ReportageMusiceren op 1,5 meter

Kijken in plaats van luisteren en zeker niet praten: zo maak je muziek op afstand

De Volkskrant maakte een rondgang langs musici en zangers. Hoe ervaren zij de nieuwe opstelling, met anderhalve meter afstand? 

Het jubileumconcert van het Groot Omroepkoor en Radio Filharmonisch Orkest op 11 september in TivoliVredenburg, Utrecht.Beeld Esther de Bruijn

Ook orkesten moeten zich aan de coronaregels houden. Dat betekent dat musici tijdens een concert op minimaal anderhalve meter afstand van elkaar zitten – en dan spelen ze in zalen waar maar een fractie van de normale capaciteit kan worden benut. Zo ging het Amsterdamse Concertgebouw van tweeduizend naar 350 plaatsen, wat ook voor de akoestiek grote gevolgen heeft. Bezoekers dempen het geluid; hoe minder bezoekers hoe dominanter de galm – het klinkt allemaal wat holler.

Vrijwel alle professionele orkesten in Nederland, die ook zelf minder mensen kunnen inzetten, geven inmiddels weer concerten. Wat vinden orkestmusici en koorzangers van het musiceren in het nieuwe normaal? Is de situatie werkbaar? We maakten een rondgang. Dit zijn de belangrijkste conclusies.

1. Musici zijn alerter

We beginnen positief. Musici zijn alerter geworden, is de consensus. Dat moet ook wel, want door de afstand en de veranderde akoestische situatie ‘kunnen musici bijna niks meer op hun gehoor doen’, zegt Marije Helder, altviolist in het Radio Filharmonisch Orkest. ‘We moeten nu bij inzetten heel goed naar elkaar kijken, terwijl we van jongs af aan hebben geleerd: luister, luister naar elkaar.’

Wat verandert er feitelijk aan het spelen? ‘In een vrijwel lege zaal zetten we de noten wat meer aan en maken we ze wat korter’, zegt Helder. ‘Als er een legatoboog staat (die aangeeft dat een passage vloeiend, gebonden moet worden gespeeld, red.), laat je die soms maar weg: de galm bindt het toch wel. We moeten zo duidelijk articuleren dat het op het podium een beetje amuzikaal aanvoelt.’

2. Een groep vormen blijft een uitdaging

Geeft de afstand musici de ruimte om zich nu op te stellen als een groep solisten? Om harder te spelen ook? Ursula Schoch, eerste violist in het Concertgebouworkest, denkt van niet. ‘Ik heb niet het idee dat mensen meer hun eigen gang gaan, ik zie juist meer engagement. Maar het is moeilijker geworden om te mengen, ook met je eigen groepsgenoten. Als je je achterbuur al nauwelijks hoort, moet je elkaar maar vertrouwen.’

En hoe strakker, ritmischer de muziek moet zijn, hoe moeilijker. ‘We hebben een concert gegeven met muziek van Gershwin, dat was heel leuk, maar ook zwaar.’ Josephine Olech, fluitist van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, had vooral moeite met muziek met veel vraag-antwoord-passages. ‘Ik schakel mijn instinct uit. Je moet niet wachten tot jij het eind van die melodie hebt gehoord, want die komt met meer vertraging tot je. We zijn veel meer aan het anticiperen.’

Wordt er dan ook meer naar de dirigent gekeken? Daarover zijn de meningen verdeeld. Ursula Schoch: ‘Misschien wel.’ Erks Jan Dekker, zanger (bas): ‘Bij het jubileumconcert van het Groot Omroepkoor in TivoliVredenburg, stond dirigent Karina Canellakis helemaal aan de andere kant van de zaal. Dan zie je haar slag wel, maar krijg je niets van haar gezichtsuitdrukking mee. Uit iemands expressie kun je veel meer informatie halen.’

3. De 1,5 meter leidt tot zelfredzaamheid

In de anderhalvemetersamenleving heeft iedere musicus zijn eigen lessenaar, waar men gewend was om twee aan twee te zitten. Marije Helder: ‘Het omslaan doe je dus ook alleen, wat soms onhaalbaar is als je bijna geen rusten in je partij hebt.’ Schoch mist haar lessenaargenoot wel. ‘Het is toch fijner mét. Je helpt elkaar, het is gezelliger.’ Wat wel een voordeel is voor de dirigent: er wordt veel minder gekletst. Schoch: ‘Als nu iemand gaat praten, verstoor je echt het proces, want het is al zo moeilijk om op afstand de dirigent te verstaan.’

4. De oordoppen blijven vaker thuis

Een voordeel dan weer. Het is iets waar musici niet graag over praten, maar veel kampen er met gehoorklachten, opgelopen door de vele decibelschokken op het podium of in de repetitieruimte. ‘Maar door de afstand zijn die uitbarstingen allemaal veel beter te handelen’, zegt Helder. ‘Ik merk echt dat mijn oren minder worden belast.’

5. Koren hebben het zwaarder

Voor koorzangers voelt het nog veel gekker om zo ver uit elkaar te staan: in de goeie ouwe tijd stonden ze vaak schouder aan schouder, dan raakte je elkaar geheid aan bij het omslaan van je bladmuziek. ‘Dit heeft niets meer met koorzang te maken’, oordeelt Aart Mateboer, tenor in het Groot Omroepkoor. ‘Als iedereen op zijn eigen eilandje staat, is samen zingen onmogelijk.’

Erks Jan Dekker (ook actief in Cappella Amsterdam en Collegium Vocale Gent) is positiever. ‘Je hebt meer controle over je eigen geluid’, zegt hij. ‘Je hebt de ruimte om lekker te zingen. Maar inderdaad: het eigene aan een koor is dat je klank mengt. Je weet nu niet of je dat ook doet als je je medezangers niet voelt ademhalen. Ik denk wel dat we in de situatie groeien. Ik was er na een dag wel aan gewend.’

6. Experiment levert écht nieuwe inzichten op

Het Rotterdams Philharmonisch lanceerde een bijzonder concept. Dirigent Lahav Shani kwam op het idee om in een 360-graden-opstelling te spelen, waarbij iedereen in een cirkel om de dirigent heen zit – de aanvoerders van de secties vooraan. Klein nadeel: bij concerten zitten de blazers dan met hun ruggen naar het publiek.

‘Maar ik ben heel enthousiast’, zegt Josephine Olech. ‘Ik hoor verbanden die ik niet eerder hoorde, krijg veel meer inzicht in wat de strijkers doen en heb veel meer contact met de vioolgroep. Door deze opstelling krijg ik juist het idee dat we dichter op elkaar zitten, we maken kamermuziek.’

Nieuwe muziek 

Er wordt ook al speciaal voor anderhalvemeterorkest geschreven. Zo gaf de Philharmonie Zuidnederland componist Aart Strootman de opdracht voor een stuk, een persoonlijke reflectie op de coronatijd, met de maatregelen indachtig. Vrijdag gaat (In)dependance in première in Maastricht. ‘Mijn idee was om het orkest als groot ensemble in te zetten’, zegt Strootman. ‘Ik ga niet uit van secties, iedereen heeft zijn eigen partij. Het is onthiërarchisering, want er zijn geen aanvoerders meer: op het hoogtepunt zijn er dertig individuele stemmen. Iedereen is verantwoordelijk. Daar zag ik een mooie parallel met deze tijd.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden