InterviewLiesbeth Brandt Corstius

‘Kenden wij vrouwelijke kunstenaars? Nee, we konden er niet één noemen’

Liesbeth Brandt Corstius, oud-directeur van Museum Arnhem, liep voorop met positieve discriminatie van vrouwelijke kunstenaars. ‘In de jaren negentig zette ik het beleid door, maar schreeuwde het niet meer van de daken. Het feminisme had een vieze bijklank.’

Sarah van Binsbergen
Liesbeth Brandt Corstius  Beeld Erik Smits
Liesbeth Brandt CorstiusBeeld Erik Smits

Steeds meer musea doen de laatste jaren hun best om nieuwe perspectieven toe te voegen aan de (kunst)geschiedenis, zoals het perspectief van minderheidsgroepen en vrouwen. Museum Arnhem is op dit gebied pionier: al sinds 1982 voert het museum het beleid om minimaal de helft van de aankopen en presentaties voor vrouwelijke kunstenaars te reserveren. Die pioniersrol is te danken aan Liesbeth Brandt Corstius (82), van 1982 tot 2000 directeur van het museum. Vanaf het begin van haar aanstelling liep zij ver voor de troepen uit met haar ambitie om vrouwelijke kunstenaars te tonen en te verzamelen.

Wanneer begon u met een feministische blik naar de kunstwereld te kijken?

Dat was midden jaren zeventig, tijdens een bezoek aan Parijs met mijn goede vriendin Josine de Bruyn Kops (van 1976 tot 1986 directeur van Stedelijk Museum Gouda, red.). Ik had een aantal jaren als conservator moderne kunst bij het Museum Boijmans Van Beuningen gewerkt en uitsluitend tentoonstellingen met mannelijke kunstenaars gemaakt, maar dat was me nooit opgevallen. Na een bezoek aan de internationale Biënnale des Jeunes de Paris constateerden wij dat we tussen al die jonge kunstenaars helemaal geen kunstenaressen hadden gezien. Kenden wij zelf eigenlijk kunstenaressen, vroegen we ons af. Nee. We hadden kunstgeschiedenis gestudeerd en werkten in de kunstwereld, maar konden er niet één noemen.’

Kort daarop zou Brandt Corstius een van de belangrijkste aanjagers worden van het debat over vrouwen in de kunst. Samen met De Bruyn Kops en schrijfster Ella Reitsma (nu Ella Snoep) schreef ze in 1976 een oproep in feministisch tijdschrift Opzij: ‘Zijn er in Nederland kunstenaressen?’ Zo’n tweeduizend vrouwen meldden zich per brief: ‘We wisten niet wat ons overkwam!’ Naar aanleiding van die brieven werd in 1978 de Stichting Vrouwen in de Beeldende Kunst (SVBK) opgericht, die bijeenkomsten organiseerde en landelijke werkgroepen optuigde. Onder de vlag van SVBK maakte Brandt Corstius onder andere de tentoonstellingen Feministische Kunst Internationaal (1979) en De kunst van het moederschap (1981). In 1982 werd ze directeur van het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem, nu Museum Arnhem.

U werd bekend als museumdirecteur omdat u, ver voordat daar in andere musea sprake van was, een quotum invoerde voor het verzamelen en tonen van kunst van vrouwen. Was daar tijdens uw sollicitatie al sprake van?

‘Ik was niet helemaal de enige. Josine de Bruyn Kops deed in Stedelijk Museum Gouda iets soortgelijks, maar zij is jong overleden. Ik kan me niet herinneren dat het bij de sollicitatie ter sprake kwam. Toen ik eenmaal directeur was, schreef ik in de beleidsnotitie dat we positieve discriminatie van vrouwelijke kunstenaars zouden bedrijven. Van de nieuwe aankopen moest 50 procent gemaakt zijn door vrouwen, en ook in tentoonstellingen moest minstens de helft van de kunst van vrouwen zijn. Een kunstenaar stapte boos uit de adviesraad van het museum , verder lazen veel mensen er overheen. ’

Maken vrouwen andere kunst dan mannen?

‘Sommige vrouwen, zeker niet allemaal. Museum Arnhem heeft een grote collectie realisten en dat sloot aan bij mijn voornemen om meer kunst van vrouwen te tonen en verzamelen. Veel kunstenaressen in de jaren zeventig en tachtig hielden zich bezig met hun positie als vrouw en met het lichaam, daar zit ook een realistisch element in. Natuurlijk waren er ook vrouwen die andere onderwerpen kozen en die abstracte kunst maakten. Sommige kunstenaressen verweten mij dat ik het alleen maar interessant vond als vrouwen kunst maakten over feministische onderwerpen.’

‘50 procent kunst en 50 procent vrouwen’, werd er soms neerbuigend over uw museum gezegd. Toch hebt u altijd vastgehouden aan die lijn. Over het woord feminisme zei u in 1982: ‘Ik gebruik het woord bewust omdat het zo’n slechte klank heeft, dat je er waanzinnig veel reacties mee loskrijgt van tegenstanders.’

‘Dat klopt, dat heb ik jarenlang vol energie gedaan en in de jaren tachtig was dat nog leuk. Maar voor de kunstenaressen riep het op een gegeven moment te veel negativiteit op. Die hoorden bijvoorbeeld van hun omgeving: dat je in Arnhem mag exposeren, is alleen maar omdat je vrouw bent. In de jaren negentig zette ik het beleid door, maar ik schreeuwde het niet meer van de daken. Het feminisme had een vieze bijklank.’

Op het gebied van diversiteit ligt de nadruk tegenwoordig ook op de representatie van kunstenaars van kleur. Was dat destijds een thema voor u?

‘Ik heb daar een blinde vlek voor gehad. Een paar jaar geleden ben ik erg geschrokken toen ik in New York een tentoonstelling zag over de geschiedenis van zwarte kunstenaressen in Amerika. Daar werden briefwisselingen getoond uit Heresies, een feministisch kunsttijdschrift waar ik destijds een abonnement op had. In die brieven schreven zwarte kunstenaressen dat hun werk genegeerd werd. Die discussie is helemaal aan me voorbij gegaan en zo zijn er meer voorbeelden. Het is raar, en ik schaam me er achteraf voor.’

Heeft u het gevoel dat het gesprek over feminisme en over inclusie in de kunstwereld nu verder gaat dan toen u museumdirecteur was?

‘Absoluut. Kijk naar de #MeToo-discussie en naar de zichtbaarheid van kunstenaars van kleur. Dat ik mijn eigen blinde vlekken nu zie, komt mede doordat er andere accenten gelegd worden. Het is veel meer geaccepteerd om met een sociale lens naar de kunstwereld en kunstgeschiedenis te kijken.’

Quota voor vrouwelijke kunstenaars

In 2019 bleek uit onderzoek van de Volkskrant dat drie Nederlandse musea een quotum hebben gesteld voor de aankoop en presentatie van kunst van vrouwelijke kunstenaars. Het gaat om het Van Abbemuseum in Eindhoven, Museum Arnhem en – wat betreft de hedendaagse collectie – het Fries Museum. Zeventien musea zeiden te streven naar meer evenwicht, zonder dit te specificeren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden