Kapitaalkrachtige toerist op niveau naar het plein

Amsterdam wil een plein als vijfde culturele instelling. Maar ook de economie is gebaat bij een Museumplein op de schop.

Rutger Pontzen

De uitgangspunten zijn helder geformuleerd. Het Museumplein in Amsterdam moet binnen de komende jaren de ‘vijfde culturele instelling’ van de stad worden, naast het Rijksmuseum, Van Gogh Museum, Stedelijk Museum en het Concertgebouw.

Om in die functie te kunnen voorzien wil de gemeente Amsterdam het plein renoveren. Eerst met een kleine goedkope opknapbeurt; op termijn met een grotere renovatie. Zo staat te lezen in het rapport Visie Museumkwartier dat wethouder Maarten van Poelgeest van Ruimtelijke Ordening eergisteren presenteerde.

Maar getuige de nieuwe plannen kan je je afvragen wat voor soort visie hier wordt gelanceerd: cultureel, toeristisch, pragmatisch of economisch?

Concrete aanleiding voor het schrijven zijn de toekomstplannen van de cultuurinstellingen die aan het plein liggen. Het Stedelijk en het Rijks breiden uit en verleggen hun ingangen naar het plein; het Concertgebouw en Van Gogh Museum overwegen dat laatste ook te doen. Vergroting van tentoonstellingscapaciteit en ontsluiting naar het plein zal, zo wordt beoogd, een groter publiek te trekken.

Om die verwachte toename van het aantal bezoekers (gemikt wordt op vijf miljoen per jaar, anderhalf miljoen meer dan nu) efficiënter en aantrekkelijker naar deze musea te loodsen moet het Museumplein op de schop. Logistiek voldoet het huidige Museumplein, zoals in 1999 nog door de Deense landschapsarchitect Sven-Ingvar Andersson werd afgeleverd, niet meer. Nu heeft het plein van de ‘Deense tuinkabouter’ nooit voldaan: een combinatie van drassig gras, bloemenperkjes, minuscule bankjes en dode bomen: ’s avonds te donker, overdag te rommelig, ruimtelijk gezien te kneuterig.

Toch wil de gemeente vasthouden aan het Deense plan, met enkele aanpassingen: een deel van het grasveld wordt bestraat, de verbindingen met de omliggende buurten toegankelijker gemaakt en het verblijf op het plein zelf veraangenaamd, middels een betere verlichting, tijdlozer straatmeubilair en de grote nadruk op meer grand cafés, terrassen en restaurants. Want men richt zich op de chiquere en kapitaalkrachtige toerist die op niveau naar het plein moet worden verleid.

Nadrukkelijk stelt wethouder Van Poelgeest dat het plein vrij moet zijn van commerciële activiteiten. Geen uithangborden zoals op het Damrak, alsjeblieft. Feit is dat met de komst, in 1999, van de Albert Heijn onder het ‘ezelsoor’ die commercie al aanwezig is. En meer toeloop vanuit de P.C. Hooftstraat en de Albert Cuypmarkt, en meer horeca, ook nadat de musea zijn gesloten, suggereren niet dat daarmee de aanloop enkel op cultuur is gericht.

In hoeverre strookt dat nog met de nieuwe ‘visie’ en de opzet van het plein als ‘vijfde culturele instelling’? Zeker, voetbalsupporters die een Europacupfeestje of oranjegezinden die Koninginnedag willen vieren, worden geweerd. Maar de combinatie muziek, kunst en meer publiek (doorberekend tot een jaarlijkse meeropbrengst voor Nederland van 200 miljoen euro) wijst er op dat vooral de economie bij de aankomende renovatie is gebaat, niet het culturele doel waarmee het wordt verkocht.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden