KEURSLIJF VAN HET KIJKEN

Binnen de museummuren is een verandering gaande die duidt op een esthetische aardverschuiving. Vergat de kunstgeschiedenis eerder te kijken naar romantiek en pre-rafaëlieten, nu zijn deze 19de-eeuwse schilders hot....

Het is dat Michael Jackson en Sylvester Stallone hem verzamelen, anders had de schilder William Bouguereau de kranten helemaal niet gehaald de laatste jaren. Was deze Fransman rond 1870 beroemd om zijn aalgladde naakte Venussen en om zijn strak gesteven werelden waarin niets mis kan gaan, na zijn dood werd de ‘kitsch-schilder’ een eeuw lang onverbiddelijk buiten de museumpoorten gehouden, gedoemd tot de muren van Neverland.

En dat zou nu zomaar ineens kunnen veranderen. Benno Tempel, tentoonstellingsmaker van de Kunsthal, is er helder in: ‘Bouguereau? Die zou ik graag een keer als kerst-tentoonstelling laten zien.’

Typisch Kunsthal? Neem dan de 19de-eeuwse Salonschilder Alexandre Cabanel, al even verfoeid en al even bedreven in de schildering van porseleinwit vrouwenvlees. Hij staat nu als serieuze kandidaat op de verlanglijst van het Van Gogh Museum, zegt Edwin Becker, net benoemd hoofd Tentoonstellingen. Althans, nadat daar eerst, in samenwerking met Tate Britain, een groot overzicht van de pre-rafaëliet John Everett Millais (in 2008) is geweest – ook al zo’n schilder die in kunsthistorische handboeken nauwelijks een alinea kreeg.

De toekomstplannen van de conservatoren Tempel en Becker bevestigen hoe zich de afgelopen tien jaar een opvallende verandering in de tentoonstelling van 19de-eeuwse kunst heeft voorgedaan. Een verandering binnen veilige museummuren weliswaar, maar ze duidt op niets minder dan een esthetische aardverschuiving.

Een 19de-eeuws schilder werd tot voor kort uitsluitend getoond als in hem de voorafschaduwing van de 20ste eeuw kon worden gezien. De 19de eeuw was volgens de gangbare opvatting: Marx, machines, treinen, vrouwenemancipatie, en in het artistieke verlengde van deze revoluties liggen impressionisme, het loslaten van academische thematiek, beginnende abstractie, kunstwerken richting de koele wereld van het modernisme.

Kortom: vooruitgangsdenken bepaalde de blik op de 19de eeuw. Nederland was hier nog fanatieker in dan Frankrijk. Zelfs een simpele stadsgezichtschilder als Breitner kwam op een museaal voetstuk te staan omdat er in hem nu eenmaal iets van de internationale kunstrevolutie was te zien.

In de Kunsthal is nu Meesters van de Romantiek. Nederlandse schilderkunst 1800-1850 te zien. Een neutrale titel, die echter zeer misleidend is. Nederland kende immers helemaal geen romantiek, zo leerden de handboeken tot dit jaar, terwijl hier twee volle verdiepingen en een dikke catalogus met schipbreuken, ondergaande zonnen en tranen zijn te zien.

Een aantal van de getoonde schilders zijn relatief bekend, alhoewel nauwelijks te zien op grote tentoonstellingen: de William Blake-achtige visoenen van David Humbert de Superville, nooit verder geweest dan wetenschappelijke kring; de smachtende doeken van Ary Scheffer, in Parijs naast Georges Sand het middelpunt van het Musée de la vie romantique, in Nederland alleen in Dordrecht te zien omdat hij daar nu eenmaal geboren is. Er zijn ook compleet onbekende schilders als Woutherus Mol, Moritz Calisch en Albertus Brondgeest.

Samen vormen ze ineens een heuse bewijsvoering: ‘Hun werken zijn dan wel niet zo stormachtig als in Duitsland en Frankrijk’, zegt Benno Tempel, mede-samensteller van de tentoonstelling, ‘maar ze vormen een eigen, volwaardige Nederlandse romantiek. De kunstgeschiedenis vergat er naar te kijken, ze dacht vanuit een modernistisch dogma.’ Met andere woorden: met Meesters van de Romantiek is er weer een nieuwe exponent aan de esthetiek-verschuiving toegevoegd.

‘Een voorzichtige herwaardering van de 19de eeuw is er al vanaf begin jaren tachtig te zien geweest’, zegt Tempel, ‘maar het bleef onder een voorbehoud als ‘‘eigenlijk vinden we het kitsch’’. Het kon alleen sociologisch worden benaderd, de oude vooruitgangsgedachte bleef gehandhaafd.’

De omslag in het denken kwam volgens Tempel tien jaar geleden, vanuit de grote musea. Een nieuwe generatie onderzoekers kwam op en zich op vergeten gebieden; niet in het minst als reactie op hun voorgangers. Hoewel de oude invalshoek nog steeds overheerst: ‘Een tentoonstelling over de 19de eeuw in de Nieuwe Kerk met de collectie van het Stedelijk Museum, Stad en land in 2003, liet heel veel spannende werken in het depot liggen.’

Het is niet toevallig dat de romantiek-revisie mede is samengesteld door Ronald de Leeuw, directeur van het Rijksmuseum. De Leeuw was midden jaren negentig directeur van het Van Gogh Museum, en zette in 1996 samen met Edwin Becker de expositie over Sir Lawrence Alma-Tadema op. Die tentoonstelling kan als een breekpunt in de tentoonstelling van 19de-eeuwse kunst worden gezien.

Het gevolg was een publiekssucces, en het smaakte, ondanks bezorgde geluiden uit universitaire kring, naar meer: een reeks tentoonstellingen van andere vergeten schilders volgde, zoals Franz von Stuck en Dante Gabriel Rossetti. ‘En het eind van die reeks herontdekkingen’, zegt conservator Becker nu, ‘is nog lang niet in zicht.’

De herontdekkingen begonnen volgens Becker in het Van Gogh Museum eerst nog met kleine voorzichtige exposities, vooral van tekeningen, maar na Tadema veranderde dat in grote, theatrale schilderijententoonstellingen – Cabanels doeken zijn meters lang, de expositie van Rossetti kende een geur-effect per zaal. Inmiddels worden de verfoeide en vergeten 19de-eeuwse schilders steeds meer – ook in Engeland en Frankrijk – onderdeel van langdurige en dure onderzoeksprojecten.

Becker: ‘De cirkel is nu rond: door nieuw onderzoek, door nieuwe kennis, is bij het publiek een andere manier van kijken mogelijk gemaakt. Het keurslijf van het kijken, de ballast van de 20ste eeuw is langzamerhand verdwenen: het is niet alleen meer cultuurhistorisch interessant, maar ook gewoon goed. Om Tadema in 1996 openlijk goed te vinden, was nog echt moed nodig.’

De Kunsthal hield tien jaar geleden, bij de opening, een enquête onder het publiek over wat hun favoriete kunst was: abstracte kunst, zei de meerderheid. Benno Tempel: ‘Diezelfde meerderheid zal nu figuratieve schilders noemen.’

De verklaring van de verschuiving heeft alleen voor een deel met de verandering van de museumwereld zelf te maken. Er moet ook publiek voor zijn. En dat kwam er. Het is niet voor niets dat het Groninger Museum van de 19de eeuw een speerpunt maakte op het moment dat publieksstrateeg Kees van Twist aantrad in 1999. Samen met Henk van Os programmeerde het AVRO-duo na het onverwachte succes van de Russische schilder Repin de tentoonstellingen Fatale Vrouwen (over laat-19de-eeuwse femmes fatales) en Russische landschappen.

‘Het leek alsof het publiek op de museale goedkeuring had zitten wachten’, zegt Benno Tempel van de Kunsthal. ‘Eindelijk mochten bepaalde schilders mooi gevonden worden.’ Het adagium ‘Ik zeg wat ik denk’ doorgedrongen bij het museumpubliek? ‘Ja, noem het maar een Fortuyn-effect.’ In een tijd waarin in het algemeen afscheid is genomen van vooruitgangsdenken, lijken de afbeeldingen die het tegendeel tonen ineens weer spannend.

De belangstelling voor 19de-eeuwse schilders zou je dus kunnen zien als teken van een algehele smaakverschuiving van het publiek. Op een bepaald punt hebben Alma-Tadema, Franz von Stuck, Repin, Dante Gabriel Rossetti en Nederlandse romantiek immers overeenkomsten. Het gaat bij hen helemaal niet om de vooruitgang, niet om formele eigenschappen die een schilderkunstige revolutie aankondigen.

Een conservatieve fijnschilder als Bouguereau en een stormachtige revolutionair als Rossetti zijn beiden onderdeel van ‘de andere kant’ van de 19de eeuw. De kant die weinig op had met de vooruitgangsgedachte, die zich er liefst van af keerde.

De 19de eeuw was immers ook die van het gezwijmel en gemijmer. De eeuw van mystiek, introspectie, dagboekenschrijven, Sehnsucht en drama. Veel kunst was escapisme, een reactie op de iets te snelle veranderingen in de maatschappij. Geschilderde taferelen van stil burgergeluk horen daarbij, maar ook schilderijen, opera’s en verhalen over feeën, tovenaars, ridders, jonkvrouwen en mythologische figuren, zoals romantici, wagnerianen en pre-rafaëlieten dat graag zagen.

En dat is gek genoeg een beeldtaal die helemaal niet zover weg ligt van de hedendaagse cultuur. De game- en filmindustrie heeft het succes van het fantasy-genre de laatste jaren geheel kunnen uitbuiten, Harry Potters magische avonturen zijn literatuur voor volwassenen geworden en Gothic doet het weer prima in popmuziek en zelfs in de hedendaagse kunst, zoals in het werk van van Amy Dicke.

Je zou die belangstelling voor de Sehnsucht-kant van de 19de eeuw hierin kunnen plaatsen. Monet en zijn locomotief als teken van juichende vooruitgang past niet meer in een angstig tijdperk, maar de contemplatieve natuur van de romantici, of een drijvende Ophelia in een vijver met bloemen (Millais), sluit ineens prima aan, wederom als een vorm van escapisme. Daarom wellicht in de Kunsthal over een paar jaar de werken van Bouguereau, een zoete wereld waarin helemaal niets mis kan gaan.


Meesters vande Romantiek, Nederlandse schilderkunst 1800-1850. T/m 8 januari in de Kunsthal Rotterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden