Interview Kees ’t Hart

Kees ’t Hart over writer’s-block-gejammer: ‘Je moet als schrijver niet zeuren, maar doorgaan’

Kees ’t Hart Beeld Els Zweerink

Hoe schrijft de schrijver? Bij Kees ’t Hart is het altijd ploeteren. Zijn nieuwe roman, De ziekte van Weimar, over zijn held Goethe, is geen uitzondering. Gelukkig weet hij inmiddels dat het goed komt. 

Plechtig zet schrijver Kees ’t Hart (75) een beeldje op tafel in de woonkamer van zijn statige huis in Den Haag. Het is een stenen kubus met daarbovenop een stenen bol. Een miniatuur van Der Stein des guten Glücks, in 1777 ontworpen door Goethe, de schrijver van wie ’t Hart al bijna een leven lang idolaat is. ‘150 euro in de Goethe-giftshop, koopje toch!’

Het originele, bijna manshoge beeld staat sinds de oprichting ervan in de tuin van het voormalig zomerhuis van Goethe, in Weimar. ’t Hart heeft het verschillende malen bezocht. Vorig jaar voor het laatst, om onderzoek te doen voor zijn net verschenen historische roman. In De ziekte van Weimar volgen we hoofdpersonage Albert van Huszen, een afgezant van de academie van Franeker, die naar Weimar reist om Goethe toestemming te vragen een replica van het beeld te maken. In 1807, dus de reis gaat per rijtuig, hobbelend door Pruisen, waar de troepen van Napoleon hun sporen hebben nagelaten. Ondertussen kampt Albert met een ‘ziekte’: hij heeft last van voortijdige ejaculaties. En hij raakt compleet in de ban van Goethe, bij wie hij op audiëntie gaat.

Heeft u veel research gedaan?

‘Over Goethe wist ik als adept al veel, maar in 2011 schreef ik het boekje De steen van Goethe en dat bleek een goede voorstudie voor dit grotere werk. Ik heb nu alles uitgezocht over het beeld. Er hangt nogal wat mysterie omheen. We weten dat Goethe het heeft gemaakt voor de verjaardag van zijn vriendin Charlotte von Stein, maar over het idee erachter is bijna niets bekend. In mijn roman laat iedereen er zijn eigen interpretaties op los. De kubus zou staan voor het lichaam, de bol voor de ziel. Of voor dood en leven, realiteit en droom, man en vrouw, verstand en gevoel. Er zijn geen schetsen van het beeld en in brieven heeft Goethe het er nooit over. Ik ben in Weimar de archieven ingedoken om uit te zoeken bij welke steenhouwer het is gemaakt, maar ik heb het niet kunnen traceren. Het enige wat ik heb gevonden is één klein woordje in zijn dagboek: ‘Opgericht.’

‘Dat gebrek aan informatie is voor mij als romancier natuurlijk prettig. Dan kan ik er rustig van alles bij verzinnen. In mijn boek wordt gefluisterd dat Goethe seks had met Charlotte, tegen dat beeld aan. Dat is volstrekte lulkoek. Alhoewel: Goethe-kenners debatteren er nog steeds over of Goethe en Charlotte nou wel of geen seksuele relatie hadden. Als ik zoals Albert bij Goethe op audiëntie had kunnen gaan, dan had ik al mijn moed bij elkaar geschraapt en dát gevraagd: heb je het nou met die Charlotte gedaan, ja of nee?’

Wie is Kees ’t Hart?

Kees ’t Hart (1944) is schrijver en literatuurcriticus voor De Groene Amsterdammer. Zijn romans De revue (1999) en Teatro Olimpico (2014) stonden op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. In 2017 schreef hij de goed ontvangen roman Wederzijds, over de Rivierenbuurt in Den Haag, waar ’t Hart woont met zijn vrouw, de kunstenaar Euf Lindeboom.

Vanwaar de fascinatie voor Goethe?

‘Dat heeft alles te maken met mijn diepe bewondering voor zijn gedicht Erlkönig. Als ik het in een mooie uitvoering gezongen hoor, word ik er helemaal… raar van. Het gaat over een jongetje dat te paard met zijn vader meereist en bedreigd wordt door de Elzenkoning. Hij smeekt om hulp – ’t Hart zingt: ‘Erlkönig hat mir ein Leids getan!’ – God, zo ontroerend. Het staat voor mij symbool voor de complete westerse literatuur; daarin gaat het altijd over iemand die redding zoekt. Schrijvers zijn machteloos, politiek gezien, en dus gaan ze op reddingstoer in de literatuur. Ik doe het ook in dit boek. Albert moet gered worden van zijn eenzaamheid, van zijn Goethe-waan én zijn ziekte: het voortijdig ejaculeren.’

Peter Buwalda kwam – net iets eerder – met Otmars zonen, waarin de hoofdpersoon ook lijdt aan voortijdige ejaculatie. Baalt u daarvan?

‘Ik las het en dacht: verdomme, die Buwalda ook! Hij zal net als ik gedacht hebben dat zijn hoofdpersoon aan iets onbespreekbaars moet lijden, maar dat je met impotentie niet kunt aankomen, want dat heeft A.F.Th. van der Heijden al gedaan, met Albert Egberts in De tandeloze tijd. Toen werd het dit. Great minds think alike, zal ik maar zeggen. En Otmars zonen is een heel ander boek. Zo anders dat ik al snel dacht: het maakt ook eigenlijk geen donder uit.’

Wat was de eerste zin die u opschreef?

‘Dat is de eerste zin van het boek, die in alle versies die ik heb geschreven ongeveer hetzelfde is gebleven. ‘Tijdens de wandeling van zijn huis aan de Zilverstraat naar het Oosterbolwerk, in de late lente van 1807, zag Albert bij de haven van de turfschepen in de verte de heer Camper lopen.’ Een volstrekt klassieke openingszin, met die specificering van tijd, plaats en naam. Hop, de kaarten liggen op tafel, laat het spel maar beginnen.

‘Ik heb trouwens ook weleens gehad dat ik de laatste zin van een roman al wist, nog voor ik een letter op papier had. De revue moest en zou eindigen met: ‘Want meisjes moeten gelukkig zijn.’ Dat idee heeft het hele boek gevormd, maar uiteindelijk is de laatste zin natuurlijk toch anders geworden. Waarmee eindigt De ziekte van Weimar ook alweer?’ ’t Hart pakt zijn boek op en leest. ‘O ja, jaaa… Goede zin, hoor.’

Thuis bij Kees ’t Hart in Den Haag. Beeld Els Zweerink

Hoelang heeft u over het boek gedaan?

‘Twee jaar. De eerste vier, vijf maanden heb ik obsessief zitten tikken. Elke dag duizend woorden. Ik werk niet met een schema, ik weet alleen grofweg de route van mijn verhaal, die ik intuïtief volg. Van Franeker naar Weimar, in dit geval. Onderweg neem ik allerlei verkeerde afslagen. Ik heb me wekenlang verdiept in de beroepen paardensmid en dansmeester. Pagina’s geschreven over de stad Delft en allerlei 18de-eeuwse rijtuigbedrijven – en dat er allemaal weer uitgegooid.

‘Mijn eerste versie had meer dan honderdduizend woorden en daaruit moest ik het échte verhaal destilleren; een veel minder wijdlopige tweede versie maken. Heel vroeger liep ik op dat punt nog weleens vast. Dan kon ik echt wanhopig zijn. Het typische writer’s-block-gejammer. Maar in de loop van de jaren heb ik er vertrouwen in gekregen dat het goed komt. Je moet als schrijver niet zeuren, maar doorgaan.’

Dus u hebt tijdens het schrijven nooit gedacht: ik stop ermee want het slaat nergens op?

‘Wel dat het nergens op slaat, zeker. Maar niet dat ik er dan maar mee moet stoppen. Geen sprake van. Het móét. Het moet, het moet, het moet.’

Waarom moet het?

‘Vroeger dacht ik: als je schrijver bent, val je op en kun je alle meisjes krijgen. Maar dat meisje heb ik nu. Waarom dan toch die rare ambitie… God, ja, ik kan gewoon niets anders. Het zal ook wel een reddingspoging zijn, van mezelf. Mezelf willen redden van schaamte, van ongemak, verlegenheid. Ergens bij horen, iets willen kunnen.’

Zoals Albert.

‘Er zit veel van mij in Albert. Ik lul ook met iedereen mee, net als hij. En ondertussen denken we allebei: het zal allemaal wel. We hebben ambitie, maar worden dwarsgezeten door de banale dingen des levens of door gebrek aan talent. Kijk, daar heb ik bijvoorbeeld een piano staan. Ik leer mezelf spelen. Want het liefst zou ik een groot pianist zijn. Optreden. Maar daar is geen sprake van. Ik heb totáál geen talent.’

Wel schrijftalent?

‘Niet echt. Ik ben een moeizame schrijver. Uiteindelijk komt er wel wat, zo’n boek als dit. Fraai geschreven, vind ik, al mag je dat niet over jezelf zeggen. Maar de eerste versie was echt verschrikkelijk slecht. Niet elke schrijver heeft dat. Sommigen schrijven het in één ruk goed. De echte talenten. Maar ik niet, hoor. Ik moet hard werken.’

Leest er iemand mee?

‘Mijn vrouw Euf is mijn eerste en beste lezer. Zij leest als een redacteur en is streng. ‘Dit heb je al tien keer gezegd, en dat veel te vaak uitgelegd, nu weten we het wel.’ Dat soort dingen. Soms vraag ik haar voorzichtig of ze het wel een beetje een mooi boek vindt, want dat zegt ze niet uit zichzelf.’

Vindt ze dit boek mooi?

‘Ze had het snel uit en zei dat dat een goed teken was.’

Over welke scène bent u zelf het meest tevreden?

‘Ooit hoorde ik over jonge Joodse kinderen die hun ouders in de oorlog waren kwijtgeraakt en hun eigen naam waren vergeten. Dat vond ik zo onthutsend. Je eigen naam vergeten, dan ben je écht alles kwijt. En ineens liet ik in dit verhaal een klein jongetje opduiken dat zijn naam vergeten is. Niemand ontfermt zich over dat kind, behalve Albert, die het jongetje koopt van een paar soldaten. Hij wil hem redden. In die scène druk ik zowel maatschappelijke onverschilligheid als betrokkenheid uit. Er zit veel emotie in die er niet letterlijk staat, daar houd ik van, van dat zwijgen over gevoelens, dat omfloerste.’

Omfloerst, is dat uw schrijfstijl?

‘Vraag me niet mijn eigen stijl te definiëren, want ik wíl niet weten hoe ik precies schrijf; dan kan het een maniertje worden en dat is het ergste wat je als schrijver kan gebeuren. Maar, ja, ik mik op een ietwat indirecte stijl die de lezer uitnodigt tussen de regels te lezen. De Engelse schrijver Robert Graves maakt in zijn boek The White Goddess uit 1949 onderscheid tussen twee literaire stijlen. Aan de ene kant de stijl van de koning: rechtlijnige verhalen over koningen die aantreden, aftreden, opgevolgd worden, enzovoorts. Maar er is ook de stijl van de witte godin, waarbij je je druïden moet voorstellen die bij elkaar zitten rond een kampvuur en fluisterend hun godin aanbidden. Dat is een pruttelende stijl, veel mysterieuzer dan de stijl van de koning.’

De koning is de kubus, de bol de godin?

‘Precies!’ ’t Hart legt zijn hand op het beeldje. ‘En ik zou graag bolvormig willen schrijven. Niet alles wat Graves schrijft, moet je serieus nemen, maar aan deze stijlmetafoor heb ik veel gehad.’

Hoe belangrijk zijn recensies voor u?

‘Niet. Ja, voor mijn ijdelheid, maar mijn ijdelheid is niet belangrijk. Een slechte recensie is wel vervelend, maar ik kan die makkelijk naast me neerleggen. Euf wordt wel kwaad. Mijn eerste boeken werden soms hard aangepakt. Terecht, denk ik achteraf, want er stond echt veel onzin in.’

Kunt u de recensies over dit boek al voorspellen?

‘Recensenten zullen wel naar voren brengen dat ik over dit onderwerp al een boekje heb geschreven, om te laten zien dat ze hun huiswerk goed hebben gedaan.’

Kunt u uw eigen werk bekijken als de criticus die u ook bent?

‘Als ze me zouden vragen om mijn eigen boek te recenseren, zou ik het doen. Dat lijkt me interessant. Ik zou alert zijn op pathetiek, want dat vind ik verschrikkelijk. Boeken die zwelgen in zelfmedelijden: kijk mij nou eens zielig en onderdrukt zijn, erg hè. Ga toch fietsen, denk ik dan. Soms schrijf ik zelf ook zo, hoor, maar de criticus in me roept dan: man, in godsnaam, haal dat eruit!’

Wat zou iedereen van Goethe moeten lezen?

‘Nou, Erlkönig natuurlijk, het oergedicht. En aan Wilhelm Meisters Lehrjahre kun je plezier beleven. Dat is spannend, zit vol avonturen, heerlijk. Die Leiden des jungen Werthers is bij vlagen briljant, maar staat ook vol met gedweep. Goethe zelf vond het op latere leeftijd een snertboek.’

En Faust?

‘Goethes grote werk. Ik moet je eerlijk bekennen: ik heb het niet uitgelezen. Ik wíl het heel graag lezen en ik heb het meerdere malen geprobeerd, maar telkens haak ik na een paar bladzijden af. Ik snap er gewoon niets van. Echt níéts. Terwijl ik heus wel tegen een moeilijk boek kan, hoor. Er blokkeert gewoon iets in mij zodra ik het opensla. Misschien is het jaloezie. Dat iemand zoiets groots heeft kunnen creëren, en weten dat ik zoiets nooit kan benaderen. Dáárom heb ik deze roman geschreven. Om iets terug te doen voor Goethe, hoe bescheiden ook.’

Kees ’t Hart Beeld Els Zweerink
Kees ’t Hart: De ziekte van Weimar

Kees ’t Hart: De ziekte van Weimar. Querido; 416 pagina’s; € 21,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden