Bart Moeyaert

Interview Bart Moeyaert

Kinderen zijn geen engelen en de kindertijd is niet per se mooi

Bart Moeyaert Beeld Siska Vandecasteele

Hoe schrijft de schrijver? Jeugdboekenschrijver Bart Moeyaert, die maandag de Astrid Lindgren Memorial Award krijgt, over vluchtgedrag en de kunst van het weglaten. 

Bart Moeyaert (Brugge, 1964) wordt aanstaande maandag op audiëntie verwacht bij kroonprinses Victoria van Zweden om de internationale Astrid Lindgren Memorial Award in ontvangst te nemen, de Nobelprijs voor de jeugdliteratuur. Zijn speech van exact 6 minuten is al vertaald in het Engels. Hij heeft hem licht gehouden, ook al zou hij het podium graag gebruiken om zijn punt te maken: jeugdliteratuur is ook literatuur. ‘Er zijn mensen die zeggen: ik lees jouw boeken niet, want ik ben geen 14 meer.’ 

Moeyaert is ‘de beste jeugdboekenschrijver ter wereld’, zoals een Vlaamse krant trots schreef, en de prijs die hij maandag krijgt, draagt de naam van een van zijn grote voorbeelden. Dat betekent veel voor de schrijver, die op 19-jarige leeftijd debuteerde met Duet met valse noten (1983). Daarna volgde een doordacht oeuvre van korte verhalen, novelles, gedichten en toneelstukken, met meestal jonge mensen als hoofdpersoon. ‘Iedere schrijver begint als lezer. Noem er één die niet zelf jeugdboeken schrijft, maar wel een jeugdboekenschrijver als voorbeeld noemt. Bijna niemand doet dat. Ik vind dat beledigend.’

Wat hebben de boeken die je hebt geschreven gemeen?

‘Lange tijd ben ik trouw elk jaar naar de kinderboekenbeurs van Bologna en naar de Buchmesse in Frankfurt gegaan. Gewoon om er te zijn en de depressie van de derde dag te voelen. Hoeveel boeken zijn hier, vroeg ik dan aan mezelf. Wat voeg ík daar nog aan toe? Daarna schudde ik die somberheid van me af en ging een nieuw boek schrijven. In het juryrapport van de Astrid Lindgren Memorial Award wordt mijn oeuvre in vier woorden samengevat: opkomen voor de eenling. Dat pakte mij ongelooflijk. Ik wist dat en ik wist dat tegelijkertijd ook niet. Ineens zie ik dat mijn personages, van wie weleens gezegd wordt dat ze zo passief zijn, wel degelijk ergens voor strijden.’

Beeld Siska Vandecasteele

Hoe kwam je op je verhalen?

‘Mijn debuut Duet met valse noten kwam rechtstreeks voort uit het dagboek dat ik bijhield tijdens mijn middelbareschooltijd, op een jongensschool waar ik me niet op mijn plaats voelde en fantaseerde dat ik een vriendin had. Veel latere verhalen hebben als decor de landelijke omgeving van mijn jeugd, aan de rand van Brugge. We waren met zeven jongens, hadden een groot huis met een enorme tuin die grensde aan water. Er was een boom met een hut, een touw om aan te slingeren. Als kind was ik gelukkig in die tuin, als puber diep ongelukkig tussen de andere pubers, als student op kot worstelde ik met homo zijn en schrijver worden. De bedoeling was dat we alle zeven in het onderwijs zouden gaan, net als mijn vader, dat we zouden trouwen en veel kleinkinderen krijgen. 

‘Dat geluk van die tuin en die worsteling daarna vind je in al mijn boeken terug. Ik heb me een periode veel laten inspireren door muziek, zoals voor de trilogie over het leven die ik voor het Nederlands Blazers Ensemble heb geschreven. Op dit moment ben ik meer dingen uit de werkelijkheid aan het gebruiken. Voor de hartklachten van Alan uit Tegenwoordig heet iedereen Sorry (2018) heb ik een cardioloog geraadpleegd. Een krantenknipsel over drie meisjes die een jongen verkrachtten ligt al heel lang op uitwerking te wachten.’

Blijft de eerste zin die je opschrijft meestal ook echt de eerste zin? 

‘Ik begin aan het begin, schrijf steeds verder en kijk hoever ik kom. Kom ik niet meer verder, dan moet het opnieuw. Tot ik een lijn voel. In de eerste scène zet ik de sfeer neer. Je moet meteen voelen hoe het zit met de hoofdpersoon. Een enkele keer werkt het niet, en ben ik al heel ver als ik merk dat het echt niet gaat lukken. Dan komt er een nieuw begin en dus een ander boek.’

Heb je weleens een verhaal helemaal opgegeven omdat je dacht dat het niet goed werd?

‘Niet omdat ik dacht dat het niet goed werd, maar omdat ik dacht dat het moment waarop ik het deed niet goed was. Ik heb zo’n zes beginnen op papier van meer dan een paar bladzijden. Sommige daarvan heb ik al jaren. Die wil ik allemaal nog graag afmaken. Ik begin daar wel bang voor te worden. Dat ik het niet haal.’

Doe je lang over je boeken?

‘Ontzettend lang. Ik vind uitvluchten. Boodschappen doen. Opruimen. Aan het eind van de dag staan er dan eindelijk een paar zinnen op papier. Soms een paar bladzijden. Als ik vastloop, verzin ik weer een uitvlucht. Ter hoogte van de groenteafdeling van de Delhaize valt me een oplossing in. Snel naar huis. Alles omgooien. Bijna aan het eind slaat de angst toe: is dit wel het boek dat ik wil schrijven? Dan regent het uitvluchten, is het huis pico bello op orde, blijf ik maar de was doen. En dan, ineens, werk ik door tot diep in de nacht, zit ik soms dagen achtereen in een verduisterde ruimte, met een dekbed voor het raam. Dan maak ik het in één ruk af. Daarna moet ik echt ritueel afscheid nemen door alles op te ruimen.’

Beeld Siska Vandecasteele

Hoe zou je je stijl omschrijven?

‘Ik laat veel weg en dat vinden sommige lezers lastig. Ik gaf een lezing op een school in Brussel aan kinderen van 11, 12 jaar. Staat er een jongen op, die pontificaal zegt: ‘Meneer, ik heb er helemaal níks van begrepen.’ Ik vraag: ‘Wát heb je niet begrepen?’ Begint hij het hele boek samen te vatten. ‘Nou’, zegt hij uiteindelijk, ‘daar heb ik dus niks van begrepen.’ Ik zeg: ‘Ik begrijp nu wat je niet begrijpt. Je vindt het raar wat ze doen.’ ‘Ja’, zegt-ie, en gaat weer zitten. De een raakt geïntrigeerd door wat er staat en stapt mijn boek binnen. Anderen begrijpen alles wat er staat, maar blijven toch buiten staan. Dat is jammer, maar niet erg.’

Wie is je voorbeeld?

‘Vandaag noem ik, zoals eigenlijk al jarenlang, Astrid Lindgren. Samen op het eiland Zeekraai is mijn favoriet. Daar was ook een televisieserie van. In de serie zit een terugkerend dialoogje van niks tussen het meisje Tjorven en Pelle, op wie ze verliefd is. Ik was dat ook, trouwens. Maar hij ziet haar niet staan. ‘Pelle’, vraagt ze keer op keer, en dan zegt Pelle afwezig: ‘Ja?’ Zegt zij: ‘Vet du vad?’ (Weet je wat?) En dan volgt er weer een kletsverhaal, dat maar op één ding neerkomt: zie je mij wel staan? Prachtig vind ik dat. Lindgrens boeken verschenen in een periode waarin de kindertijd werd verheerlijkt. Zij heeft op een prachtige manier laten zien dat die tijd niet alleen maar mooi is en dat kinderen niet per se engelachtig zijn.’

Hoe schrijf je?

‘Soms met een pen, in een schriftje, op café. Ik mijmer, denk na, maak notities. Fijn als er gesprekken zijn, maar ik moet ze niet kunnen afluisteren. Thuis in mijn werkkamer zet ik de opbrengst van de dag in de computer. De volgende dag maak ik een kopie van de vorige dag, met wijzigingen. Ik heb op mijn computer allemaal mapjes. Definitieve versie 1, definitieve versie 2, definitieve versie 3. Die stompzinnige angst dat de versie van gisteren beter was.’

En hoe lees je?

‘Ik lees in bed. Ik vind dat de fijnste plek. De beslotenheid. Maar gewoon lekker lezen is er voor mij niet altijd bij. Ik lig er vaak naast te schrijven. Zou je het niet liever zó zeggen? Pas als ik dat begin te vergeten, heeft het boek me te grazen. Dan ben ik eindelijk vertrokken.’

Over welk boek ben je het meest tevreden?

‘Ik word heel dwars van zo’n vraag. Dan ga ik maar wat roepen. De boeken horen allemaal bij mij en bij elkaar.’

Hoe belangrijk zijn recensies voor je?

‘Ik lig niet wakker van recensies. Ze zijn alleen belangrijk voor me als ze me iets vertellen dat ik nog niet wist. Dan voel ik me gelezen en dat is fijn. Die ontzettend korte recensies tegenwoordig, dat vind ik verschrikkelijk. Een recensie is niet alleen om lezers te vertellen dat er een boek is verschenen en waarom ze het moeten kopen, maar ook om de literatuur te dienen.’

Hoe ben je bij deze uitgeverij terechtgekomen?

‘Na een aantal boeken voor tieners begon mijn imago als een keurslijf te voelen. Ik wilde schrijven voor jongere kinderen. Schrijven voor volwassenen. Ik kreeg ruzie met mijn eerste uitgever, omdat die vond dat ik me heel nauwgezet bij mijn imago moest houden. Dat wilde ik niet. Ik ben op zoek gegaan naar een uitgever die literatuur voor alle leeftijden uitgeeft: Querido. Dat was heel belangrijk voor mij. Ik heb weleens een lijst gemaakt met romans en novelles uit de hele wereld die kinderen of jongeren als hoofdpersoon hebben, dan vind je ontzettend veel prachtige literatuur. Niemand ziet The Catcher in the Rye van Salinger als een jeugdboek. Als je zegt dat je dat niet leest omdat je geen 16 bent, zoals de hoofdpersoon, dan mis je echt wat.’

Verandert je redacteur veel?

‘Nee. Mijn methode zorgt ervoor dat ik alles dat niet goed is er zelf uithaal. De redacteur is natuurlijk wel mijn tweede lezer, hij kan zeggen: deze scène is te kort, dit gesprek is niet helder genoeg. Dan doe ik er nog wat kleins aan. Er is voor het drukken nog een corrector. Ik kick erop als die er nog dingetjes uithaalt, een voorzetsel dat niet goed staat, een verkeerd gebruikte uitdrukking. Maar dat is het wel.’

Heb je doorgaans meteen een titel?

‘Nooit meteen. Werk blijft lang titelloos bij mij. Ik vind het moeilijk te onderkennen: hier gaat het definitief over. Maar als de titel er eenmaal is, kom ik er meestal niet meer op terug. Dan is het net alsof die titel er altijd al was, net als de eerste zin.’

Wie bedenkt de uiteindelijke titel van je boeken?

‘Ikzelf natuurlijk. Soms lees ik een vertaling en denk ik: ja, zo had het ook gekund.’

Wat is de ergste kritiek die je zou kunnen krijgen?

