Kees de Jongen in familieversie

Veertig jaar na de geruchtmakende opvoering door Toneelgroep Centrum van Thijssens boek, is er een nieuwe versie voor jong en oud, met muziek....

HAARLEM ‘Ik zal dat geluid nooit vergeten. Toen de vader van Kees Bakels op toneel doodging, hoorde je talloze damestasjes knippen in de zaal. Heel stilletjes werden neuzen gesnoten. Zo ontroerend.’ Toneelschrijver Gerben Hellinga (1937) waagde zich veertig jaar geleden, in 1970, aan een toneelbewerking van het beroemde boek van Theo Thijssen, Kees de Jongen (1928), over een hulpvaardige zoon van een Amsterdamse middenstander die lijdt aan tbc en daardoor zijn schoenenwinkel failliet ziet gaan.

Hellinga had na het verzoek voor een bewerking de telefoon maar net neergelegd of in een flits wist hij de sleutel. ‘Ik heb de twaalfjarige Kees, die in zijn hoofd een leuker leven erbij fantaseert, opgedeeld in twee karakters, vertolkt door twee acteurs: Kees de realist en Kees de dromer. Zo’n dubbelrol was nieuw in het Nederlands toneel.’ Wim van der Grijn (Kees 1) en Hans Dagelet (Kees 2) schreven theatergeschiedenis met hun symbiotische alter ego’s. De voorstelling van Toneelgroep Centrum, door Peter Oosthoek in een kaal decor geregisseerd, werd een succes.

Vandaag gaat op dezelfde plek als toen, de Haarlemse Schouwburg, een nieuwe regie van Kees de Jongen in première. Liesbeth Colthof (1954) brengt het stuk met De Toneelmakerij als familievoorstelling. Colthof: ‘Net als volwassenen herkennen kinderen de manier waarop Kees in zijn verbeelding aan de werkelijkheid een laag toevoegt. Wie dagdroomt niet over gebeurtenissen waarin je bijzonder bent, het je wél lukt verkering te krijgen, dat boek te schrijven, die wedstrijd te winnen?’

Maar is deze Kees Bakels, uit begin twintigste eeuw, met zijn wil om eerlijk en fatsoenlijk te zijn en na vaders dood zijn moeder met alles te helpen, niet te braaf voor een modern toneelpersonage, ondanks zijn fantasievolle alter ego?

Colthof: ‘Dat kinderen zich verantwoordelijk voelen voor het geluk van hun ouders is van alle tijden. Ook al zijn ze mondiger geworden, zonen en dochters – zeker de oudsten uit een gezin – willen nog steeds de zorgen van hun vader en moeder overnemen.’ Hellinga: ‘De kinderziel verandert niet. En vergis je niet, ook nu is er verborgen armoede, net als toen, bijvoorbeeld bij zelfstandigen die zwaar door de crisis worden getroffen.’

Tijdens de doorloop in Haarlem zie je de acteurs stoeien met het rustige, bijna weemoedige ritme van de voorstelling. ‘Gisteren speelden ze te snel’, zegt Colthof. ‘Dan wordt het onzuiver. Vandaag moeten ze van mij het tegenovergestelde doen: extreem rustig spelen zodat alle overgangen precies gaan. En dat de melancholie een diepe intensiteit krijgt.’

Het decor van Amsterdamse bruggetjes, de vooroorlogse kostumering van kniebroeken, buisjes (jassen), spencers, petten en mantels, en Thijssens taal (‘slecht van betalen’, ‘hoffelijk ontslag’ en ‘betrekkingen’) maken deze Kees de Jongen bijna tot een anachronisme. Geen stoere sneakers, mobieltjes of kauwgum; de schoolkinderen dragen keurig hun tas op de rug.

Colthof: ‘Thijssen heeft zo liefdevol over het kind geschreven, dat wil ik niet relativeren. Ik wil de kracht van het mijmeren zijn werk laten doen. Het is toch een prachtige kwaliteit van de mens om de realiteit te overwinnen door er van binnen een andere realiteit tegenover te zetten?’

Colthof heeft wel zinnen geschrapt, niet veranderd, op voorschrift van Hellinga. Ze vroeg de componisten Theo Nijland en Maarten van Roosendaal een paar melancholieke liederen te schrijven, om de weemoed gevoelsmatig te accentueren. ‘Thijssen heeft het over onbegrepen weemoed, en die moet vooral niet begrepen worden, maar wel gevoeld.’

Zoals altijd bij Kees de Jongen hebben de acteurs geoefend op de beroemde zwembadpas. Chiem Vreeken (de uiterlijke Kees) en Steyn de Leeuwe (de innerlijke Kees) hebben inmiddels door hoe het moet: bijna vallen, armen links zwaaien als rechterbeen naar voren gaat en andersom. Zo stuiven ze onder en over de bruggetjes.

Hellinga herinnert zich dat hij in 1970 moest opboksen tegen een grote schare aan Thijssen-kenners. ‘Die kwamen sceptisch de zaal in. Maar na een half uur voelde je de zaal ontspannen. Toen gingen ze om. Liesbeth zal daar minder last van hebben. Zo veel Thijssen-fans zijn er helaas niet meer.’

Colthof: ‘Maar ik zit weer met een ander front: mensen die de oeropvoering van Toneelgroep Centrum hebben gezien en sceptisch naar die van mij komen kijken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden