RecensieRecht, onrecht en de vlam der gerechtigheid

Kees Schuyt beschrijft gehele levensloop, maar R.P. Cleveringa blijft toch de man van die ene rede ★★★★☆

Kees Schuyt beschrijft nauwgezet de levensloop van R.P. Cleveringa, de Leidse jurist die in 1940 de moed had te oreren tegen het ontslag van Joodse hoogleraren.

Beeld Max Kisman

De meest aansprekende helden zijn niet voor het heldendom voorbestemd. Dit geldt zeker voor Rudolph Pabus Cleveringa (1894-1980), decaan van de Leidse faculteit der rechtsgeleerdheid bij de aanvang van de Duitse bezetting. Hij ontleent zijn bekendheid aan één rede die naar zijn mening móést worden uitgesproken en waaraan op dat moment – 26 november 1940 – een grote behoefte bleek te bestaan: een publiekelijk protest tegen het ontslag van Joodse hoogleraren. Het was ‘de daad waarop heel Nederland had gewacht’, schreef het ondergrondse blad De Geus onder studenten enkele dagen later.

Er zijn dan ook straten, pleinen, lezingen en een leerstoel naar Cleveringa vernoemd. En nu is er de eerste biografie die diens ‘gehele levensloop’ beslaat, geschreven door socioloog, jurist en schrijver Kees Schuyt. Die lost zijn belofte van volledigheid met grote nauwgezetheid in. Hij portretteert een gedegen, dienstbare jurist wiens publicaties – veelal op het gebied van het zee- en handelsrecht – tot op de dag van heden relevant zijn. Een huiselijke romanticus die het kleine geluk koestert. Een gewetensvol man die onrecht slecht verdraagt. Maar zelfs Schuyt kan niet de indruk wegnemen dat eigenlijk alleen die ene rede een biografie van Cleveringa rechtvaardigt. Wat diens verdiensten verder ook geweest mogen zijn.

De rol die Cleveringa tijdens de Duitse bezetting zou spelen, kondigt zich tevoren niet aan. Aan zijn gezindheid ligt dat niet: in zijn dagboek geeft hij zonder enig voorbehoud uiting aan zijn afkeer van de ongenode gasten en hun Nederlandse meelopers. ‘Ik heb een gevoel of ik in razernij kan ontsteken en alles tegen de Duitsers kan doen; ik heb er mijn verstand voor nodig om niet de straat op te lopen en de eerste de beste op zijn gezicht te slaan’, noteert hij in september 1940. ‘Zij treiteren, honen, tergen en sarren ons van de vroege ochtend tot de late avond; al was het alleen al door hun aanwezigheid.’

Nee, Cleveringa behoort niet tot die vele Nederlanders die in de eerste maanden van de bezetting – tegen beter weten in – menen dat het allemaal wel meevalt. Tezelfdertijd meent hij dat het hem aan de moed ontbreekt om openlijk tegen de bezetters in te gaan. Want Cleveringa heeft ook de neiging om zich terug te trekken ‘in het kleine, eenvoudige, innige en stille geluk, thuis in de kleine kring van het gezin’ om aan de drukkende werkelijkheid van de Duitse bezetting te ontkomen. Als zijn Joodse leermeester Eduard Meijers in juni 1940 een aantal bevriende hoogleraren verzekert ‘dat hij altijd hun vriend zou blijven, ook als zij op een dag niet meer langs zouden durven komen’, protesteerde iedereen: dát zou nooit gebeuren. ‘Alleen Cleveringa reageerde anders’, herinnert een van de aanwezigen zich. ‘Hij wilde niet uitsluiten dat hij op een dag niet meer langs zou durven komen. Hij had tenslotte vrouw en drie kinderen.’

Toch is het Cleveringa die op 26 november 1940 de vlammende protestrede uitspreekt tegen de ‘ontheffing uit zijn functie’ van Meijers. ‘Ik moet ook klaarblijkelijk mijn kruis opnemen’, schrijft hij in zijn dagboek. ‘Ik hoop die kracht en de moed te hebben het met waardigheid te doen. Ik moet voor de kinderen zorgen, maar dit sluit in dat ik hen geen naam mag nalaten die bezoedeld is. Het moet zo.’ En zo geschiedde. Dat de rede van Cleveringa 75 jaar later door het radioprogramma OVT zou worden aangemerkt als ‘de belangrijkste openbare toespraak van de twintigste eeuw in Nederland’, hadden weinigen destijds kunnen vermoeden. Zeker niet de student die er tevoren haar teleurstelling over had uitgesproken ‘dat juist Cleveringa zal spreken’, omdat hij haar ‘zo’n saaie man’ leek.

Gijs Groenteman gaat in onze illustere archiefkast in gesprek met mensen die hem hebben verwonderd. Rapper Pepijn Lanen, schrijver Paulien Cornelisse en kunsthandelaar Jan Six passeerden al de revue.

Kees Schuyt: R.P. Cleveringa. Recht, onrecht en de vlam der gerechtigheid.

Uitgeverij Boom; 558 pagina’s; € 29,90.

Die verwachting was zeker gegrond. Cleveringa stond niet bekend als een begenadigd spreker. En zijn rede – waarvan sommige delen volgens Kees Schuyt ‘gewoon taai en opsommerig’ waren – was met die reputatie niet eens in strijd. Niettemin maakte hij grote indruk op zijn toehoorders. Alleen al vanwege het feit dat hij sprak op de plek, het Groot-Auditorium van de Leidse universiteit, en het tijdstip waarop Meijers had zullen spreken. Met ingehouden woede gaf hij uiting aan zijn gevoelens ‘die als kokende lava dreigen te barsten door alle spleten, waarvan ik bij momenten de indruk heb dat zij zich onder de aandrang ervan, in mijn hoofd en hart zouden kunnen openen’. Maar bovenal veroordeelde hij als jurist de handelwijze van de bezetter, die volgens artikel 43 van het Landoorlogsreglement ‘is gehouden de landswetten te eerbiedigen’.

De rede had verstrekkende gevolgen. Voor de Leidse universiteit, die na een proteststaking van de studenten werd gesloten, en voor Cleveringa zelf. Daags na zijn rede werd hij, zoals hij zelf al had voorzien, gearresteerd en overgebracht naar het Oranjehotel – de geuzennaam van de Scheveningse strafgevangenis. Daar voegde hij zich naar zijn lot en probeerde hij zichzelf zoveel mogelijk voor decorumverlies te behoeden. ‘Zich zelf op te houden, is in de gevangenis de grote kunst’, schreef hij naderhand. ‘En een van de middelen die daartoe kunnen strekken, is dat men zich zelf zo goed mogelijk blijft verzorgen en zijn burgermanieren aanhoudt. (…) Wie anders doet, laat zich zinken.’

‘Burgermanieren’: daarmee kon iemand zich onder de uitzonderlijke omstandigheden van een oorlog van zijn omgeving onderscheiden. Maar na 1945 gaven ze uitdrukking aan de moraal van een braaf land in vrede. In de biografie van Cleveringa heeft de lezer dan nog 170 dichtbedrukte pagina’s te gaan die in het teken staan van plicht, arbeid, fatsoen en toewijding aan het gezin. Deugden onder alle omstandigheden – zonder meer. Maar in oorlogstijd spreken ze toch beduidend meer tot de verbeelding dan tijdens de lange vrede die daarop volgde.

Gijs Groenteman gaat in onze illustere archiefkast in gesprek met mensen die hem hebben verwonderd. Rapper Pepijn Lanen, schrijver Paulien Cornelisse en kunsthandelaar Jan Six passeerden al de revue.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden