Kansen in een barre tijd

Futuristische blikvangers ontbreken bijna geheel, net als het oprukkende traditionalisme. Het nieuwe jaarboek Architectuur in Nederland is daarmee niet representatief voor de bouwkunst van nu....

Eerst het goede nieuws: er is het afgelopen jaar in Nederland een aantal wonderschone, tintelfrisse, blij makende gebouwen bij gekomen. Een van de allermooiste staat in Rotterdam. In de treurige Boomgaardsstraat, op een kale strook naast een parkeergarage, hebben de jonge architecten van Kühne & Co hun eigen, langgerekte ‘zwevende’ kantoor gemaakt. Bovenaan een woning met een dakterras, voor Joost Kühne zelf. Het geheel met robuuste vormen die goed passen in de Maasstad, en met een interieur dat volop prachtige werkruimten telt. Een rotte plek in Rotterdam is zo weer kerngezond geworden.

Mooi is ook, van heel andere orde, het kleine paviljoen dat architect Paul van den Heuvel voor zichzelf bouwde naast zijn zwembad in de Bredase bossen. Dit sierlijke kleinood biedt hier nu een verstilde plek, een ‘ode aan architectuur’.

En ook een omvangrijk project als revalidatiecentrum Groot Klimmendaal in Hilversum, van architect Koen van Velsen, combineert haast alle weldadige eigenschappen die je je bij zo’n gebouw maar kunt wensen: bescheiden inpassing in zijn omgeving, goed inspelend op wat de mensen hier nodig hebben, fenomenale ruimtes en een prachtig materiaalgebruik.

Dergelijke projecten zouden je bijna doen vergeten dat de architectuur in Nederland er op dit moment belabberd voor staat. De redactie van het jaarboek erkent dit, met de wrange constatering: het schip zinkt, het orkest speelt door. De cijfers zijn dramatisch. In het jaar 2009 daalde het aantal nieuwe ontwerpopdrachten met 80 procent ten opzichte van een jaar eerder. In de bouw gingen alles bij elkaar zo’n vijfduizend arbeidsplaatsen verloren. Het totaal aan opdrachten voor architecten nam af met ruim de helft. Daar staat tegenover, als enige positieve nieuws, dat het aantal opdrachten in het buitenland nog wel een beetje is gegroeid.

Dat architectenbureaus hun productie vaak ongeveer tot stilstand zagen komen, bracht de redactie van het jongste jaarboek in een merkwaardige positie. In de 24 jaar dat het jaarboek nu bestaat, was er altijd wel, constateert redacteur Anne Luijten, een discrepantie tussen de lofzang op toparchitectuur die dit boek nu eenmaal kenmerkt, en ‘de verfoeilijke wereld () die wordt geregeerd door een falende overheid, een onverbiddelijke marktwerking en platte commercialisering’. Maar nooit was dat schrijnender dan nu, nu de gevolgen van het rampjaar 2009 langzaamaan steeds duidelijker zichtbaar zijn.

Dat maakte de keuze extra lastig. Meer dan ooit was de redactie zich bewust dat het jaarboek, naast observator, is uitgegroeid tot een invloedrijke speler in het beroepsveld. Architecten wier scheppingen een mooi plekje op de glossy pagina’s krijgen, hebben bij opdrachtgevers meteen een streepje voor. Ook eerdere redacties beseften dat, maar dat leidde toen tot andere strategieën. Voor de allereerste redacties (vanaf 1993) was deze verantwoordelijkheid een reden om zich streng aan ethische criteria te houden. Het jaarboek was toen nog een ‘uitvoerend instrument’ van regeringsbeleid dat de architectuur op een hoger plan wou brengen.

Luijten memoreert: ‘Alleen architecten die weerstand konden bieden aan politieke en commerciële opdrachtgevers die het medium architectuur inzetten ter meerdere glorie van hun eigen boodschap’ verdienden in die begintijd een plaatsje in het jaarboek. Zij dienden bovendien ‘uit eigen overtuiging te ontwerpen’ en ‘voorbeeldig te kunnen worden genoemd’.

Rond 2000 werd het jaarboek geprivatiseerd en veranderde grondig van karakter. De selectie van projecten werd nu gebaseerd op waargenomen trends, die dan ook allemaal met hun beste uitingen vertegenwoordigd moesten worden. Al konden ook toen de redacties het niet laten om in begeleidende essays soms zeer afkeurend te zijn over bouwwerken die hen niet bevielen – zelfs als die elders in zo’n zelfde jaarboek stralend werden getoond.

De huidige redactie bevindt zich duidelijk in een andere situatie. Ze trad aan in 2008, dus aan de vooravond van de crisis. Het jongste jaarboek 2009/10 is het tweede dat ze maakt. Het belangrijkste doel lijkt nu: het vakgebied een hart onder de riem te steken. En dan voornamelijk door te laten zien dat er ook in deze barre tijd nog kansen zijn.

De toon is pragmatisch, theorievorming is vermeden. De redactie, twee schrijvers en twee architecten, koos voornamelijk op eigen smaak. Natuurlijk speelden harde criteria mee, zoals: aansluiting bij de omgeving, materiaalgebruik, detaillering en de ruimtelijke compositie. Maar dergelijke ‘objectieve’ maatstaven werden al bij hun vorige jaarboek gerelativeerd: ‘Want hoe beschrijf je dat je in de eerste paar seconden van een gebouwbezoek direct overweldigd wordt door een ruimte, door een ogenschijnlijk onbelangrijk detail of een bijzondere atmosfeer?’

Het resultaat is een grote voorkeur voor kleinschalige projecten. Deze spreken tot de verbeelding doordat ze inventief, zorgvuldig of bijzonder eigenwijs zijn gemaakt. Vaak hadden architecten een uitzonderlijk hechte band met een opdrachtgever. Liefst zes particuliere woonhuizen zijn geselecteerd, een vijfde van het totaal. Exemplarisch is de boerderij in Goingarijp die door Jelle de Jong werd verbouwd en waarbij het oude silhouet, zelfs het bestaande exterieur, vrijwel helemaal intact werd gehouden. Maar binnen is een nieuwe wereld ontstaan, waar muren van hout en steen worden doorsneden door de knoertoude gebinten. De ruimten die dat oplevert, zijn ronduit spectaculair.

Extravagantie is trouwens niet geschuwd, zoals blijkt uit het diamantvormige, leliewitte woonhuis dat architect Dan Murphy van VMX voor zichzelf en zijn gezin in het open polderland liet bouwen. En ook historiserende vormen worden soms bewonderd – ten minste als hiermee verrassend is omgegaan. Nergens mooier dan bij het houten huis in de Utrechtse vinexwijk Leidsche Rijn waar architect Rocha Tombal het voorgeschreven zadeldak als aanleiding gebruikte voor een monolitisch, houten bouwwerk met de oervorm van een huis, waarin ramen als bollende ogen naar de buitenwereld reiken.

Van moralisme is geen sprake meer, en evenmin van een selectie aan de hand van trends of stijlkenmerken. Architect Kees van der Hoeven wijdt weliswaar een essay aan ‘stijl’, maar alleen om nu eens voorgoed een eind te maken aan de vermeende vete tussen modernisme en traditioneel. Met verwijzingen naar bijvoorbeeld de vermaarde kunsthistoricus Charles Jencks die in de jaren tachtig de architectuur in wel honderden categorieën verdeelde, laat Van der Hoeven zien dat geen enkele indeling de rijk geschakeerde werkelijkheid recht doet. En dat in alle stromingen zowel bekwame, consciëntieuze topontwerpers als gemakzuchtige meelopers werkzaam zijn.

Dit alles geeft het jaarboek iets aangenaam persoonlijks. Niet overal – want er zijn ook compromissen gemaakt. De nieuwste Erick van Egeraat aan de Amsterdamse Zuidas is precies zo’n iconische, op effectbejag gerichte toren waarvan deze redactie zegt dat het maar goed is als er een einde aan komt. Maar ja, deze grote naam hoort wel in zo’n jaarboek, dus staat hij er ook in. Hetzelfde geldt voor prestigieuze projecten waar niemand omheen kan, omdat ze zoveel stof deden opwaaien. Neem de bultige uitbreiding van de Amsterdamse stadsschouwburg, een creatie van de bureaus Jonkman en Klinkhamer. Deze is wel indrukwekkend en massief, maar verre van ontroerend. Of de Hermitage – het door Hans van Heeswijk verbouwde 17e-eeuwse oudenvandagenhuis de Amstelhof in Amsterdam. Een architectonisch wereldwonder is dit zeker niet maar het was wel een enorme prestatie om dit project in de geplande tijd, binnen budget en zonder overheidsfinanciering gerealiseerd te krijgen – dit in grote tegenstelling tot de slepende verbouwingen van het Amsterdamse Stedelijk Museum en het Rijksmuseum die inmiddels nationale schandvlekken zijn.

Het meest hoopgevend zijn noch die piepkleine projecten, noch de musts, maar de wat grotere, en niettemin bescheiden projecten. Hun impact is nu eenmaal groter dan particuliere woningbouw, en juist zij laten – in deze context – goed zien dat beperking van middelen en ambities kan leiden tot nieuw elan. Overtuigend voorbeeld is de Universiteitsbibliotheek die in hartje Utrecht een nieuw onderkomen kreeg in een voormalig werkpaleis van Lodewijk Napoleon; bureaus Grosveld van der Velde en DHV maakten hier met sobere, ingetogen ingrepen iets prachtigs van.

Inspirerend is ook hoe NL architects in het nieuw ontwikkelde Amsterdamse wijk De Funen laat zien hoe je riante woningen kunt maken, bij uiterst compact gebruik van de peperdure stadsgrond. Dit bureau bedacht een slimme variant op patiowoningen die ruggelings zijn samengevoegd tot een spannend, plastisch geheel, gekroond met een grasdak en doorsneden door stegen.

Maar vooral één groot project in het jaarboek toont dat crises ook hun zegeningen kunnen hebben. Dit is de nieuwe huisvestiging van de faculteit bouwkunde in Delft. Toen in februari 2009 een felle brand dit instituut volledig in de as legde, leek dat aanvankelijk een niet te overziene ramp, die inmiddels echter in zijn tegendeel verkeerde.

En dan vooral doordat, bij een krap budget, met beperkte mogelijkheden gewerkt moest worden. Onder grote tijdsdruk heeft een gelegenheidscombinatie van vijf bureaus, onder de naam BK City Five, het afgedankte scheikundelaboratorium omgetoverd in een wervelend onderwijsgebouw. Dit bevat werkelijk alles wat de docenten en studenten nodig hebben, van maquette-atelier, collegezalen en studieruimten, tot bibliotheek en restaurant.

Deze nieuwe huisvesting van ‘bouwkunde’ staat in meerdere opzichten voor wat een crisis teweeg kan brengen. In het oude gebouw was de faculteit, zoals dat heet: ‘verticaal georganiseerd’: in een toren van vele verdiepingen. Dat klopte bij die ‘paradijselijke tijd’ zoals de redactie de voorbije economische bloeiperiode noemt. Aankomende architecten werden toen inderdaad voorbereid op een toekomst als helden, met hoge ambities en een weidse blik op een wereld vol prestigieuze opgaven. Dat beeld moet nu worden bijgesteld.

Voorlopig zullen, aldus de redactie van het jaarboek, architecten zich in een ‘kleine hel bevinden’ bevinden waar ‘contracten kortlopend zijn, de toekomst onzeker en de stress onverminderd groot’. Dat houdt in dat architecten de waarde van hun vakmanschap weer vanaf de grond aan moeten bewijzen, ofwel – in de woorden van de samenstellers van het jaarboek – zich ‘moeten herbevestigen als initiatiefrijk ontwerper die antwoorden formuleert op vragen die in de samenleving worden gesteld’. Niets past daar beter bij dan zoals de hernieuwde Delftse faculteit nu functioneert: als één basale, horizontaal gelede, kleine stad waarin volop onderzoekend, communicerend, samen wordt geprobeerd er toch iets van te maken. De lovende bespreking van juist dit project klinkt als een warm pleidooi om, hoe dan ook, welgemoed met de overgebleven riemen voort te roeien. Want nutteloos is de crisis niet – dat is de boodschap die, uiteindelijk, het sterkst uit dit hele jaarboek beklijft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden