InterviewMaria Sødahl

‘Kankerfilms’ interesseren regisseur Maria Sødahl niets. ‘Niet voordat ik kanker kreeg, niet daarna’

In Hope wordt de hoofdpersoon getroffen door kanker en alle emotionele turbulentie die daarbij komt kijken, net zoals regisseur Maria Sødahl zelf is overkomen. Ze verwerkte die ervaring in een film die, meer dan over kanker, over een uitgebluste liefde gaat. 

Filmregisseur Maria Sødahl.Beeld Claudio Bresciani/Hollandse Hoogte

Ze zou nog maar een paar maanden leven. De Noorse regisseur Maria Sødahl (54) kreeg een paar jaar geleden te horen dat ze kanker had, ongeneeslijk. Dat het tijd was voor afscheid. Niets aan te doen.

Er bleek onverwacht tóch iets aan te doen, en nu zit ze hier, tijdens het filmfestival van Berlijn, om te praten over de film die ze baseerde op haar eigen ervaringen. In Hope krijgt de 43-jarige choreografe Anja  – net als Sødahl destijds – vlak voor Kerst te horen dat ze een terminale hersentumor heeft. Hope volgt haar, in de week tussen Kerst en Nieuwjaar, terwijl ze in een soort emotionele snelkookpan is beland. Ze moet niet alleen die diagnose zien te accepteren, maar ze moet het ook gaan vertellen aan haar tienerkinderen. Terwijl ze geplaagd wordt door angsten en twijfels, is ze flink opgefokt van de steroïden die ze plots moet nemen. Bovendien: wat moet ze nou met haar uitgebluste huwelijk met de twintig jaar oudere Tomas? Hope wordt hoe langer hoe meer een volwassen liefdesdrama over een koppel dat elkaar probeert terug te vinden terwijl de tijd onverbiddelijk doortikt.

Sødahl lacht veel in Berlijn – ze zegt dingen als ‘nou ja, toen werd de dood dus afgelast’, met een opgetrokken wenkbrauw. Ze is wars van sentiment, vertelt ze. En om heel eerlijk te zijn: kankerfilms interesseren haar ook helemaal niets. ‘Niet voordat ik kanker kreeg, en niet daarna. Maar toen ik me drie jaar na de diagnose realiseerde dat ik waarschijnlijk níét dood zou gaan, kwam ik in een soort rouwproces terecht, waarin ik me erbij moest neerleggen dat mijn leven toch ook niet meer zou worden zoals het was, met de kansen die ik toen had. Ik was ooit begonnen aan een script over een koppel met een groot leeftijdsverschil en hun samengestelde gezin. Maar ik vond dat niet zo interessant meer. Ik realiseerde me dat ik niet om mijn ziekte heen kon, ik was er zo mee bezig. En toen, plotseling, gingen die twee verhalen in elkaar overlopen.’

Beeld uit ‘Hope’.

U begint de film met de mededeling dat dit uw kant van het verhaal is. Waarom vond u dat belangrijk?

‘Dat heeft met ethiek te maken. Het is geen objectief liefdesverhaal waarin ik beide kanten wilde laten zien. Ik heb ervoor gekozen om míjn beeld van deze relatie te tonen. Tegelijkertijd sleur ik mijn echtgenoot hier in mee, en mijn kinderen. Ze maken er allemaal deel van uit en hebben er geen controle over. Heel oneerlijk eigenlijk.’

Hoe reageerden zij überhaupt toen u ze vertelde dat je misschien wel de moeilijkste week uit hun leven wilde verfilmen?

‘Toen ik me realiseerde dat dit het enige verhaal was waar ik me op dat moment mee bezig kon houden, heb ik wel een soort van toestemming gevraagd. Ik geloof niet dat mijn echtgenoot (regisseur Hans Petter Moland, FS) vond dat hij nee kon zeggen. Normaal gesproken zijn we tijdens het maakproces partners in crime: we lezen elkaars scripts, kijken mee tijdens de montage. Nu heeft hij wel meegelezen, maar hij had weinig in te brengen omdat het echt vanuit Anja’s perspectief wordt verteld.

‘De kinderen heb ik een voor een geïnterviewd. ‘Ik ga je niet portretteren’, zei ik, ‘maar hoe herinner je je mij? En hoe herinner je mij in die bepaalde situatie?’ Van hun opmerkingen heb ik gebruikt wat ik kon gebruiken. Dochter Julie heeft in de film een monoloog die ik vrij letterlijk van een van hen heb overgenomen.’

Hoe is het dan om op een set te staan, die periode verbeeld te zien worden en gesprekken letterlijk weer terug te horen?

‘Ho, ho, ik ben een schrijver hè? Serieus – de waarheid vind ik niet interessant, alleen de emotie die eronder ligt. Los van die monoloog is het gefictionaliseerd.

‘In zekere zin is dit wat iedere kunstenaar doet: dingen uit je leven plukken en daar een draai aan geven. Mijn man en ik hebben ook zes kinderen, waarvan drie samen, maar het leeftijdsverschil tussen Anja en Tomas is groter; ze hebben ook allebei een creatief beroep, maar ze doen niet hetzelfde als wij. Andrea Bræin Hovig heb ik gecast omdat ze hard kon zijn, en zacht, en grappig, maar ook omdat ze fysiek juist niet op me lijkt.  Had ik precies willen filmen hoe het was, dan was het een vreselijke film geworden. Dan wordt al het leven eruit geknepen. En ik wilde er juist leven ín brengen.’

Maria Sødahl op de set van ‘Hope’.

Wat Hope zo geloofwaardig maakt, is de manier waarop Anja reageert. Ze kan op onverwachte momenten emotioneel zijn. Bij de diagnose reageert ze onderkoeld, terwijl veel personages in kankerfilms dan hysterisch gaan huilen.

‘Kijk, ik vind natuurlijk niet dat mensen kanker moeten krijgen, maar voor het maken van deze film was het een cadeau. De emoties die je overspoelen volgen een heel eigen logica, die naar buiten toe irrationeel lijkt, maar dat niet is. Als ik het zelf niet had meegemaakt, was ik vooral over de emotionele uitbarstingen onzekerder geweest.’

Hoe was het om de film met uw familie te zien?

‘Daar wil ik het niet over hebben. Dat is hun ervaring, het is niet aan mij om daarover te vertellen.’

Hoe gaat het nu met u?

‘Ik ben sneller moe, al merkte ik dat filmen me adrenaline geeft. Eigenlijk was ik daar het meest blij mee: dat ik de drive nog kon opbrengen om iets te maken, want dat heb je nodig op een filmset. Ze zeggen dat elke film je vier jaar van je leven kost. En een ziekte tien jaar. Dat maakt mij – even rekenen – zeventig inmiddels.’

Bent u door uw ziekte andere professionele keuzen gaan maken?

‘Nee, dat is het interessante. Ik doe dat wel, maar dat heeft meer met leeftijd te maken. Het leven is kort, dus ik vraag me bij elk project af: is dit iets wat me drie jaar lang kan interesseren? Ik wil bijvoorbeeld geen televisieseries maken, puur voor het geld.’

Als je denkt dat je zult sterven, dwingt dat tot reflectie. Wat gebeurt er met al die inzichten als je daarna tóch niet dood blijkt te gaan?

‘Je kunt niet 24 uur per dag dankbaar zijn dat je nog leeft. Nee, alles wordt weer min of meer normaal. Je loopt weer tegen dezelfde dilemma’s aan. Ik ben kwetsbaarder, maar verder ben ik eigenlijk hetzelfde. Je verandert niet. Ik ga niet vaker op vakantie. Ik ben geen beter mens geworden.’

Maria Sødahl (54) debuteerde negen jaar geleden met haar film Limbo (2010), na een aantal korte films te hebben gemaakt. Door haar ziekte kwam haar carrière daarna stil te liggen. Hope ging in wereldpremière tijdens het filmfestival in Toronto, en werd ook vertoond tijdens de Berlinale, het filmfestival van Berlijn. De film werd genomineerd voor acht Amanda’s (de Noorse equivalent van de Gouden Kalveren), Andrea Bræin Hovig won de Amanda voor beste actrice.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden