Beschouwing De Liberté van Delacroix

Kijk goed naar het werk van Delacroix – de Tarantino van zijn tijd – en je ziet meer, veel meer

Eugène Delacroix: Le 28 Juillet: Liberté guidant le Peuple. Musée du Louvre, Parijs. Beeld RMN-Grand Palais (Musée du Louvre)/Michel Urtado

De Franse schilder Delacroix was de Tarantino van zijn tijd: veel geweld, mooie vrouwen, wellustige vertoningen. En al kent zelfs de halfblinde schoothond van je oma dit doek: wie gaat kijken, ziet meer. Veel meer.

Een schilder van het moderne leven: in oktober 1830 besloot de Franse kunstenaar ­Eugène Delacroix (1798-1863) zijn steentje bij te dragen aan de goede zaak. ‘Ik heb een modern onderwerp opgepakt’, schreef hij broer Charles, ‘een barricade, en hoewel ik voor mijn vaderland geen overwinningen heb behaald, zal ik er op z’n minst voor schilderen.’ Het aangekondigde werk zou nog datzelfde jaar in het Palais du Luxembourg zijn te zien, maar de onthulling liet op zich wachten tot de Salon van mei 1831. Het heette Le 28 Juillet: Liberté guidant le Peuple (olieverf op doek).

U kent dat werk, uw ongeschoolde grootmoeder kent dat werk, zelfs het halfblinde schoothondje van die grootmoeder heeft er weleens van gehoord. Het voelt als een ­gevechtsscène in een kostuumdrama: een horde revolutionairen bestormt onder aanvoering van een vlaggenzwaaiende Marianne een barricade, pistolen in de aanslag, sabels omhoog; een druk, lawaaiig, in kruitdampen ­gehuld tafereel. Nu is het te zien op het Delacroix-­retrospectief in het Louvre, het eerste sinds 1963.

In de vaste opstelling hangt het doek in de buurt van­Davids Le Sacre de Napoléon en Géricaults Le Radeau de la Méduse, kolossen die elk naburig werk reduceren tot een postzegel. Maar in deze lage, donkere en drukke ruimte herpakt het zijn statuur. En valt opnieuw op hoe goed het eigenlijk is geschilderd, hoe rijk aan fraaie details. De ­afgestroopte kous van een dode, broekloze soldaat; de in stralend wit neergeborstelde epauletten van zijn ook ­levenloze kameraad: het zijn schilderijtjes op zich, die toch niet afleiden van het totaalbeeld. Op reproducties zijn ze slechts ten dele goed zichtbaar. Hier is kijken naar het origineel echt een verrijking.

Geen ander Frans schilderij is zo vaak en in zo veel verschillende hoedanigheden gereproduceerd als Liberté. Het prijkte op Franse postzegels en bankbiljetten en, je doet er niks tegen, op de cover van het album Viva la Vida van de Britse band Coldplay. Ook fungeerde het als sjabloon voor veel politieke cartoons. Kunstwerken worden te pas en te onpas iconisch genoemd, maar bij Liberté is de term op z’n plek: de betekenis van dit werk reikt verder dan een memorabel schilderij van een half vergeten kunstschilder, verder dan de rol van beeldmerk van La République, verder wellicht zelfs dan symbool van politiek links.

Liberté staat zo’n beetje gelijk aan de vrijheid zelf. Werd het ook vanuit die motivatie gemaakt?

Voor een antwoord moeten we terug naar de herfst van 1830. Delacroix was 32, een ambitieuze, zelfbewuste maar ook tobberige jongeman. Hij was van goede komaf, maar zijn moeder had het familiekapitaal verspild. Zijn pose was onberispelijk, maar zijn zakken waren leeg. Wel had hij als schilder al een reputatie opgebouwd. In het wereldje was Delacroix fils een klinkende naam. 

Jean Schnetz (1787-1870): Combat près de l'Hôtel de Ville, 28 Juillet 1830. Musée des Beaux-Arts de la Ville de Paris, Petit Palais. Beeld Petit Palais / Roger-Viollet

Zes jaar eerder hadden de critici op de tweejaarlijkse ­Salon zijn schilderij Le Massacre de Scio met veel begeestering opgehemeld. Enkele jaren later was zijn andere ­meesterstuk, La Mort de Sardanapale met gelijkaardige geestdrift de grond in geboord. Beide werken toonden wat voor schilder Delacroix wilde zijn: een romantisch schilder. Retorisch, expressief, een man die, zoals zijn ­fanatiekste voorvechter, de dichter Charles Baudelaire schreef, ‘gepassioneerd verliefd was op passie zelf – en ijzig overtuigd om die passie uit te drukken op de meest zichtbare manier’. Van stervende Grieken tot strijdende ruiters tot vechtende ­leeuwen, Delacroix leverde drama omwille van het drama, hoogst artificieel. Wellustige farces, typeerde de marxistische criticus John Berger het werk. De ­Tarantino van de 19de eeuw.

Delacroix’ grote voorbeeld in dezen was de Vlaming Peter Paul Rubens, en het was diens zwierige schilderwijze waarop hij inhaakte. Te midden van die stijve ­pruiken van de Académie viel de Fransman op door zijn onstuimige handschrift en zinderende palet. Werkte hij met wit, dan was hij de meester van de witten. Lag er geel op zijn palet; dan werd dat haast vanzelf ­Delacroix-geel. Vincent van Gogh bestudeerde deze kleurstellingen: diens stillevens ­lijken soms details uit een werk van de Fransman. Voor Liberté draaide Delacroix de kleurknop laag, maar niet dicht.

Welke revolutie zien we hier? Daarover bestaan misverstanden. Delacroix schilderde noch de Franse Revolutie (van 1789) noch de Februari-revolutie (1848), maar de Juli-revolutie (1830), ook wel les trois glorieuses genoemd: 27, 28 en 29 juli. In termen van vooruitgang was dat een niemendalletje. Nieuwe despoot (Louis Philippe I, van het hertogdom Orléans) verving oude despoot (Charles X van Bourbon), whoop-de-doo. Aanleiding voor de coup waren de repressieve wetswijzigingen (waaronder een inperking van de persvrijheid) die Charles doorvoerde ten einde de liberale oppositie te dwarsbomen en de zittende regering veilig te stellen. 

Opgejut door de liberalen en de Orléanisten gingen boze burgers de straat op. In de buurt van het Palais Royal kwam het tot een treffen tussen een groep arbeiders en de ­koninklijke garde. Binnen de kortste keren sloeg de vlam in de pan. De arbeiders gooiden met straatklinkers. De ­koninklijke garde schoot met scherp. Er vielen burgerslachtoffers, wier lijken werden door de Parijse straten ­gedragen. Er verrezen barricaden en tegen het einde van de derde dag was de stad in handen van de coupplegers, waarna Louis Philippe werd gekroond, waarna Delacroix – et cetera.

Gustaaf Wappers: Tafereel van de septemberdagen 1830 op de Grote Markt te Brussel, 1830. Koninklijke Musea voor schone kunsten van België, Brussel. Beeld KMSKB, Brussel/foto: J. Geleyns - Art Photography

Zulke historieschilderijen van een actuele gebeurtenis waren een relatief recent verschijnsel. Tot aan de late 18de eeuw komt men ze amper tegen. Rembrandt, om eens iemand te noemen, leefde in een land dat voor een groot deel van zijn leven in oorlog verkeerde, maar in zijn werk valt daarvan nauwelijks iets terug te zien. Rubens: hetzelfde verhaal. Titiaan: idem. Oorlog en geweld op historiestukken, zo was de conventie, was iets tussen goden en half­goden. Pas enkele decennia voor Delacroix’ geboorte werd eigentijds wapengekletter een volwaardig onderwerp.

Werd hij gedreven door patriottisme, een oprecht geloof in een meer egalitaire en gelijkwaardige samenleving? Het valt moeilijk te geloven. Delacroix stamde uit een Bonapartistisch nest, kreeg koninklijke opdrachten, bleef de monarchie tot het eind toe trouw; zijn geloof in revoluties, zo blijkt ook, was minimaal. Delacroix’ interesse zal dientengevolge meer esthetisch dan politiek gemotiveerd zijn ­geweest. De Juli-revolutie was simpelweg goed materiaal. Bebloede sabels en krijgszuchtig vlaggengezwaai: ze deden het hart sneller kloppen. Chaos, crisis – très romantique.

Te midden van deze strak georkestreerde chaos treffen we de naamgever van het schilderij, Vrijheid ofwel de ­Marianne. Frygische muts, tricolore – jep, onmiskenbaar. De ontblote Venus van Milo-borsten ontbreken evenmin. ­Delacroix zou haar deels hebben gebaseerd op gedichten over de heldendaden van vrouwen tijdens de revolutiedagen, maar in de kern is zij een allegorie: de belichaming van een ideaal. 

Het is wel een atypische allegorie. Zij heeft niet het geïdealiseerde van haar eerdere en latere persona, Bartholdi’s Statue of Liberty de bekendste. Ze heeft iets grofstoffelijks, op het aardse af. Ze heeft okselhaar en een bruine huid. Ze zweet. Teerhartige Franse estheten vonden dat maar niks. Een zwetende vrouw, zeiden ze tegen elkaar, het moet niet gekker worden!

Rond Marianne hebben zich allerlei verhitte figuren verzameld, mannen in wie tijdgenoten direct vertegenwoordigers van de bestaande klassen zullen hebben herkend: een student, een arbeider, een timmerman. Ze dragen wapens en kleding die ze geconfisqueerd hebben van de koninklijke troepen. Het jochie met de pet, bijvoorbeeld, bemachtigde een munitietas met koninklijk kruis en twee revolvers – wij lijken zijn volgende doelwit. De hoge hoed bracht zijn eigen geweer mee, als enige. De figuren verhouden zich tot elkaar als acteurs die allemaal een ander script kregen, maar het effect is overweldigend. Hoezeer, dat zie je pas wanneer je Liberté vergelijkt met wat tijdgenoten van de Juli-revolutie bakten, hun schouwtonelen vol speelgoedsoldaatjes. Delacroix’ versie is niet alleen rokeriger en smeriger, maar ook indringender. Het brengt het slagveld naderbij.

En toch was het zeker geen realisme. Alles wat erop te zien was, had Delacroix uit de tweede hand. De kleding en poses van de figuren, die de kunstenaar liet naspelen door vrienden, ontleende hij bijvoorbeeld aan het werk van ­makers die wél ter plaatse waren, de ­lithograaf Nicolas-Toussaint Charlet in het bijzonder. ­Delacroix’ werk was een waarheidsgetrouw construct, en in die vorm vrij succesvol, al was dat succes van korte duur.

Het ministerie van Cultuur kocht het snel na de presentatie aan en hing het direct ook maar op in het Palais du Luxembourg, maar even snel werd het weer van die plek verwijderd. Men achtte het werk te polariserend. Het zou potentiële oproerkraaiers op ideeën kunnen brengen. Het werd teruggegeven aan de maker, die het om duistere redenen stalde bij zijn tante op het platteland. Pas toen Frankrijk in 1871 definitief een republiek werd, kreeg het zijn vaste ereplekje in het Louvre. Daar vervult het sindsdien tal van nevenfuncties, van luisterrijke achtergrond bij staatsbanketten tot diplomatiek smeermiddel. Zo reisde het ter bevordering van de Japans-Franse handelsbetrekkingen in 1999 naar Tokio, in een verbouwde ­Airbus. Liberté, égalité, jet privé. Een ondubbelzinnige ­glorificatie van de revolutie is het echter niet.

Daarvoor is het te ambigu, zo viel in het Louvre bij herzien op. De ‘slechte’ koningsgezinden liggen er opvallend teder bij; de ‘goede’ revolutionaire massa heeft iets ruw en onbehouwens. De Engelse kunstenaar Jeremy Deller merkte over die laatste op dat ze hier de rol vertolkt die stormen en vloedgolven spelen op romantische landschappen: die van oerkracht. Zij is een spectaculair, maar verwoestend monster. De fijngevoelige conservatief ­Delacroix zal haar hebben bewonderd én gevreesd.

Delacroix (1798-1863), Louvre, Parijs, t/m 23/7.

Catalogus: Delacroix (1798-1863), Sébastien Allard, Côme Fabre, Hazan: Editions du Musée du Louvre, 480 pagina’s, € 45,-.

Voor dit artikel is gebruikt gemaakt van Delacroix, Simon Lee Phaidon, 352 pagina’s, € 24,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.