‘Dat ik me ervan af zou hebben gemaakt. Maar ik denk niet dat me dat gauw zal overkomen. Zo werk ik niet. Daarom zal het wel zijn, dat ik zo lang over die verhalen doe.’

Wie is je belangrijkste meelezer?

‘Er leest niemand mee, want dat zou betekenen dat ik tijdens het schrijfproces af en toe al iets aan iemand zou laten lezen. Het koesteren van een boek, het lang bewaren van het geheim is juist een deel van het plezier. En van de eenzaamheid ook, maar ach. De eerste lezer als het boek af is, is mijn vriend.’

Wanneer begin je aan je volgende boek?

‘Aan het nieuwe boek heb ik al lang geleden een begin gemaakt. Die beginscènes zijn in de loop van de jaren verschillende keren veranderd, maar de drie meisjes over wie ik het heb, zijn wel dezelfde gebleven. Om ze beter te leren kennen, ben ik vorige zomer in een visverwerkingsbedrijf gaan meedraaien, want daar werken ze volgens mij; haring in bakjes doen voor de Albert Heijn. Door die ervaring is een aantal vragen beantwoord en heb ik ineens meer zin om te weten te komen wat er verder met ze gebeurt.’

Wat ligt er op je nachtkastje?

‘Ik lees vandaag Alles is ijdelheid uit, van Claire Goll, de memoires van een vrouw die vorige eeuw ongeveer alle kunstenaars, schrijvers en dichters heeft gekend. Ze spaart niets of niemand, behalve zichzelf. Daardoor krijgt het boek af en toe iets van een roddelblad, met Rilke, Joyce en Picasso op de cover.’

Welk boek zou iedereen moeten lezen?

‘Ik ga resoluut voor een boek van de jonge Noor Johan Harstad. Je zou kunnen beginnen met Buzz Aldrin, waar ben je gebleven?, en als je voor dat boek valt, dan wil je alles van hem lezen, geloof me. Ik vind hem een van de interessantste jonge schrijvers van dit moment. Zo groot – 1.500 pagina’s, het absoluut tegenovergestelde van wat ik doe – en toch geen zin te veel. Je raakt verslaafd. Niets aan te doen, behalve ervan te genieten.’

Beeld Siska Vandecasteele

Wie is Bart Moeyaert?

Bart Moeyaert is in 1964 geboren in Brugge als zevende zoon van Omer Moeyaert en Henriëtte Smessaert. In 1983 debuteerde hij bij uitgeverij Altiora met Duet met valse noten (Prijs van de Vlaamse Kinder- en Jeugdjury), in 1991 volgden Kus me en De nieuwe Pinokkio van Christine Nöstlinger, zijn eerste vertaling. In 1995 stapte Moeyaert over naar uitgeverij Querido en werd hij fulltimeschrijver. Met Blote handen won hij onder meer de Boekenleeuw, de Zilveren Griffel en de Deutsche Jugendliteraturpreis. Andere titels: Het is de liefde die we niet begrijpen (1999), Broere (2000, Woutertje Pieterse Prijs), Verzamel de liefde (2003), Moeyaerts debuut als dichter. In 2003 volgde De schepping, het eerste deel van een trilogie in samenwerking met het Nederlands Blazers Ensemble, in 2004 verscheen Dani Bennoni (Nienke van Hichtumprijs). 

In 2006 werd hij stadsdichter van Antwerpen, in 2008 verscheen Graz, zijn eerste novelle specifiek voor volwassenen. In 2014 werd Moeyaert gevraagd als intendant voor de Nederlandse en Vlaamse bijdrage aan de Frankfürter Buchmesse 2016. In 2018 verscheen Tegenwoordig heet iedereen Sorry (genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs) en in 2019 ontvangt hij de Astrid Lindgren Memorial Award voor zijn gehele oeuvre. 

Bart Moeyaert heeft een vriend, met wie hij op termijn gaat ­samenwonen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden