderbelicht.

Rocky bevindt zich aan de andere kant van het spectrum. Rocky Balboa is waarschijnlijk de bekendste bokser uit de filmgeschiedenis, maar de eerste Rocky gaat eigenlijk niet over boksen. Het is in de eerste plaats een liefdesverhaal, een feelgood film. Rocky is de ultieme representant van de Amerikaanse droom, een nul die een held wordt, omdat hij de moed heeft in de ring te gaan staan om te doen wat hij het beste kan: boksen. En hoeveel klappen hij ook moet incasseren, hoe zijn gezicht ook opzwelt, aan het eind van het gevecht is het leed geleden. De winnaar staat nog overeind en wordt bejubeld.

En zo wordt boksen, toch allesbehalve een feelgood sport, eigenlijk heel vaak misbruikt in feelgood Hollywood-films. Arm tegen rijk, zwart tegen wit, jong tegen oud, goed tegen slecht, met meisjes: het sluit naadloos aan bij de blockbusterclichés. Boksfilms, of beter: films waarin wordt gebokst, bieden de mogelijkheid om veilig te genieten van een gevaarlijke sport. Boksfilms worden bezocht door mensen die het niet in hun hoofd zouden halen naar een echt boksgevecht te gaan.

Zelfs als acteurs niet kunnen boksen, kan een gevecht nog meeslepend worden verbeeld. Dankzij de montage, en omdat de meeste acteurs wel kunnen acteren. Toen bleek dat de trainingssessies tot niets leidden, schreef Sylvester Stallone het sleutelgevecht uit de eerste Rocky-film helemaal uit. 32 pagina’s tekst: een linkse hoek, een rechtse hoek, een stap naar achteren, een stap naar voren, gevolgd door een uppercut – het was pure poëzie. Het gevecht werd vervolgens wekenlang, acht uur per dag, ingestudeerd, als de choreografie van een gewelddadige dans.

Joyce Carol Oates, schrijfster van On Boxing, een klassiek geworden essay over the sweet science, heeft weinig op met Rocky. Hij is weggelopen uit een stripboek, schrijft ze. Hij heeft het lichaam van een bodybuilder, niet van een bokser, en zijn wedstrijden zijn ‘comic book matches’, hoe Stallone ook zijn best heeft gedaan de stijl te imiteren van de legendarische bokser Rocky Marciano (49-0-0 met 43 knock-outs).

Boksen gaat volgens Oates over geslagen worden, meer dan over slaan, net zoals het meer gaat over het incasseren van pijn, zo niet een verwoestende psychologische verlamming, dan over winnen.

Een van de weinige films waarin dat ook zo is, is Martin Scorsese’s on-Amerikaans sombere Raging Bull uit 1980, gebaseerd op de memoires van bokser Jack LaMotta (‘de stier van de Bronx’, die tussen 1949 en 1951 wereldkampioen bij de middengewichten was). Bij Scorsese is naast de zelfhaat en zelfdestructie geen plaats voor valse romantiek; Raging Bull laat zien dat de schoonheid van de sport in de nederlaag schuilt, in de pijn.

De enscenering van de vechtscènes is fabuleus: gestileerd zwart-wit, veel slow motion, close-ups en vreemde camerahoeken. Bloed en zweet spetteren alle kanten op. Elk gevecht is in een andere stijl gefilmd, afhankelijk van hoe LaMotta zich voelde. Een gevecht tegen zijn grote rivaal Sugar Ray Robinson dat hij op punten verloor, is bijna zonder focus in beeld gebracht. Soms zijn de gezichten van de boksers niet zichtbaar, dan zit het touw van de ring ervoor, of bevinden ze zich net buiten het frame.

De film kreeg acht Oscar-nominaties maar won er slechts twee, voor de montage (Thelma Schoonmaker) en voor de mannelijke hoofdrol van Robert De Niro. De Niro wás Jack LaMotta, hij rookte zelfs dezelfde sigaren. Tijdens de opnamen verdween hij drie maanden spoorloos om dertig kilo aan te komen voor de rol. En voordat de opnamen begonnen, bokste hij gedurende een jaar meer dan duizend rondes met de echte Jack LaMotta. ‘Toen ik klaar met hem was, kon hij zo als beroeps aan de slag’, zei de bokser later over de acteur.

Na vier films, waarin de verhaallijntjes steeds dunner worden en de gevechten een steeds belangrijker plaats innemen, grijpt Stallone met Rocky Balboa weer terug op het stramien van de eerste Rocky-film. Sinds de dood van zijn vrouw leeft Rocky in het verleden. Letterlijk. Hij bezoekt de plekken waar hij samen met haar kwam en denkt aan vroeger – in beeld gebracht met fragmenten uit het eerste deel.

Rocky Balboa is een oude man, die zich ’s ochtends een paar keer optrekt aan een rek in zijn achtertuintje. Hij heeft artritis in zijn nek. Zijn knieën zijn versleten. Niemand verwacht iets van hem als Rocky besluit nog één keer een comeback te maken. Hij is de absolute underdog, nog kanslozer dan David tegen Goliath. De boksverslaggevers spreken honend van een ‘Balboasaurus’.

Zijn zoon, met wie hij een slechte relatie heeft, vraagt aan Rocky of hij niet een beetje te oud is voor een comeback. ‘Wat wil je de mensen nog bewijzen? Je moet wel reëel blijven, de wereld is veranderd.’ Rocky vraagt toch weer een bokslicentie aan. ‘Er is moed voor nodig om weer in de ring te gaan staan terwijl je weet dat je klappen krijgt’, zegt zijn kompaan Paulie.

Na een uur film trekt Rocky zijn grijze trainingspak weer aan en klinkt de vertrouwde Rocky-tune. De krasse knar stoeit met enorme gewichten, hobbelt de trap voor het museum weer op, slaat kadavers bont en blauw, en klokt nog maar eens wat rauwe eieren achterover.

Als de arrogante wereldkampioen Mason Dixon (de debuterende Antonio Tarver, een bokser die een Olympische bronzen medaille won) in de tweede ronde van de wedstrijd zijn hand blesseert, wordt het ‘veredelde trainingspartijtje’ zowaar een echt gevecht. De massa scandeert Rocky’s naam (in het publiek is Mike Tyson te herkennen). De kampioen wankelt.

Stallone gebruikt alle denkbare clichés, maar de film komt dan alsnog tot leven. Kleur en zwart-wit wisselen elkaar af. Soms is het beeld grofkorrelig, een enkele keer diapositief. Tussen de mokerslagen door zijn beelden gemonteerd van Adrians graf. De muziek zwelt aan. Rocky haalt op miraculeuze wijze het einde. In de ring heeft Rocky opnieuw de spoken in zijn hoofd weten te bezweren, hij herwint er het respect van zijn zoon, en hij vindt zijn zelfrespect terug.

Het gaat er niet om hoe hard je kunt slaan, maar hoe goed je kunt incasseren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden