BESCHOUWING

Jozef Van Ruyssevelt was een typische intimist

Beschouwing: Jozef Van Ruyssevelt (1941-1985)

De Vlaming Jozef Van Ruyssevelt verbeeldde zijn eigen interieur in talloze variaties. Dat maakt zijn oeuvre, nu in Parijs te zien, bijzonder. Net als zijn gebruik en misbruik van de etstechniek.

Jozef van Ruyssevelt, De piano, 1980. Collectie May Van Ruyssevelt, Essen.

Kunstenaar zoekt onderwerp - wat te doen? Hij kan op pad gaan, de trein nemen, het vliegtuig. Hij kan afreizen naar verre oorden, naar Spanje of naar India, naar Guatemala voor mijn part, waarom niet? Heeft hij geen last van hoogtevrees, dan trekt hij de bergen in, jagend op duizelingwekkende vergezichten, komaan. Is hij gezegend met een sterke maag dan laat hij zich aan de mast van een schip binden. Golven slaan - splash, splash - in zijn gezicht. Wat hij natuurlijk óók kan doen: thuisblijven. De eigen woonkamer verkennen. Steeds opnieuw, eindeloos. De Vlaamse schilder en graficus Jozef Van Ruyssevelt (1941-1985) deed het, met ongeëvenaard resultaat.

Hem moet u leren kennen. Hij leefde in de tweede helft van de 20ste eeuw, een stille, gevoelige, zeg gerust hypersensitieve man. Van Ruyssevelt (Jef voor intimi) maakte verfstudies, knalharde straatgezichten in klaterende kleuren, een soort iPad-tekeningen avant la lettre, maar wat hem vooral bijzonder maakte, waren zijn etsen. Die waren raak, contrastrijk, en oogden in toenemende mate onstuimig. Ze waren heel eigen. Ze werden zeer gewaardeerd.

En dat worden ze nog steeds, zij het door een kleine groep liefhebbers. Ze bevinden zich in collecties van gezaghebbende instituten, waaronder het Rijksprentenkabinet in Amsterdam, maar een doorbraak bij een groot publiek maakten ze niet mee. Dat verdienen ze wel, en dat gaat, voorspel ik, gebeuren ook. Een tentoonstelling in Fondation Custodia in Parijs draagt er aan bij.

Een prachttentoonstelling, deze. Zij werd samengesteld en ingericht door NRC Handelsblad-criticus en Van Ruyssevelt-liefhebber Gijsbert van der Wal in samenwerking met May Suykerbuyk, de weduwe Van Ruyssevelt. De expositie is gericht op het grafische oeuvre, jeugdwerk, vormstudies uit de postacademische jaren en de latere expressieve stillevens. Hun presentatie schakelt handig tussen chronologisch en thematisch en kent een fijne afwisseling van (stemmig) etswerk en (vrolijkere) schilderijen. Ook zijn er mooie beeldcombinaties bij de vleet. Een effectief staaltje expositie-inrichten, dat staat vast. Hier word je echt verleid om Van Ruyssevelts wereld te ontdekken.

Intimist

Die was alles behalve spectaculair. Uitgezonderd enkele vakanties en reisjes met studenten (Van Ruyssevelt was docent aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen) beperkte de kunstenaar zich tot zijn directe huiselijke omgeving aan de Stationstraat in Essen, in de provincie Antwerpen, waar de grens van het dorp ook de grens met Nederland vormt. Derhalve was Van Ruyssevelts atelier ook zijn woning, of, andersom: zijn woning zijn atelier. Dat was misschien niet altijd fijn voor mevrouw Van Ruyssevelt, zo'n permanent bevlogen kunstenaar over de vloer,om nog maar te zwijgen over de krijt- en verfvlekken op het bankstel. Voor het werk had het een groot voordeel: wat Van Ruyssevelt boeide, kon hij eindeloos bestuderen en kopiëren.

In die zin was hij een typische intimist, en daar waren er meer van. Ook kunstenaars als Ket, Mankes, Morandi, Foujita en talloze anderen zwoeren bij huisje, boompje en vooral een heleboel beestjes. Zij verschilden op talloze vlakken van elkaar, maar één ding hadden ze gemeen: de vertrouwdheid met hun onderwerp. Die ging diep. Ze kenden misschien niet veel, maar wat ze kenden, kenden ze goed. Het maakte hun werk vaak doorleefd en dus ook doorwerkt.

Doorwerkt betekent in Van Ruyssevelts geval trouwens niet per definitie gedetailleerd. 'Alles is vol harmonie!', noteerde hij in het voorjaar van 1979: 'Het licht verandert gedurig, steeds opnieuw nieuwe sferen scheppend, zodat wij (...) maar een heel klein steeltje daarvan kunnen vasthouden'. Dat 'steeltje' oogde, zoals Gijsbert van der Wal in de catalogus schrijft, bij Van Ruyssevelt vaak non-descript. Letterlijk. Aan texturen en exactheid had de kunstenaar een broertje dood. Meer dan door het precieze uiterlijk van zijn bloemen, stoelen, piano, et cetera was hij gegrepen door hoe ze zich tot elkaar verhielden, het botsen van ruimten en restruimten, de verschillen in toon en de handschriften waarin je ze kon verbeelden, van priegelig tot geometrisch. Meer dan de dingen, kortom, was het de vertaalslag naar papier die hem bezighield. En de tentoonstelling toont: die vertaalslag werd steeds vrijer, expressiever.

Werk op papier van Jozef Van Ruyssevelt (1941-1985)

Expressieve impressies

Dat ging niet van de ene op de andere dag. De vrijheid werd zwaar bevochten. Er gingen realistische gevelgezichten van typisch Belgische straten aan vooraf. Die ogen een tikje doods. Er gingen ook hoekige, sterk vereenvoudigde Morandi-achtige stillevens aan vooraf. Die waren dan weer erg fraai. Uiteindelijk ontstonden de expressieve impressies van Van Ruyssevelts reis door zijn eigen kamer. Dat was in de late jaren zeventig, vroege jaren tachtig. Twee zaken waren er debet aan.

Allereerst: toenemend lef als etser. Kort gezegd kwam het erop neer dat Van Ruyssevelt naast de gebruikelijke etstechnieken ook dingen inzette die anderen per ongeluk of als correctiemiddel gebruikten voor expressieve doeleinden. Zo had hij de gewoonte om een geïnkte etsplaat (zie balkon) vies te laten. Gevolg: grote schemerige partijen op de afdruk. Wat hij ook graag deed: met een zogenaamd 'ophaalvod', bijvoorbeeld een stukje kant, over diezelfde smerige etsplaat vegen, er patronen in aanbrengen. Dan kreeg je mooie lichtstrepen door het donker. Andere ongebruikelijke ingrepen: met polijst-ijzer krassen en met vet krijt op de etsplaat tekenen. Van Ruyssevelt, denk ik, gebruikte de etstechniek niet alleen, hij misbruikte hem ook.

Op de tentoonstelling zie je hem ermee experimenteren, heel fascinerend. Hoe ingrijpend was het verschil tussen de ene en de volgende staat! Een kamer met een erker en een stilleven met wat fruit die in de eerste druk nog lijkt te baden in weldadig zonlicht, is twee versies verder opeens gehuld in een onheilspellende schemering. Een tableau met schelpen en schalen en potjes transformeert in drie stappen in een provisorische stofjes-kraam, zoals je die in India aantreft. Omdat Van Ruyssevelt leerde van welke fouten hij voordeel kon hebben, werden zijn impressies steeds levendiger en energieker. Daar was nog een reden voor, een trieste: Van Ruyssevelts manieën.

Jozef van Ruyssevelt Beeld Frans Roex

Hoe maak je een ets?

Een meesteretser, oké, maar hoe maak je zo'n ets ook alweer? Dat gaat als volgt: je neemt een koperen etsplaatje. Dat smeer je in met was of een andere zuurbestendige laag. Met een etsnaald maak je een tekening in de waslaag. De etsplaat gaat in een bad met zuur. Het zuur bijt in de koperplaat waar de was is weggekrast. Wrijf inkt in de etsgroeven, veeg overtollige inkt weg (of laat, zoals Van Ruyssevelt deed, inkt zitten op plekken waar je een donkere partij wenst). Leg de geïnkte etsplaat tussen een etspers op een stuk vochtig papier. Voilà, een etsafdruk.

Top of dal

Die werden steeds heviger. Je kunt hem nog het best vergelijken met zo'n kraan die enkel ijskoud of gloeiend heet water geeft; hij zat of op een top of in een dal. Praktischer gezegd: soms wilde Jef zijn bed niet in, soms kwam hij er niet uit. Typerend is de anekdote over de vakantie op Mallorca waar hij de hele dag in zijn schetsboek tekende om 's nachts, wanneer zijn vrouw sliep, de badkamer nog eventjes te vereeuwigen. In zulke episoden doet Van Ruyssevelt denken aan die andere kunstenaar die zichzelf opbrandde, Vincent van Gogh (Van Ruyssevelt schoot zichzelf tot twee maal toe in de borst, voordat hij in 1985 overleed door voor een trein te springen). Net als bij Van Gogh geldt: het late werk is het meest eigene. En het beste.

Landschap uit 1981, een exterieur, is zo'n werk. Het toont de tuin in Essen: bomen, struiken, een schommel - een typische latere Van Ruyssevelt (hoewel dat klinkt alsof je het over een krasse tachtiger hebt in plaats van een prille veertiger). Het handschrift is vlug en kriegelig, alsof de kunstenaar door de duivel op de hielen werd gezeten en ook tastend, alsof hij echt alle ruimten tussen de bosjes en de bomen is langs gegaan - dat is dan weer die hang naar volledigheid, dat obsessieve. En toch: de ets oogt nergens doorwrocht. Ze verzuipt niet in details. Het is een sterk en solide geheel, waarin alles op de juiste plek zit en die op je afkomt met de kracht van een vuistslag.

Dat is wat Van Ruyssevelt zo goed maakte. Daarom is hij het kennen waard.

Capturer la lumière, Werk op papier van Jozef Van Ruyssevelt (1941-1985), Fondation Custodia, Parijs, t/m 30/4, Catalogus (door Gijsbert van der Wal), 35 euro.

Jozef van Ruyssveltm Veranda, 1980 In bezit van Rijksprentenkabinet Amsterdam
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.