Kaaskoppen in oorlog

Mét koningin Wilhelmina schaarde de hele Nederlandse bevolking zich honderd jaar geleden tijdens de Boerenoorlog achter de 'geliefde stamverwanten'. Tot concrete steun aan de Afrikaners leidde dat overigens niet....

Er is geen levend wezen te zien op de heuvelkrans boven station Elandslaagte in het lome binnenland van Natal, op deze gedenkwaardige namiddag van 21 oktober 1999. In de verte, tussen de grijze kameeldoornbosjes, loeit slechts een eenzame koe. En er zijn mieren, duizenden, miljoenen grote zwarte mieren. Ze krioelen tussen de bruine zandsteen, klimmen tegen je benen op en kunnen gemeen bijten. Ze moeten een hel zijn geweest voor de gewonden die de hele nacht in de druilerige regen aan hun lot werden overgelaten, na de slag van Elandslaagte, vandaag precies honderd jaar geleden.

Boven op de heuvel staat alleen nog een stomp gedenkteken. 'Ter herinnering aan de op 21 october 1899 gevallen Nederlanders.' Ondertekend met: 'Uw Strijdmakkers'. Negen namen, de officieren dr H.J. Coster en C.G. de Jonge eerst, de zeven manschappen eronder: P.J. van den Broek, H. van Cittert, Lepeltak Kieft, J. Moora, J.Th. Rummeling, M. Schaink, F.W. Wagner. Arme kerels.

De slag om het station Elandslaagte was het eerste wapenfeit van het 'Hollanderkorps'. Deze bescheiden vrijwilligerseenheid van Neder landers, 130 man sterk, was met de voorhoede van het boerenleger van generaal Piet Joubert aan het begin van de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902) het Britse Natal binnengetrokken. Ze sneden de spoorweg bij Elandslaagte een paar dagen af, maakten een Engelse trein met voedsel en sterke drank buit en werden vervolgens in de pan gehakt.

'Ach, er stroomde edel bloed', schreef Louwrens Pen ning, de volksschrijver wiens stroom van patriottische boeken het Nederlandse publiek rond de vorige eeuwwisseling een romantisch beeld van de boerenstrijd voorspiegelde. 'Achter de klippen wegduikend, lagen de Holland sche vrijwilligers, met grimmige hardnekkigheid tot het laatst standhoudend.'

De werkelijkheid was pijnlijker. Geruchten dat drankmisbruik de vechtlust danig had aangetast zijn nooit bevestigd, maar feit is dat de slag bij Elandslaagte het einde betekende van de kersverse Hollandse eenheid. Negen man vonden de dood, 46 werden gevangen genomen, onder wie 10 gewonden. Elandslaagte was de eerste grote nederlaag van de boeren en de Hollanders die nog wisten te ontsnappen werden later ingedeeld bij andere eenheden.

Het was een roemloos einde voor het vrijwilligerskorps, dat pas een maand eerder in Pretoria was opgericht. De eenheid was het meest militante bewijs van een sterke Nederlandse sympathie voor de boerenzaak. In de jaren voor de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902) waren duizenden Nederlanders naar Zuid-Afrika getrokken. De eerste, succesvolle, vrijheidsoorlog die de boeren twintig jaar eerder tegen het Britse rijk hadden gevoerd, speelde daarbij een rol: Nederland herontdekte opeens een vergeten groep 'taal- en stamverwanten' die eeuwen eerder namens de Verenig de Oostindische Compagnie op de zuidpunt van Afrika een ver vers ings post was begonnen.

Er kwam een nieuwe emigratiestroom op gang, die sterk werd gestimuleerd door het feit dat de jonge boerennatie om geschoold kader zat te springen. Boerenpresident Burgers had Nederland in 1875 al bezocht en toen zijn opvolger Kruger, zelf afstammeling van een Duitse voc-matroos, in 1884 opnieuw Europa aandeed om steun te zoeken voor zijn fragiele Zuid-Afrikaansche Republiek, vond hij ruim gehoor in de Hollandse polder.

Het waren vooral ambtenaren, spoorwegtechnici en onderwijzers die naar Zuid-Afrika gingen om vitale posten in de Transvaal te bezetten. 'Krugerse Hollanders' werden ze genoemd en ze waren niet overal even geliefd. Vooral de betweterigheid van de nieuwkomers van overzee viel bij het boerenvolk vaak niet goed, en 'Hollanderhaat' stak regelmatig de kop op.

Toch slaagden de 'Kaaskoppe' er in een fors stempel op de boerenrepubliek te drukken. De prominentste Nederlander in boerendienst was Willem Leyds. Kruger wierf hem tijdens zijn bezoek aan Nederland, toen de 25-jarige jurist net cum laude was afgestudeerd aan de Vrije Univer siteit van Amsterdam.

Leyds, in Pretoria aangesteld als staatsaanklager, werd al snel de voornaamste vertrouweling van de boerenleider. In 1888 maakte Kruger hem secretaris van staat, waardoor Leyds grote invloed kreeg op zowel het binnenlandse als buitenlandse beleid. Hij nam de bestuurlijke opbouw ter hand en stelde een reeks deskundige Nederlanders aan: Cornelis van Boeschoten op Buitenlandse Zaken, Francois van Nikkelen Kuyper bij het hooggerechtshof, Isaac van Alphen als postmeester-generaal, Sytze Wierda bij publieke werken, Pieter Bell bij de staatsdrukkerij en Willem van Manen als civiel commissaris.

Op het onderwijs was de Nederlandse invloed wel het grootst. Met behulp van het Fonds voor het Hollandsch Onderwijs in Zuid-Afrika (1890) en het Taalfonds (1896) werden zo'n driehonderd onderwijzers en onderwijzeressen, allemaal van de gewenste conservatief christelijke signatuur, uitgestuurd. De Nederlander Nicolaas Mansvelt bouwde als hoofd onderwijs een net van lagere scholen op het platteland van de Transvaal, in de hoofdstad stichtte hij een Staatsgymnasium en een Staatsmijnschool. Het Nederlands was overal de officiële taal.

Willem Leyds ontpopte zich in zijn 10-jarige bewind als secretaris van staat als een soort onderkoning van de boerennatie. Ook op economisch gebied probeerde hij de Britse dominantie te pareren. Een Nederlandsch Zuid-Afrikaan sche Spoorweg Maatschappij werd opgericht, teneinde de boeren een zelfstandig spoornet te geven.

De nzasm begon, met Nederlandse en Duitse kredieten, meteen met de aanleg van een lijn tussen Pretoria en Lourenço Marques, in de Portugese kolonie Mozambique. Dankzij deze verbinding met de haven van de bevriende Portugezen hoefde de boerenregering niet langer afhankelijk te zijn van de onder Brits bestuur vallende havens van Durban, Oost-Londen en Kaapstad.

Hoe groot de Nederlandse inbreng was in deze strategische spoorwegmaatschappij, die al snel bijna 1200 kilometer 'ysterpad' omvat, blijkt wel uit het personeelsbestand. In 1899, aan de vooravond van de oorlog, was meer dan de helft van de 3162 spoorwegbeambten uit Nederland afkomstig, inclusief de directeur, jonkheer J.A. van Kretsch mar van Veen. In het begin van de oorlog werd de spoorweg veel gebruikt voor bevoorrading en transport van de boerentroepen, maar toen medio 1900 Pretoria viel, namen de Britten de zaak radicaal over. Bijna al het spoorwegvolk werd meteen weer op het schip naar Nederland gezet.

Die aftocht maakte ook voor lange tijd een einde aan het Hollandse verenigingsleven, dat met de toestroom van Nederlanders was ontstaan. In Pretoria was voor de oorlog een Nederlandsche Vereeniging opgericht, die samenkwam in het gebouw van de krant De Volksstem aan de Vermeulenstraat. Het sociale leven in de boerenhoofdstad kende verder de Hollandse rederijkerskamer Onze Taal, boogschuttersvereniging De Batavieren, een mannenkoor en een gymnastiekclub. En Koninginnedag werd trouw gevierd: eerst een dienst in de Nederduits Hervormde kerk aan de Du Toitstraat, dan naar de feestzaal voor muziek, een patriottisch woord van de Nederlandse regeringsgezant F.J. Domela Nieuwenhuis, het Wilhelmus en bal na.

De Anglo-Boerenoorlog maakte echter al snel korte metten met deze Hollandse bloeiperiode. De Britten hadden hun oog laten vallen op de net ontdekte goudvelden van Johannesburg en kregen een mooi excuus aangereikt om af te rekenen met de lastige boerenrepubliek. Kruger weigerde koppig het door de goudvondsten snel groeiende aantal Engelse burgers in de Transvaal - de 'uitlanders' - stemrecht te geven.

Aan de vooravond van de oorlog deed Willem Leyds, inmiddels ambassadeur der boerenrepubliek voor Europa, nog een dringend beroep op Nederland, teneinde het naderend onheil af te wenden. Hij vroeg koningin Wilhelmina bij het Britse vorstenhuis te pleiten voor stopzetting van de oorlogsvoorbereidingen.

Hoewel de Nederlandse regering eerst bedenkingen had, schreef Wilhelmina een brief aan haar tante Victoria. 'My dear Aunt. The serious news from South Africa that reached me these last days causes me great unhappiness.' De Engelse koningin gaf evenwel niet thuis: 'If President Kruger is reasonable, there will be no war, but the issue is in his hands.'

De jonge vorstin - Wilhelmina is net op 18-jarige leeftijd gekroond - moet het bijzonder moeilijk hebben gehad met de afzijdigheid van haar regering. Ze was, net als haar vader Willem III, een vurig aanhanger van de boeren. In zijn biografie over Wilhelmina geeft professor Fasseur daarvan sterke staaltjes, die hij vond in haar persoonlijk archief.

Zo barst de tienerkoningin bijvoorbeeld los als de Boerenoorlog een paar weken oud is en ze hoort dat een haar bekende freule als verpleegster meegaat met een Neder landse ambulance naar Zuid-Afrika en daar mogelijk ook Engel se gewonden moet verzorgen. 'Daartoe zou ik tegenwoordig niet in staat zijn met mijnen onverzoenlijken haat tegen dat volk. Ja inderdaad, ik kan ook bijna aan niets anders denken dan aan de boeren.'

In maart 1900, als de boerennatie steeds meer wegbrokkelt onder de overmacht van het Britse koloniale leger, schrijft ze op eigen initiatief een brief aan de Duitse keizer Wilhelm. 'Ik maak mij zorgen over de toekomst van mijn geliefde stamverwanten die in het verre Zuid-Afrika zo een moeilijke strijd voeren.' Ze vraagt Wilhelm te bemiddelen, maar de keizer ziet er geen brood in.

Net zomin als haar eigen regering: Den Haag bleef een angstvallig neutrale koers varen, met het oog op de goede relatie met Engeland en de eigen koloniale belangen. Minister-president Roëll had de lijn al ruim voor de oorlog uitgestippeld. Nederland moest zich concentreren op het behoud en de verdere ontwikkeling van Indië en geen andere verre zorgen op zich nemen.

De Nederlandse regeerders vonden het eigenlijk ook maar dom van Kruger c.s. dat die zonder oog voor mogelijke compromissen de wapens opnamen tegen de Britten. 'Hoe zou een handjevol boeren ooit een oorlog tegen de machtigste staat van de wereld kunnen winnen?' stelde minister van Buitenlandse Zaken De Beaufort.

De kloof tussen de Haagse Realpolitik en het Hollandse Volksempfinden was diep. Het volk vormde Boerenhulp Comités, bakte speculaaspoppen met de afbeelding van 'oom Paul' Kruger, op school leerden kinderen het Transvaalse volkslied Kent gij dat land, zo lang geknecht. De zelfstandige Zuid-Afrikaansche Republiek (Transvaal) en de aangrenzende Republiek van de Oranje Vrijstaat waren in de ogen van velen een deel van het vaderland geworden, een 'groot-Holland onder het Zuiderkruis'.

'Geen buitenlandse oorlog heeft zozeer tot de volksverbeelding in de Lage Landen gesproken', noteert Wilfred Jonckheer in zijn voorwoord van Boer en Brit, een bundel historische Afrikaanse en Nederlandse teksten die dit jaar in Zuid-Afrika (Protea Boekhuis, Pretoria) verscheen ter gelegenheid van de honderdste herdenking van het begin van de Anglo-Boerenoorlog.

Want de steun kwam niet alleen uit de zeer verwante conservatief christelijke hoek. Uit alle lagen van de bevolking in Nederland en Vlaanderen welden sympathie en bewondering op. Zelfs dichters behorend tot de verlichte beweging der Tachtigers roerden zich met geschriften doordrenkt van Dietsch-nationalistische gevoelens.

'Ging nu voor 't laast de zon van Holland tanen/Die, hoog en stout, in 't verre Zuiden stond/Omdat ons ras gerechten strijd aanbond/Met 't huurlings-rot der diplomaten-vanen?' schreef Willem Kloos in maart 1900 in het sonnet Zuid-Afrika. 'Is dan de stem des bloeds een ijdel wanen/En draait het leven even rustig rond?/O, ligt voor eeuwig, met gesloten mond/Der vrijheid lijf gesmoord in bloed en tranen?'

Van de Tachtigers leverde Albert Verwey het meeste geëngageerde werk. Uit De stam van 't volk: 'Een bloed is 't al, hier kronklend, daar aan 't bruisen/Een taal is de onze en de onze eenzelfde naam/Een is ons voelen, zij 't ook in geween'. En ook Frederik van Eeden (Gedachten over den Afrikaander krijg), Adema van Scheltema (Ons Hollandsch hart vergeet zijn broeders niet) en Nicolaas Beets verhieven hun stem ten bate van de dappere boeren, tegen de snode Engelsen - 'Door dorst naar goud en oppermacht ontaard' - en zonder ook maar één woord te reppen over het lot van de zwarte bevolking.

Alle volkssentiment ten spijt, stak de Nederlandse regering pas een hand toe toen de boerennatie al was opgegeven: in de loop van 1900, als Pretoria is gevallen en president Kruger naar Lourenço Marques is uitgeweken, besluit Den Haag tot een geste voor de vaderlandse bühne. De pantserdekkruiser Gelderland wordt gestuurd om hem weg te halen. Wanneer de oude boerenleider begin december 1900 in Nederland arriveert, krijgt hij een heldenonthaal. Kruger, die door aderverkalking geestelijk aan het aftakelen is, verblijft als balling nog geruime tijd in het land, onder meer in huize Oranjelust aan de Utrechtse Malie baan. Eenzaam en seniel stierf hij in 1904 uiteindelijk in het Zwitserse Clarens.

Op zaterdag 23 oktober 1999, honderd jaar en twee dagen na de smadelijke ondergang van het Hollandercorps bij Elandslaagte, staat er opnieuw een Nederlandse gezant in de Nederduits-Hervormde kerk aan de Du Toitstraat. De oud-Nederlandse gemeenschap in Pretoria herdenkt de gevallenen in de Boerenoorlog.

Rob Vermaas, oud-woordvoerder van minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking, nu tweede man op de ambassade in Zuid-Afrika, is gevraagd te spreken. Vanaf de kansel, bekleed met een purperen bandje met de tekst 'Jezus Alleen', kwijt hij zich diplomatiek van deze gevoelige taak in het nieuwe Zuid-Afrika.

Vermaas haalt zowel professor Schutte van de van oudsher pro-boerse Nederlands-Zuidafrikaanse Vereniging aan ('Na honderd jaar klinkt de nationalistische hero*ek vals') als president Mbeki. De opvolger van Nelson Mandela bracht onlangs - in het Afrikaans - hulde aan 'die dappere Boere en Boerevroue' en aan de zwarte Zuid-Afrikanen die onder de oorlog leden.

'Mbeki plaatste zijn toespraak in het teken van verzoening', memoreert de gezant van het moderne Nederland. 'In dat perspectief heeft herdenken inderdaad zin en is het goed om alle slachtoffers van deze Zuid-Afrikaanse oorlog te herdenken. Niet in nostalgische herinnering aan een roemrijk geslacht en met heimwee terugziend naar de vlag van de oude Transvaal, maar met de blik gericht op de veelkleurige vlag van het nieuwe Zuid-Afrika.'

In de kerkbanken zitten nog geen honderd mensen. 'Een goede opkomst', oordeelt organisator Willem Punt na afloop van dienst. Want Zuid-Afrika mag tegenwoordig weliswaar enkele tienduizenden Nederlanders en oud-Neder landers tellen - die zijn vooral van de generaties die in de jaren dertig en na deTweede Wereldoorlog naar Zuid-Afrika emigreerden. En bij hen leeft een herdenking van 'Kruger se Hollanders' niet.

Punt zelf behoort tot de kleine groep die nog wel verwantschap voelt. Hij is een kleinzoon van Jacob Punt, een Amsterdamse jongen die in 1892 op 22-jarige leeftijd naar Zuid-Afrika kwam om bij de spoorweg te werken en die later nog een sigarenzaak had in het centrum van Pretoria. 'Jacob heeft als spoorwegman nog op de jonge Winston Churchill gepast, toen die als oorlogscorrespondent krijgsgevangen werd gemaakt'.

Buiten tegen de kerkmuur staat sinds 1909 een eenvoudige gedenksteen met 78 namen: alle Nederlanders die in de Boerenoorlog het leven verloren. Er worden enkele eenvoudige bloemenstukken bij gelegd, handen geschud en dan zoekt iedereen de auto weer op. De koster staat ongeduldig bij het hek te wachten. Het loopt tegen zessen, bijna Hollandse etenstijd. Hij wil naar huis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden